Posts tonen met het label Boeddha. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Boeddha. Alle posts tonen

donderdag 14 oktober 2021

I. “Van het kennen van de eeuwigheidsgrond in de mens en in de wereld spreekt Rudolf Steiner in zijn antroposofie. Hoe het vergankelijke en het eeuwige in de mens zich ontmoeten is de vraag naar een nieuwe mogelijkheid van gemeenschapsvorming die Rudolf Steiner ontwikkelt.”[1]

Een van de grote thema’s die door de hele tekst lopen is het merkwaardige, geweldige wisselspel van het eeuwige en het vergankelijke. Juist op grond van zijn vergankelijkheid, d.w.z. omvormings- en ontwikkelingsvaardigheid wordt zich de mens steeds inniger en glanzender van het eeuwige bewust. Men kan nooit van iets vergankelijks spreken zonder zich af te vragen: Welk eeuwig iets staat daarachter? en nooit van iets eeuwigs zonder te vragen:  Wat voor vergankelijk iets wil het worden? Verder: De enkeling en de gemeenschap (het thema dat ook met het geheim van het getal samenhangt); en het grote grondende thema is ja de werelddramatiek die zich in het individuele mensendrama herhaalt. Het boek is een soort mysteriedrama: het in stukken snijden en onderduiken van het goddelijke in het vergankelijke en weer opduiken van het eeuwige in het vergankelijke, nadat het voor datgene wat het uit het vergankelijk tegemoet komt, een nieuwe mogelijkheid heeft gekregen. Dit kosmisch drama herhaalt zich in het microkosmisch gebeuren, in het kennis- en ontwikkelingsgebeuren – dit halen van de eigen hogere natuur uit het graf van het vergankelijke bestaan, waarin het hogere aanvankelijk verzonken is, om door het opblazen van deze grafkist voor zijn eigen activiteit nieuwe mogelijkheden te krijgen.

            Reeds de titel van het hoofdstuk “De Egyptische  mysteriënwijsheid” doet een vraag stellen, namelijk of het niet volledig gemaakt kan worden, omdat er nog van andere en beduidendere dingen sprake is. In elk hoofdstuk zal er door de grondende thematiek een nieuw uitzicht op het wezen van het christendom  gevonden worden.

            Door welke gebeurtenis van de Egyptische mysteriënwijsheid zal dan nu naar  iets beduidends in het wezen van het christendom worden verwezen?

            “Wanneer gij bevrijd van uw lichaam opstijgt naar het vrije ether, zult ge een onsterfelijk God zijn, aan de dood ontkomen.” (V,84)[2]   

            De mens wordt al naar gelang van het doorstaan van het dodengericht zelf  een Osiris.

            Vergelijke dat niet beeldend maar begripsmatig met het door Aristoteles uitgedrukte: De mens wordt een waar mens doordat hij met andere mensen aan de hoogste mens, aan de goddelijke mens deelneemt; en deze goddelijke mens kan zelf zijn opdracht en zijn wezensvolheid alleen voleindigen doordat hij door de velen heen leeft en uit hen verrijst. Dus: de velen in de ene en de ene in de velen, de samenhang van het individuele en het gemeenschappelijke.

            Dit motief ligt in het christendom op een nieuwe wijze weer op – individuele religieuze ontwikkelingsweg en gemeenschapsvorming. De Osiris-wording is de weg van de mens, maar werkelijke tot Osiris worden kan in de zin van de Egyptische mysteriënwijsheid de mens, tenzij hij niet een hoge ingewijde is, pas na het doorstaan van het dodengericht, uiteraard op grond van een zekere voorbereiding in de voorafgaande incarnatie. De belevenis van de ene in de velen is voor de Egyptenaar alleen weggelegd na de dood. Osiris wordt door Typhon in stukken gesneden in de wijdte van de kosmische wereld en verrijst uit het graf van de menselijke enkelziel, waarbij zich het kosmische en het individuele doordringen. Het typische van de Egyptische inwijdingsweg keert in alle tijden in elke inwijdingsweg terug. Elke ingewijde schrijdt op individuele en tegelijk voorbeeldig geldige wijze door dit dramatisch wereldgebeuren van het onderduiken en weer opduiken uit het vergankelijke. De verheerlijking is bij Christus Jezus niet zoals bij Boeddha een voltooiing, maar pas de inleiding van een volgende grotere inwijding (die bij Boeddha niet gebeurt), die tegelijk de grondlegging van een gemeenschapsvorming is.

            Verpersoonlijking van de Logos in het individuele wezen [van de mens] – dit gaat boven de Boeddha-inwijding uit die ja met het weer-eens-worden met de goddelijke-geestelijke oergrond voltooid wordt. Het is deze verbinding van het hoogste goddelijk-geestige met het volledig individueel-persoonlijke dat in het christendom in een historisch beslissende nieuwe fase verschijnt. Het is eigenlijk ook het thema van de Egyptische cultuur, omdat deze op beslissende wijze met belichaming te maken heeft, die wederom in beslissende wijze met individuatie  samenhangt. Want door ons lichaam hebben we immers het element in ons dat ons een afzonderlijk bestaan verleent.  De hereniging van hetgeen uit ons lichaam is gehaald met het hoogt goddelijke geschiedt in de zogenoemde Egyptische cultuur òf achter de sluier van de mysteriën dan wel na de dood.

             “Wat zich dus voor de oude mysteriecultus in het binnenste van de mysterietempel heeft afgespeeld, dat is door het christendom als een wereldhistorisch feit opgevat. De gemeente heeft zich tot Christus Jezus, de geïnitieerde, de op uniek-grootste wijze geïnitieerde bekend. Haar heeft hij bewezen dat de wereld een goddelijke is. De mysteriewijsheid werd  voor de christelijke gemeente onverbrekelijk verbonden met de persoonlijkheid van Christus Jezus.  Dat Hij geleefd heeft en dat Zijn belijders Hem toebehoorden: dat geloof trad in de plaats van hetgeen men vroeger met de mysteriën wilde bereiken. Voortaan kon een deel van datgene  wat eerder slechts door mystieke methoden was te bereiken, vervangen worden door de overtuiging dat in het op aarde aanwezig geweest Woord het goddelijke is gegeven. Niet datgene waartoe de geest van iedere enkeling lang moest worden voorbereid, was voortaan alleen doorslaggevend, maar wat diegenen gehoord en gezien hebben die om Jezus heen waren; en wat door hen is overgeleverd.  ‘Wat vanaf het begin is geschiedt, wat wij gehoord, wat wij met handen beroerd hebben van het Woord des levens … wat wij zagen en hoorden, dat verkondigen wij ook aan jullie, opdat jullie ook deelnemen aan onze gemeenschap.’ Zo luidt de eerste zendbrief van Johannes.  Een deze onmiddellijke werkelijkheid dient als levendige band alle generaties te omvatten; het dient zich als kerk mystiek van geslacht tot geslacht verder te strengelen. Zo zijn de woorden van Augustinus te verstaan: ‘Ik zou het evangelie niet geloven, als de autoriteit  van de katholieke kerk mij niet daartoe zou bewegen.’ Niet in zichzelf dus hebben de evangeliën een herkenningsteken voor hun waarheid, maar men dient ze geloven, omdat ze gegrond zijn op de persoonlijkheid van Jezus en omdat de kerk van deze persoonlijkheid op geheimzinnig wijze de macht afleidt de evangeliën als waarheid te doen verschijnen.  De mysteriën hebben door traditie de middelen overgeleverd om tot de waarheid te komen; de christengemeenschap plant deze waarheid zelf voort. Bij het vertrouwen tot de in het innerlijke van de mens oplichtende mystieke krachten tijdens de inwijding moest het vertrouwen kommen in de Ene, de Oer-initiator. Vergoddelijking hebben de mysteriën gezocht; ze wilden die beleven.  Jezus was vergoddelijkt, aan Hem moest men zich houden; dan is men binnen de door hem gestichte gemeenschap zelf deelnemer aan de vergoddelijking: dat werd christelijke overtuiging. Wat in Jezus vergoddelijkt was, is voor zijn hele gemeenschap vergoddelijkt. ‘Zie, Ik ben met jullie al de dagen tot de voleinding van de wereld.’” (Matth. 28:20)   

            Dit is het doel waarnaar dit hoofdstuk streeft:  een nieuwe verhouding van het individuele en daardoor een nieuwe verhouding tot de goddelijk-geestelijke wereld. Door de kleine inwijding ervaart het eigen innerlijk van de initiant een geestelijke verlichting die ook voor zijn leerlingen verschijnt. De grote inwijding is veel minder belangrijk voor de initiant dan de anderen die naar hem opzien, die met hem leven en waarmee hij leeft. De grote inwijding dient hen een nieuwe mogelijkheid van de eigen ontwikkeling te geven. Christus Jezus openbaart Zich aan de Zijnen in de opstanding die Hij niet voor Zichzelf in de eerste instantie doormaakt, maar voor Zijn gemeente.  De grote inwijding is eigenlijk een inwijding van de gemeente, niet eenvoudig in de zin dat de gemeente door het voorgaan van de geïnitieerde een groot voorbeeld gegeven en voor het overige alles afgenomen wordt, maar op die manier dat een nieuwe reële basis voor de gemeente geschapen wordt.

            “In Jezus is de Logos zelf persoonlijk geworden.” (Hfdst. 5,6)

            Deze zin staat eigenlijk in het midden van het betoog. Hij heeft de verschijningsvorm van het persoonlijk menselijke aangenomen, zoals zich dat alleen voordoet in het incarneren in de uiterlijke zintuigelijke wereld en daarmee was datgene wat zich oorspronkelijk in het geheim van de mysteriën afgespeeld heeft op het podium van de wereldgeschiedenis getreden, doordat een mysteriegebeuren openbaar gemaakt werd. 

            Maar deze openbaring betekent niet alleen dat men ervan weten kan, maar dat er daardoor een nieuwe reële basis van gemeenschapsvorming werd gegeven. Wat de Egyptenaar normaliter alleen na de dood kan beleven, dit eens-zijn van het individuele en gemeenschappelijke, kan de christen sinds de grote inwijding van Christus Jezus in het zich in de zintuiglijke wereld afspelende leven door gemeentevorming ervaren en nu uiteraard door de kracht van het geloof door iets wat met de bewustzijnshistorische ontwikkelingsstand van de toenmalige mensheid in overeenstemming was. Gelovige toewijding aan het geopenbaarde mysteriegebeuren kan ervaren worden: Elk individueel menswezen is op weg naar het hoogst goddelijke en daarmee op weg naar de hoogste gemeenschap, gelijktijdig met de hoogste vervulling van de eigen persoonlijkheid.

            Dit hoogste mysteriegebeuren is iets waarnaartoe de gemeente kan opkijken en geloven. En door dit geloof aan het openbaar gemaakte  mysteriegebeuren, dat een feit in fysieke lichamen levende mensen is, ontstaat in de gelovige zielen iets wat in de gemeenschap boven hun persoonlijkheid uitstijgt. In de geloofsgemeenschap kan zich een aanwezigheid van het geestelijke voordoen, zoals die anders alleen op de inwijdingsweg in de mysteriën mogelijk was. De mensen kunnen in hun gelovig gemeentebestaan zich bewust worden van de ervaring van het hoogste goddelijke, die vroeger alleen de initiant in de mysteriën of de overledene pas na het dodengericht had.

            Gemeentevorming als vooruitzicht en daarmee tegelijk ook voorbereiding van de inwijdingservaring wordt hier als de eigenlijke zin van het Christusmysterie weergegeven. En met deze gemeenschapsvorming, die dus in de diepste kern van het beleven leidt, is tegelijk een stap in de uiterste openbaarheid verbonden. Want voor alle ogen geschiedt in het leven van Jezus wat anders alleen in de mysteriën geschiedt. Maar alleen de samenhang van gemeentevorming als voorwaarde van de hoogste geesteservaring enerzijds en de openbaarmaking van het mysteriegeheim anderzijds, alleen beide tezamen als de twee kanten van dezelfde zaak heeft een zin.

            Alleen onder de bescherming van de gemeentebeleving is überhaupt de openbaarheid van de christelijke religie in haar spirituele gehalte existent en bestaansvaardig. “Doe dit tot Mijn herinnering, gedenk Mijn naam, scheidt deze nooit van de in de openbaarheid verrichte daad, opdat jullie in jullie onvolmaaktheid bewust kunnen worden van het hoogste goddelijke” Wat de mens van zijn eigenlijk wezen en van het doel van zijn weg scheidt is de zonde. De zonde van de enkelingen in de geloofsgemeenschap neemt Christus in Zich op. Het hoogste geestelijke zou in een gemeenschap niet tot een belevenis kunnen komen, indien ervoor niet een reële basis gegeven is om deze zondewerking te overwinnen. Daarom draagt de initiant die in de openbaarheid treedt met zijn mysteriebeleving de zonden van degenen waarvoor hij in hun gezamenlijk geloof de hemel ontsluit.  Daarom dragen de schuld aan Zijn lijden en wonden degenen die niet onderkennen hoe dat in het gemeentegebeuren samen hoort.

            “Maar het leven van Jezus bevat meer dan het Boeddhaleven. Boeddha’s leven besluit met de verheerlijking. Het belangrijkste in het Jezusleven begint na de verheerlijking. In de taal van de ingewijden zou men dat als volgt moeten vertalen: Boeddha is tot het punt gekomen waarop in de mens het goddelijke licht begint de glanzen.  Hij staat voor de dood van het aardse. Hij wordt het wereldlicht. Jezus gaat verder. Hij sterft niet lichamelijk op het ogenblik dat het wereldlicht Hem doorstraalt. Hij is op dat ogenblik een Boeddha. Maar Hij betreedt ook op dat ogenblik een stap dat in een hogere graad van inwijding uitgedrukt wordt. Hij lijdt en sterft. Het aardse verdwijnt, maar het geestelijke, het wereldlicht verdwijnt niet. Zijn opstanding geschiedt. Hij onthult Zich als Christus voor Zijn gemeente. Boeddha vervloeit op het ogenblik van zijn verheerlijking in het gelukzalige leven van de Algeest. Christus Jezus wekt deze Algeest nog eenmaal op in menselijke gestalte in het tegenwoordige bestaan. Zulks werd met de initiant bij de hogere wijdingen voltrokken op een wijze die beeldend was.  De in de zin van de Osirismythe ingewijden waren tot een dergelijke opstanding in hun bewustzijn gekomen als in een beeldbelevenis. Deze grote inwijding, niet als beeldbelevenis maar als werkelijkheid, werd dus in het Jezusleven aan de Boeddha-inwijding toegevoegd. Boeddha heeft met zijn leven bewezen dat de mens de Logos is en dat Hij in deze Logos, in het licht terugkeert, wanneer het aardse aan Hem sterft. In Jezus is de Logos zelf persoonlijk geworden. In Hem is het Woord vlees geworden.” (5,6)

            Wat in het hoofdstuk weergegeven wordt over de betekenis van de grote inwijding voor de gemeenschapsvorming en over het ervaren van het geestelijke door de gemeenteleden is weergegeven met het oog op die bijzondere historische situatie, waarin deze gemeenschapsvorming door de kracht van het geloof  (niet door het kennen) voltrokken werd. Zijn er metamorfosen, een voortzetting van dit gebeuren, dat zich destijds door de geloofskracht voltrok, naar onze tijd toe waar de mensen vanuit kenvermogens leven? Rudolf Steiner heeft zich in zijn werken de opgave gesteld en opgelost om deze belevenis, die voor de geloofsgemeente een beslissende was, voor de kennisgemeente te vernieuwen.

            De van de aanschouwelijke feiten uitgaande opvatting van het tijdverloop verwikkelt zich volgens Aristoteles (4de boek van zijn Fysica) in tegenstellingen: Men gelooft de tijd in verleden, heden en toekomst te kunnen indelen. Maar dat is niet zo vanzelfsprekend. Het verleden is immers niet meer, heeft geen Zijn meer. Toekomst is er nog niet, heeft dus ook geen Zijn. En het heden is de blote grens tussen beide niet-zijnde bestanddelen van de tijd. Een grens heeft immers ook geen eigenzijn, maar ontstaat door de samenhang van het niet-Zijn van het verleden en het niet-Zijn van de toekomst. Beide hebben  geen Zijn, het heden heeft zelfs een gepotentieerd niet-Zijn. Niet-Zijnden  kan alleen een gepotentieerd niet-Zijn baren.

            De tijd wordt ook als een geweldige stroom opgevat die in zijn bedding het puin van alle zijnde dingen met zich mee wentelt. Maar deze zijnde dingen hebben weder een Zijn in het verleden (dat immers voorbij is) noch in het verleden, maar alleen in het heden dat slechts een grens tussen twee niet-Zijnden is. Wat blijft er dus van het Zijn van het in de tijd optredende dingen over? Oplossingsverzoek van Augustinus (Confessiones): In plaats van één heden dienst men van drieërlei te spreken. Wanneer we ons aan het verleen herinneren, dan is op het ogenblik van de herinnering toch het verleden tegenwoordig; er is dus (in de herinnering) een verleden-heden. En omdat in de verwachting iets toekomstigs tegenwoordig wordt, is er ook een toekomst-heden. Bovendien is er een heden-heden. Daarmee meent Augustinus  van de moeilijkheid verlost te zijn. Maar: in het heden van het verleden wordt toch alleen een niet-Zijnde tegenwoordig, in het heden van de toekomst eveneens. En omdat het heden van het heden alleen door de botsing van het verleden en de toekomst  gevormd kan worden, is het met het in drie gedeelde heden van Augustinus niet beter gesteld dan het ene heden van Aristoteles.

            Wanneer men de tijd alleen onder het gezichtspunt van de tijdelijkheid beschouwt, dat wil Aristoteles aantonen onder het gezichtspunt van het vergankelijk verschijnende, verwikkelt men zich in onoplosbare tegenstellingen. Deze worden pas opgelost, indien men ziet dat immers in werkelijkheid het vergankelijk verschijnende altijd door iets eeuwigs wordt doorlicht. De vertijdelijking van het eeuwige, dat is de tijd; het is niet dit voortwentelen van het verleden in het heden en in de toekomst. Tijdelijk kan iets Zijnsbestand alleen hebben op grond van het eeuwige in de wereld in de mens dat al het verschijnende grondt en draagt.

            Van het kennen van deze eeuwigheidsgrond in de mens en in de wereld spreekt Rudolf Steiner in zijn antroposofie. Hoe het vergankelijke en het eeuwige in de mens zich ontmoeten is de vraag naar een nieuwe mogelijkheid van gemeenschapsvorming die Rudolf Steiner ontwikkelt.


[1] Het idee om een citaat uit het hoofdstuk als titel of motto toe te voegen, dat hier bij elk hoofdstuk wordt doorgevoerd, stamt van de vertaler.

[2] In de Duitse uitgave van deze inleiding wordt wat betreft de citaten  met getallen naar de hoofdstukken van Het christendom als mystiek feit en de mysteriën der oudheid verwezen en op welke pagina deze citaten staan.  Hier zal alleen naar het hoofdstuk met Romeinse cijfers en de bladzijde met Arabische nummers verwezen worden, want  de  Nederlandse vertaling heeft zich niet aan de alineavolgorde van het Duitse origineel gehouden. De citaten heb ik overigens deels zelf vertaald uit het Duitse origineel c.q. gecheckt en vergeleken met de mij beschikbare Nederlandse vertalingen en de nieuwe en oudere Nieuwe Testament vertalingen van de Christengemeenschap.


woensdag 13 oktober 2021

XI. “De verbinding van de Griekse en Egyptische mysteriënimpulsen voert ons op de weg naar het mysterie van Golgotha”

Het 5de hoofdstuk “De Egyptische mysteriewijsheid” wordt in zijn wonderlijke configuratie uit de vijfde trede van de zielsmatige ontwikkelings- en meditatieweg ontwikkeld die we de heilige weg genoemd hebben. De overgang naar het 5de hoofdstuk gaat uit van de mythe van Osiris die oorspronkelijk een Egyptische is, maar  helemaal gelijkvormig  in de Griekse mythologie overgenomen werd. De uitgang van de mythe van Osiris in het 5de hoofdstuk dient ertoe om onze blik op het mysterie van Golgotha te richten, waaraan de hoofdinhoud van dit hoofdstuk is gewijd. Eleusis, het doel van de heilige weg, betekent de grootste wijsheidsimpuls van het Griekendom. Die straalt over het hele Griekendom uit en wordt uiteindelijk afgesloten in de wijsheid van de grote filosofen. Met deze wijsheidsimpuls wordt nu deze impuls verbonden die voor het Egypte bijzonder karakteristiek is en zich dus in de mythe van Osiris uitdrukt. De verbinding van deze beide impulsen voert ons op de weg naar het mysterie van Golgotha. Voor het Egyptendom, waarvan de mysteriewijsheid is samengevat in de mythe van Osiris, is de aanleg van de individualiteitimpuls karakteristiek. De aanleg  van de zelfstandige individualiteit hangt samen met de fysieke lichamelijkheid, deze geeft ons de afgrenzing, de afscheiding van de geestelijke wereld, waarin zich de mens, eer hij zich volledig in zijn lichaam geïncarneerd voelt, als een onzelfstandig lid beleefde. De beklemtoning van de vanuit de fysieke lichamelijkheid uitgaande en tot zelfstandigheid voerende krachten is een van de hoofdimpulsen van de Egyptische cultuur. De aanleg van de persoonlijkheidsimpuls komt ook tot uitdrukking in het streven om het lichaam door balseming zo lang mogelijk te bewaren, en in de kernbeleving van de Egyptenaren voor het dodengerecht met datgene te doorstaan wat hij uit het beleven van de lichamelijkheid de geestelijke wereld  naarbinnen draagt . Men hoeft alleen maar een zinnende blijk over de Egyptische cultuur te laten struinen om steeds weer hetzelfde te merken: dat de goden als brengers van de akkerbouw geprezen worden, het stiersymbool etc. Wat de mens uit een lichaam door de dood draagt, is eigenlijk het onvergankelijke van datgene wat hij in het leven  als (men kan het voor destijds nog niet zeggen) vrije persoonlijkheid, maar als enkele wezenheid beleeft. Dat is de bloedimpuls. De bloedzuiveringsimpuls is eigenlijk datgene wat er uit het Egyptische cultische en mystieke streven uitstroomt.

            Bij de wijsheidsimpuls van de Griekse cultuur daarentegen gaat het om iets anders, gekarakteriseerd onder de hier wezenlijk verschijnende gezichtspunten: Bij de grote wijsheidsimpuls komt her er minder op aan om het gelouterde onvergankelijke element, dat de mens tot een zelfstandige wezenheid maakt, over de dood heen te redden; het dodenrijk is voor de Grieken een schimmenrijk. De Grieken keken in hun oorspronkelijke  aanleg voor wijsheid naar het evolutionaire element dat in de ontwikkeling van de wereld tot uiting komt. De grote mythe is door en door een evolutiemythe. Dat wordt uitgedrukt daardoor de godengeslachten elkaar aflossen, een ontwikkeling waaruit ook de mens in zijn heerlijke aardelichamelijkheid voortkomt. Het oudste godengeslacht vormen Gäa en Uranos. De tweede godengeneratie is vertegenwoordigd door Rhea en Chronos, de tegenwoordige door Hera en Zeus.  Uit deze wereldevolutie komt niet het over de dood heen gered bloedselement van de Egyptische cultuur, maar daar komt het brood eruit, het lichaam van de mens die uit de wereld- godenevolutie  ontstaat. Het dagelijks brood van het menselijke lichaam dat uit de wereld- en godenevolutie vandaan komt is het waarnaar de Griekse mythe verwijst. Dit brood moet zich verbinden met de drank van de menselijke evolutie, de bloedstroom die uit de Egyptische cultuur vandaan komt. Wanneer zich beide verbinden, kan het mysterie van Golgotha ontstaan. Derhalve de heilige weg van Eleusis en, daaruit zich ontwikkelend, het zicht op het mysterie van Golgotha – Het 5de hoofdstuk heeft zeven alinea’s (een kort overzicht over het 5de hoofdstuk, 1ste alinea, V, 84 f.):

1. Het geheim van het getal: Voor het dodengerecht komend (zie beeld) gaat het voor de Egyptenaar, met name voor een ingewijde Egyptenaar, erom dat zo te doorstaan dat hij zichzelf als een Osiris mag beleven (“Osiris N.”). Dat was een belevenis na de dood; door het mysterie van Golgotha kan het in volle geldigheid in het aardeleven worden ervaren. Daarmee wordt naar het geheim van het getal verwezen en überhaupt naar het geheim van gemeenschaps- en cultuurvorming, want het leven en de vorming van een cultuur hangen ervan af of zich de leden als dragers van een bovenpersoonlijke Godsindividualiteit beleven kunnen.  In de Osirisbeleving  had de Egyptenaar deze oerbelevenis van alle cultuurvorming, natuurlijk ook de oerbelevenis van de inwijding. Laatstgenoemde mag men ook als het geheim van het getal uitspreken:  De Ene, het  bovenzinnelijke godswezen, leeft en weest in de velen en de velen in de Ene. Deze vereniging van eenheid en veelheid, die later tot eenheid van vrijheid en gemeenschap wordt, geschiedt door de fysieke lichamelijkheid van de mens, want het fysieke lichaam maakt het de mens mogelijk zich als zelfstandige eigene wezenheid te beleven en zich gelijktijdig uit de overwinning van de lichaamsbelemmeringen vandaan in het bovennatuurlijk-geestelijke als een daarin opgenomen individualiteit te ervaren. Het is het fysieke gezichtspunt dat in de 1ste alinea behandeld wordt.

2. In de 2de alinea (V,84) wordt nog eenmaal de mythe van Osiris beschouwd, aanvankelijk onder het vorige gezichtspunt dat dan later in het macrokosmische verbreed wordt. In het 4de hoofdstuk  waar de mythe van Osiris in de heilige weg wordt ingelijfd, spelen de uitdrukkingen een grote rol die onze aandacht op de verbinding van de Osiriswezenheid met de fysieke wereld  en de fysieke  lichamelijkheid vestigen: Er wordt van een kastje gesproken waarin Osiris zich legt. Isis redt het lijk, Typhon bemachtigd het weer, snijdt het in stukken en begraaft ze. Derhalve bestaan er vele Osirisgraven in Egypte: In de menselijke kennis kan de in de fysieke wereldwezenheid ingestorven god weer opgewekt worden.  Op karakteristieke wijze wordt in aanknoping daaraan beduidende dingen over het wezen van de imaginatie gezegd, want deze opwekking in het kennen voert nu eenmaal naar imaginatie. Dan wordt nogmaal van de mythe van Osiris gesproken, maar nu niet vanuit het aarde- en mensheidsgezichtspunt, maar het kosmische gezichtspunt. Daar treedt voor het eerst in een grandioze metafoor dit boek het beeld van het kruis op: De wereldziel is in kruisvorm op het wereldlichaam gespannen en in de initiatie van de initiant wordt de wereldziel losgemaakt van deze verbinding van haar met het wereldkruis. Dus, de verlossing van het in kruisvorm op het wereldlichaam gespannen, dat is nu het gezichtspunt waaronder de mythe van Osiris gezien wordt. De Osirisbeleving is het microkosmisch meemaken van dit macrokosmische proces: “Het macrokosmische Osiris-wereldproces moet de naar het hoogste bestaan strevende mens in zichzelf herhalen.”(V,86)

            Het is de ene keer de blikrichting van onder naar boven, van het aards-lichamelijke naar het geestelijke toe, dan (tweede punt) die van het geestelijke naar het aards-lichamelijke. Aan het kennisproces deel te nemen is eigenlijk het levenselement van de initiant.

Toevoeging: Over het “herhalen van het Osiris-wereldproces” in ons kunnen wij uit eigen ervaring iets zeggen en begrijpen. Daartoe worden we aangezet door de Filosofie van de vrijheid. Wij onderkennen dan dit hoogste cultisch feit van het Osiris-mysterie voortdurend plaats vindt in onze ziel, zonder dat we er aandacht aan schenken.  Kennis is toch werkelijk de herhaling van het kosmisch feit. Met goede wil kunnen we observeren hoe in ons individueel kennisbeleving zich iets voordoet wat met de macrokosmische ontwikkeling overeenkomt. Want deze macrokosmische ontwikkeling, die we dan vanuit onze kennisbeleving wat betreft haar betekenis pas juist begrijpen, is volgens de weergave van de Filosofie van de vrijheid het volgende: Uit het oergoddelijke voortgekomen ongeordende stoffelijkheid wordt door het steeds opnieuw onderduiken van goddelijk-geestelijke hiërarchische wezens geordend en stapsgewijs opgebouwd (aardwaarts). Bij de observatie van ons kennisproces nemen wij werkelijk waar dat wij hier van het Osiris-mysterie op een moderne wijze bewust worden; want datgene wat we door onze zintuigen ervaren is immers ongeordende stoffelijkheid.  We hebben het vaak voor ogen gehaald: boven, onder, rechts, links, voorheen, achteraf, deze primitiefste ordeningsbegrippen worden aan ons niet door de zintuigen gegeven, ze kunnen niet waargenomen worden, maar ze ontstaan pas doordat ons denken de ongeordende waarnemingswereld doordringt. Ook de ordening daarvan volgens ruimte en tijd ontstaat pas door de ingreep van ons denken in de ongeordende stoffelijkheid van onze zintuiglijke waarnemingen die, wanneer  we daarvan juist bewust worden, op zich ruimtelijk noch tijdelijk zijn, we staan daar in eerste instantie tegenover een oertoestand.  Alleen zien we over het hoofd wat onder de bewustzijnsdrempel zich bij de ordende ingrepen van het denken in de waarnemingswereld afspeelt en hoe door ons denken de werkelijkheid in bepaalde stappen opgebouwd wordt die zich differentiëren volgens de rijken van het minerale, plantaardige, dierlijke en menselijke. Dat is het Osiris-mysterie dat wij op moderne wijze naleven, wanneer we zielsobservatie, introspectie verrichten, waartoe ons de Filosofie van de vrijheid aanzet.  Het komt erop neer zulke dingen niet gelovig te aanvaarden, maar door eigen observatie werkelijk te ervaren. In de kennisbeleving voordoet zich voortdurend onder e drempel van ons bewustzijn het Osiris-mysterie, en we vermogen door bewust observeren de dramatiek van onze ziel in het bewustzijn te verheffen. Nogmaals:

            “Het macrokosmische Osiris-wereldproces moet de naar het hoogste bestaan strevende mens in zichzelf herhalen.  Dat is de zin van de Egyptische ‘inwijding’, de initiatie. Wat Plato beschrijft als kosmisch proces,  dat de schepper de wereldziel in kruisvorm op het wereldlichaam heeft gespannen en dat  het wereldproces een verlossing van deze aan het kruis geslagen wereldziel is, dat moest met de mens in het klein gebeuren wilde deze zich in het Osirisschap bekwamen” (V,86)

            Hier komt de hele grootsheid van het macrokosmische gezichtspunt, dat ten opzichte van het vorige hoofdstuk voor het Osiris-mysterie nieuw is, tot zijn recht. Hier verschijnt ook het kruisteken voor het eerst: De wereldziel is op het wereldlichaam in kruisvorm gespannen, in zover de geestelijke krachten en grondslagen, waarop zich de menselijke wezenheid opbouwen kan, zogezegd op geheime wijze in kruisvorm in de wereld zijn verweven en op de verlossing in de individuele mensenziel wachten.

            De richting van de plant gaat zonwaarts, naar boven,  die van het dier in wezen parallel aan het aardoppervlak en de mens heeft een richting van boven naar beneden: Uit de geestelijke wereld laat hij zijn spiritualiteit in zijn organisme instralen. Deze drie wereldrichtingen, uit de overeenstemming en ontwikkeling waarvan de individuele onsterfelijkheid van de mens voortkomt en de voortgang van de wereldontwikkeling, treden in die basismeditatie op die Rudolf Steiner als oerbeeld van alle meditatie heeft gegeven: in de Rozenkruisermeditatie. Daarin wordt ons eerst die richting van onder naar boven getoond. We dienen ons in het innerlijk beleven te verzinken in de ontwikkeling van een plant van de zaad tot aan de bloesem: beweging vanonder naar boven.  die ons in het midden van het kruis voert. Dan komen we bij de plaats waar we beleven dat we onze vooruitgang tot menselijkheid alleen maken, doordat we iets innemen wat ons bovenuit  het plantenbestaan voert, maar ook onder  het begeerteloos bestaan daarvan.  Door het begeerte-element wordt ons bloed verduisterd. In de horizontale richting waarin we onze handen los moeten laten uit de richting waarin ze aan het kruis geslagen zijn, naar de richting van het bidden, gaat het om de loutering van onze aandriften en begeerten, om het wilsoffer waar het geestelijke instroomt in ons wilsleven. Door het offer van onze zelfzucht kan de wil tot drager van het echte wezenswillen van andere wezens worden. Dat zijn de drie richtingen die het wereldkruis en onze eigen wezenheid  kentekenen. Het kruis verschijnt voor de eerste keer op deze plaats in de tekst. Het Rozenkruis schittert door het hele hoofdstuk.

            “Wat Plato beschrijft als kosmisch proces,  dat de schepper de wereldziel in kruisvorm op het wereldlichaam heeft gespannen en dat  het wereldproces een verlossing van deze aan het kruis geslagen wereldziel is, dat moest met de mens in het klein gebeuren, wanneer deze zich in het Osirisschap diende te bekwamen. De initiant moest zich zo ontwikkelen dat zijn zielenbelevenis, zijn Osiris-wording, met het kosmisch Osirisproces in het Ene samensmolt.”(V,86).

            Dat geschiedt in de kennisbeleving als navoltrekken en in het navoltrekken als hervoltrekken van het kosmisch wordingsproces.  De moderne Osiris-mysterie is de inhoud van de Filosofie van de vrijheid die ons  ertoe voert om in eigen zielsmatige levenservaringen deze Osiriscult voortdurend te begeven, als voortdurend gebed in de zin van de uitspaak van Paulus: “Bidt zonder ophouden”.

            “Als wij een blik zouden kunne werpen in de inwijdingstempel waarin e mensen aan een Osiris-transformatie werden onderworpen, dan zouden we zien dat de gebeurtenissen microkosmisch de wording van de wereld weergeven. De mens die van ‘de Vader’ afstamt diende in zichzelf ‘de Zoon’ voor te brengen. Wat hij werkelijk in zich draagt, de onzichtbare god, diende  zich in hem te openbaren. Door de macht van de aardse natuur wordt deze god in hem onderdrukt. Deze lagere natuur moet eerst ten grave worden gedragen, opdat de hogere natuur kan verrijzen. Wat van de inwijdingsprocessen verteld wordt, kan daardoor begrepen worden. De mens wordt aan geheimzinnige  procedures onderworpen. Hierin wordt het aardse aan hem gedood en zijn hoger wezen gewekt. Het is niet nodig al deze procedures afzonderlijk te bestuderen. (V,86 ff.) Ze zouden niet van toepassing zijn op huidige mensen.

            “Men moet alleen om de zin ervan te vatten. En deze zin ligt in de getuigenis die een ieder die door de inwijding is gegaan kon afleggen. Diegene kon zeggen: ‘Mij zweefde voor de geest het oneindige perspectief  aan het einde waarvan de volmaaktheid van het goddelijke ligt. Ik heb gevoeld dat de kracht van dit goddelijke in mijzelf ligt. Ik heb wat in mij deze kracht onderdrukt ten grave gedragen. Ik ben voor het aardse gestorven. Ik was dood. Als lagere mens was ik gestorven; ik was in de onderwereld. Ik heb verkeerd met de doden, dat wil zeggen met diegenen die reeds zijn ingevoegd in de ring van de eeuwige wereldorde. Ik ben na mijn verblijf in de onderwereld opgestaan uit de doden. Ik heb de dood overwonnen en nu ben ik een ander mens geworden. Ik heb niets meer te maken met de vergankelijke natuur. Die is bij mij doordrenkt door de Logos. Nu behoor ik tot degenen die eeuwig leven en die aan de rechterzijde van Osiris zullen zitten. Ik zal zelf een ware Osiris zijn, verenigd met de eeuwige wereldorde, en het oordeel over leven en dood zal in mijn handen zijn gelegd. De initiant moest zich onderwerpen aan een ervaring die hem tot zulk een getuigenis kon voeren. Wat de mens op deze wijze doormaakte was een belevenis van de hoogste orde’ (V,87), doordat zich het macrokosmische in het microkosmische, het wereldse in het menselijk-zielsmatige opnieuw begeeft.

            Wij kunnen enerzijds als meest fantastische meditatie, die uit deze alinea voor ons geestesoog is geplaatst, de zojuist voorgelezen bekentenis van een ingewijde kiezen. Hoewel het niet voor ons geldt kunnen wij daaraan eerbiedig deelnemen, omdat immers de mensheid een eenheid vormt en allen aan datgene wat de mensheid aangaat deelnemen kunnen, indien ze het met de juist eerbied doen.  Men zou de alinea echter ook eenvoudig kunnen samenvatten in de woorden, door wat hier over de weg van de ingewijde gezegde zo mocht klinken: De aan het wereldkruis geslagen wereldziel wacht op de verlossing in mijn ziel.

            De eerste alinea die over het geheim van het getal gaat, is eigenlijk met het oog op de fysieke wezenheid van de mens geconcipieerd, want juist met de fysieke wezenheid hangt immers de verveelvoudiging van de individualiteiten en hun opstanding samen.  Aan de tweede alinea ligt het etherische geheim van de kruisiging en de verlossing van het kruis ten grondslag. De duidelijk tegenover elkaar afgezette gedachtenschreden zijn steeds precies in een alinea weergegeven. Hier wordt van het wonder van de inwijding gesproken, dat de levensloop van een ingewijde een typische is en dat zijn persoonlijkheidsbelevenis daarin bestaat dat hij het algemeen geldige, dat voor ieder ingewijde geldt, in zijn beleven verwerkelijkt, lijdt en doet. Voor elke ingewijde gelden typische fasen van beleven en het bereiken. Juist door dit beleven in een eeuwige wereldwetmatigheid beleeft de ingewijde zichzelf als een persoonlijkheid doordat hij de subjectieve belemmeringen ervan aflegt. Dus in de derde alinea volgt de typische levensloop van een ingewijde.  Men kan nu vragen: Er wordt toch steeds van gesproken dat de mensheidsontwikkeling culmineert in de ontplooiing van de vrije individualiteit, hier zou het kunnen lijken alsof het individuelle als een bijkomstigheid afgelegd wordt. (Daarop wordt in wat volgt beantwoord.)

            De vierde alinea laat zien door de vergelijking van Boeddha en Christus dat de levenslopen van ingewijden typisch zijn, doordat alle waarachtig grote ingewijden aanverwante treden van hun inwijdingsweg doorlopen.  Dit wordt aan het parallel van de inwijdingsweg van Boeddha en Christus weergegeven en wel zijn het zeven treden in het leven van een ingewijde waarnaar verwezen wordt. Nu is het vijfde hoofdstuk zelf zevenvoudig en uit het midden, dus de vierde alinea, licht deze zevenvoudigheid nog eenmaal op; het hoofdstuk verinnerlijkt zich in het midden nog eenmaal en laat uit zijn verinnerlijking nog eenmaal de ontplooiing van de zevenvoudigheid uitstralen:

1. Aan de Indische Maja en de Hebreeuwse  Maria wordt de komst van een ingewijde verkondigd: in het Indisch door een witte olifant, in het Hebreeuws door een verkondigingsengel. Een hoge individualiteit nadert de belichaming.

2. Profetie: De Indische Brahmaan, de Hebreeuwse priester en Schriftgeleerden zeggen dat een hoge individualiteit begint on de volksaura onder te duiken.

3. De Brahmaan Asita en de vrome Simeon onderkennen dat hier een goddelijk wezen begint zich te incarneren. Dat is de ontmoeting van ziel tot ziel. Beiden prijzen zich gelukkig dat zij de belichaming van het hoge wezen nog konden zien.

4. Nadat het hoge wezen in het fysieke en astrale is gezien, wordt het in het eigenlijk lichamelijke weergegeven. Dat is de uitwisseling in het 12de levensjaar. Met Boeddha alsook met Jezus geschiedt in het 12de levensjaar een soort uitwisselingsproces. Het wordt zo uitgedrukt dat ze verloren raken en men ze eerst zoeken en weervinden moet. Bij het weervinden vertonen ze zich als anderen,  als uitstralers van een wonderbaarlijke wijsheid.

5. De vijfde trede is die van de zelfloze, geest-zelfachtige  zaligheid. Van Boeddha en Christus wordt gezegd: “Zalig is de moeder en zalig de vader die aan de belichaming van dit wezen deelnemen kunnen.” Boeddha en Christus antwoorden: “Deze zaligheid  is niet een lichaam-zelfachtige, maar een geest-zelfachtige, een in fysieke zin zelfloze zaligheid.

6. Zowel Boeddha alsook de drager van Christus worden door de verzoeking benaderd. De ingewijde leeft juist niet in een verhoogd zelfgenot, in het genieten van de persoonlijkheidskracht die hij verwerft op de inwijdingsweg, maar in de zelfloze toewijding van deze lichaamskracht aan de geestelijke wereld.

7. Beide individualiteiten, Boeddha en de drager van de Christus ondergaan de toestand van het verheerlijkt, van het stralend lichaam. Maar de Cintámani, het verheerlijkt lichaam van Boeddha, de geestelijke doorlichting van zijn hele wezen die de tot deze trede zich ontwikkelende geest-zelfheid ervaart, is de laatste trede van Boeddha en voert naar de verlossing van de aardse lichamelijkheid: Boeddha gaat het Nirwana in, terwijl de verheerlijking van Christus naar de belangrijkste fase van zijn grote inwijding leidt: van het lijden, van de dood en van de opstanding. Hier verschijnt het kruis een tweede keer.

            De vijfde alinea is niet een herhaling maar een nieuwe weergave onder het gezichtspunt van de vleeswording van het Woord. Het midden van het hoofdstuk is in zekere mate een weerspiegelend vlak, waarvan zich de voorafgaande en volgende alinea’s weerspiegelen. Boven en onder het spiegelvlak wordt hetzelfde thema aangehaald, maar onder een nieuw gezichtspunt. In de derde alinea, waar reeds sprake was van een typische levensloop van een ingewijde, was het gezichtspunt dat de ingewijde het ware gehalte van zijn persoonlijkheid beleeft doordat hij zich in het bovenindividuele, het Goddelijke inleeft. Hier is het gezichtspunt de omgekeerde vleeswording van het Woord, het zich-inleven van het bovenindividuele in het individuele. Doordat zich het eeuwig-individuele steeds opnieuw belichamen kan (ingewijde), kan het nieuwe cultuurvormende, zielsopwekkende impulsen ontplooien. De blikrichting voert van boven naar beneden, in de derde alinea omgekeerd: uit het graf in de opstanding. De typische levensloop voert niet alleen naar de verheerlijking en opstanding, is niet alleen typisch onder het gezichtspunt van transsubstantiatie, maar ook onder het gezichtspunt van incarnatie: Het Woord werd vlees.

            Zesde alinea: De weg op aarde van Christus behelst meer dan die van Boeddha, want na de verheerlijking begint pas de belangrijkste fase van die grote inwijding (het wordt uitdrukkelijk als de grote inwijding gekenschetst).  Ze wordt aan de kleine inwijding van Boeddha toegevoegd. Met de verheerlijking beëindigt deze zijn toenmalige aardse levensweg. Met de verlichting door het oerlicht lost hij zich weer in het universele op, terwijl voor Christus Jezus de grote inwijding pas hier begint. Deze staat in een verhouding tot de tweede alinea, waar gezegd werd dat de eigenlijke essentie van de Osiris-mythe de verlossing van de wereldziel van het wereldkruis is. Dit is precies de inhoud van de grote initiatie die tegenover de inwijding van Boeddha een geweldige wereldvooruitgang is. Ze is niet alleen vol van betekenis voor de betreffende individualiteit en de mensheid, die haar toebehoort, maar van kosmische betekenis. De losmaking van de wereldziel van het wereldkruis kan alleen door de grote inwijding ingeleid worden, door het lijden, de dood en de opstanding van de hoogste individualiteit, van het Godswezen. Wat het de mensen aangaat is et feit dat in hen worden heel nieuwe zielenmogelijkheden worden ontsloten.

            In de zevende alinea wordt over de eerste van deze geweldige gevolgen gesproken als de vorming van de christelijke gemeenten.  Het gaat hier weer om het geheim van het getal, zoals in de eerste alinea. Want de belevenis van de Christusgemeente is immers die: De velen als de Ene en de Ene als de velen. Daarmee is een wereldhistorische fase bereikt, doordat wat verborgen was in een nieuwe metamorfose openbaar wordt: de openbaarmaking van het mysteriewezen, de deelname aan het voortdurend groot mysterium, de deelname daaraan door de gelovigen, aanvankelijk nog in een zekere onbewustheid  en daardoor de voorbereiding van datgene wat pas in onze tijd kan ontstaan: de kennisgemeente. Het hoofdstuk eindigt met de vorming van de christelijke oergemeente, waarvoor de uitspraak geldt: “Ik ben met U alle dagen tot aan de voleinding van de wereld.” 

AANKONDIGING REEKS LEZINGEN EN GESPREKSRONDEN OVER HET CHRISTENDOM ALS MYSTIEK FEIT EN DE MYSTERIËN DER OUDHEID

Tijdens het ochtendgedeelte van de ledenvergadering van de AViN op 29 september in Driebergen/Zeist werd de 13-delige inleiding van Herbert ...