Posts tonen met het label Prometheus. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Prometheus. Alle posts tonen

donderdag 14 oktober 2021

VII. “Wanneer wij de hieronder gekarakteriseerde zielenbewegingen meemaken, wandelen we op de ‘heilige weg’ die naar de Eleusinische mysteriën voert.”


De mythebeelden in hoofdstuk IV zijn metamorfosen van het ene grote dramatische gebeuren, waarin de zielenwereld wordt beleefd tussen twee werelden: de zintuigelijke wereld en de geestelijke wereld.

            1. De sage van Theseus- (IV, 67) is een soort oerbeeld van de mythe – die mythe waardoor uitgesproken wordt dat in de overwinning van de uit de zintuiglijke wereld opduikende Minotauruskrachten in het eigen organisme de overwinningskracht wordt verkregen, waardoor een bewuste ingang in de geestelijke wereld mogelijk is.

            2. De mythe van Boreas (IV, 69): De in de wind bruisend kracht is de strevenskracht die in de zintuigelijke en de geestelijke wereld is geplaatst.  Deze is eigenlijk, volgens haar eigen wezen naar iets hogers, iets geestelijks toegewend, maar wordt door datgene wat uit het zintuiglijke, uit het eigen zintuiglijke organisme opstijgt in verzoeking gebracht  het hogere te beroven en in het hol van het eigenbelang te slepen.

            3. De mythe van Plato (IV, 70): Verder beleeft  de ziel zich tussen de twee paarden, het goede en het koppige, en het komt er op neer of zij tussen beide paarden de juiste bestuurder is, dat ze zich nog door het koppige paard laat misleiden en nog door het niet-koppige  alleen  laat leiden, maar tussen beide het juiste midden vindt. Deze belevenis van de middenvinding tussen beide krachten, de evenwichtskracht, is de derde stap op de weg van de myste, waarop Rudolf Steiner ons hier voert. 

            4. De gelijkenis van Boeddha ( IV, 70; V, 88-92): De veelheid van de zintuigen kan de mens boeien, knevelen; het basisverlangen  van de ziel naar de zintuiglijke wereld probeert hem de kop af te slaan. Maar in het overwinnen van deze gevaren verzamelt hij levenservaringen (strohalmen, bladeren en takken voor het vlechten van een korf) die individuele vaardigheden worden en hem met haar verworven krachten de geestelijke wereld binnendragen.

            (De alinea’s over Empedocles (IV, 72) behoeven een speciale beschouwing.) 

            5. Osiris (IV, 71; V, 84): Door ontwikkeling van de onsterfelijkheidskracht in zichzelf en overwinning van zijn eigen aan de dood verwante natuur kan de mens zich met het geestelijke in de gehele wereld verbinden en het in deze verbinding in zichzelf verlossen. Wat voorheen uit de levenservaring en de wereldervaring als het individueel eigene van de mysten voortkwam, openbaart zich nu in zijn beleven als de onsterfelijkheid van zijn eigen ziel, waardoor hij zich met de onsterfelijkheid in de gehele wereld verbindt en het evenzo verlost, als hij het in zichzelf verlost.

            6. Heracles (IV, p. 74): Elke van de 12 werken is wederom een innerlijke overwinning van de ziel, en in de twaalfheid van deze overwinningen wordt de ziel in de eeuwige universaliteit van de wereld geplaatst. Het zijn twaalf overwinningstoegangen tot de universaliteit van het universum. Elke overwinning is overwinning van een boei, een binding en daarmee het bevrijden van een verenigingskracht. Deze twaalfvoudige kracht  van de wereldvereniging die in zekere mate uit twaalf opgebroken uitgangen stroomt, is het wat de ziel op deze trede beleeft.

            7. Argonauten (IV, p. 75): Wederom een nieuwe trede van het innerlijke zielsmatig beleven en herinneren, maar steeds weer is het hetzelfde motief van de ziel tussen  de zintuiglijke en geestelijke wereld, echter juist alleen met het bewustzijnsvermogen dat de mens in het fysieke verkrijgt. De verlokkingen  en gevaren daarvan overwinnend kan hij zijn hogere wezenheid bereiken en zich eigen maken. Hij kan zich van die geesteskracht, die hij onbewust in de achtergrond van zijn aan het zintuigelijke gebonden bewustzijn ontwikkelt, bewust maken en beginnen om zich van zijn eigen hoger wezen bewust te worden. Wat voor kracht is dat die in de achtergrond van het zintuiglijk gebonden bewustzijn sluimert, maar gewekt kan worden? De verbeeldings- oftewel imaginatiekracht. 

            8. Prometheus (IV, p. 77): Op deze innerlijke zielsontwikkelingsweg, die voor ons in deze mythische beeldenreeks wordt beschreven, treedt op een bepaalde plaats het onsterfelijkheidsbewustzijn op, namelijk in de mythe van Osiris en al aanduidend in die van Boreas. Nu wordt niet van het onsterfelijkheidsbewustzijn maar van het onsterfelijkheidsgebeuren binnen de ziel gesproken. Dat is het geheim waarvan Prometheus niet alleen weet heeft, maar dat hij dit onsterfelijkheidsgebeuren beleeft dat zich in de ziel afspeelt, wanneer zij de inspiratiekracht verkrijgt.

            9. Odysseus (IV, 20, 79): De mythe van de mens die de wereldreis maakt, de grote wereld- en zelfervaring, die hem ertoe voert de hoogste aller krachten in zichzelf tot ontwikkeling te brengen: de kracht van de vereniging en echtverbintenis met het goddelijk-geestelijke weergegeven in de gestalte van Penelope, van wie hij lang gescheiden was. Zij staat niet zoals de zintuiglijke wereld uiterlijk de wereld tegenover maar is in staat tot de innerlijkste wezensuitwisseling met de wereld te komen (Intuïtiekracht). 

            Wanneer wij de gekarakteriseerde zielenbewegingen meemaken, wandelen we op de “heilige weg”. Het is de weg die naar de Eleusinische mysteriën voert, waarvan daarna sprake is. (IV, 28, 83) 

VIII. “Het kustzinnig wonderbaarlijke in dit 4de hoofdstuk “De mysteriewijsheid en de mythe” is dat Rudolf Steiner de weg naar de feestelijke inwijdingsgebeurtenissen in Eleusis beschrijft, doordat hij een heel bepaalde reeks mythische beelden weergeeft als tussenstops van deze zielsmatig-geestelijke transformatieweg.”




“In de rechterhand van Hem die op de troon zat, bevindt zich het boek waarin de weg naar de hoogste waarheid is opgetekend (Op. 5:1). Slechts één is waardig het boek te openen: ‘[…] zie, de leeuw uit de stam van Judea, de wortel Davids, heeft overwonnen om de boekrol en haar zeven zegels te openen.’ (Op. 5:5) Zeven zegels heeft het boek. Zevenvoudig is de wijsheid van de mens. Dat deze als zevenvoudig wordt gekenmerkt, hangt weer samen met de heiligheid van het getal zeven. Als zegel kenmerkt de mystieke wijsheid van Philo de eeuwige wereldgedachten die in de dingen zich tot uitdrukking brengen. Mensenwijsheid zoekt deze scheppingsgedanken. Maar pas in het boek dat daarmee is verzegeld staat de goddelijke waarheid. Eerst moeten de grondgedachten van de schepping worden onthuld en de zegels gebroken, dan wordt openbaar wat in het boek staat. Jezus, de leeuw, vermag de zegels te verbreken. Hij heeft de scheppingsgedachten een richting gegeven die door hen heen tot wijsheid voert. – Het lam, dat werd geworgd en dat God met zijn bloed kocht, Jezus, die de Christus in zich had opgenomen, die dus in de hoogste zin van het woord door het mysterie van leven en dood is gegaan, opent het boek” (Op. 5: 6-10); (VIII, 116)

            Het kustzinnig wonderbaarlijke in dit 4de hoofdstuk “De mysteriewijsheid en de mythe” is dat Rudolf Steiner de weg naar de feestelijke inwijdingsgebeurtenissen in Eleusis beschrijft, doordat hij een heel bepaalde reeks mythische beelden weergeeft als tussenstops van deze zielsmatig-geestelijke transformatieweg. Deze gaat door de negenheid (3 x 3 beelden). Elke der drieheden is een herhaling van de voorafgaande drieheden, zodanig dat de weg een zich opwindende spiraal is.      

1. De eerste drieheid van mythen vestigt, wat meteen opvalt, onze aandacht  op  iets wat de mens in zijn driedelig wezen  aan zich draagt, dat hij als iets bedreigends dat hem wil dwingen beleeft, waarmee hij als een overwinnar moet zien klaar te komen. Over dit zegevieren van het uit het fysieke opstijgende lagere spreekt om te beginnen de Sage van Theseus (IV, 67 ). Die schildert in beeldvorm wat in ons innerlijk gebeuren van de ziel iets alledaags is, maar iets dat alledaags onopgemerkt blijft: het kennismysterie dat aan elk wakker ogenblik van ons bewustzijn ten grondslag ligt en elk van deze ogenblikken draagt en vorm geeft zonder dat de ziel zich van dit vormgeven bewust werd of wilde worden. Het gaat er bij dit kennismysterie om dat het geestelijke in de ziel, dat we voortdurend behoeven (voor de kleinste handbeweging behoeven) we de ordeningskracht van de geest, van het denken), voortdurend door de zintuiglijk wereld opgezogen, beroofd wordt. Die verschijnt als vreselijke rover en wurger, omdat ze voortdurend dit tribuut van onze geest vereist. Maar we kunnen van dit Minotaurische in ons losbreken, wanneer we ons ervan bewust worden dat in ons tegelijk de kracht leeft die ons van dit monstrueuze bevrijdt dat ze tracht te onderwerpen. Dit overwinnen geschiedt met behulp van draden van kennis die de geest door de verwarrende zintuiglijke wereld legt. Aan de hand van deze draden vinden we de plek waar we de gevaren overwinnen en daarna zegevierend tot ons zelf terugkeren kunnen. Van de zegevierende overwinningskracht van het kennend bewustzijn spreekt dus dit eerste mythisch-imaginatief beeld – van de kracht van het denken dat om te beginnen ontwikkelt wordt  doordat het zich aan de gevaren van de zintuiglijke wereld bloot stelt, dat echter de zin van deze gevarenwereld pas ervaart, wanneer het in zichzelf de kracht ontdekt om datgene monstrueuze te overwinnen en terug te dringen dat dit geestelijke op deze gevarenweg voortdurend begluurt. Inherent aan dit denken is de kracht van de terugdringing van ons nauw met de zintuigen verbonden organisme. Op die manier wordt het in de stijl van de Filosofie van de vrijheid  [van Rudolf Steiner] weergegeven.  (Hoofdstuk IX, 4de alinea). Dit beeld spreekt dus van de mogelijkheid ons organisme te overwinnen, terug te dringen. Het vestigt onze aandacht op de belevenissen die we in samenhang met onze lichamelijkheid, vooral met onze fysieke lichamelijkheid hebben.

            Wat drukt de mythe van Boreas (IV,69) uit, wanneer we die weer als station van een zielenweg, als zielengebaar begrijpen? In ons wezen is iets zich wat op natuurlijke wijze kan transformeren – ik bedoel nu niet de geestelijke ik-achtige transformatievaardigheid die we zelf eerst bevatten, versterken en opleiden moeten, maar de natuurlijke transformatievaardigheid die al wat leeft eigen is. Deze treedt als iets elementair bruisends op en wel met een zekere recht waar het om de levende natuur gaat. Daar wendt zich het geestelijke naar hem toe. Het zou het geestelijke willen aangrijpen en met geweld naar zich toe sleuren en moet in ik-achtige wilsoefeningen opgeleid worden met het oog op zijn aanspraak op die hogere verschijning van de transformatiekracht. Als men zich in dit gebaar inleven kan, waartoe de Boreas-mythe wil aansporen, dan zegt ze ons dat de lagere transformatiekracht, die in onze lichamelijkheid ligt, vooral in zover het een levendige lichamelijkheid is, maar ook tot in het zielengebied, in een juiste samenhang moet worden gebracht met de hogere transformatiekracht. Het harmoniseren van de lagere met de hogere transformatiekracht is waar het hier om gaat. Het lagere scheidt ons van de wereld af en werkt als egoïsme in ons, opdat we zelfstandig worden. Dit lagere moeten we op zo’n manier onder de knie krijgen dat het niet tot een overweldenaar wordt, maar dat we uit hem alleen het zelfstandigheidsvermogen binnen het geestelijke, dat onze enge eigenheid overtreft, behouden. Op de transformatievaardigheid van al wat leeft vestigt de mythe onze aandacht, dus op datgene wat met het levenselement, het etherische van doen heeft.

            Evenzo uit Plato’s Phaidrus  stamt het beeld van het span waardoor de ziel wordt getrokken (IV, 70).  Het volgt de menner wel of niet, al naar gelang het koppige of het gewillige ros de bovenhand krijgt. Op de kringloop die de ziel op haar weg beschrijft vormt het koppige ros, dat haar in de lichamelijkheid binnentrekt, makkelijk een hindernis voor haar naarbinnen gaan in de geestelijke wereld. In haar belichaming dient de ziel echter geen van beide richtingen uitsluitend te volgen, waarin de verschillende rossen trekken; de juiste richting  heeft ze telkens per geval zelf te bepalen.  Het is het motief van polariteit en stijging. Steeds weer ziet zich de ziel voor de keus tussen rechts en links gesteld. Maar alleen in het midden van deze polariteiten vindt zij de weg naar het ware zelf dat de menner door de belichamingen is. In de verhoging van de polariteit, in de overwinning van de polariteit, vormt zij datgene wat in haar waarachtig ziel is.

            Daarmee wordt onze blik van het fysieke via het etherische naar het astrale gericht dat in het lichamelijk organisme van de mens het meest met het zielsmatige overeenkomt, datgene principe in ons dat tussen de polariteiten het verhoogde midden vindt. Er is in ons iets als aanleg voorhanden wat naar rechts en links trekt, maar ook de mogelijkheid tussen het naar rechts en links trekkende het midden, de bestuurder te vinden.  Zo richten alle drie mythen de blik op datgene wat we reeds hebben, in ons dragen en wat in gevaar is door datgene wat ons onze eigen egoïstische eigenwezenheid geeft, wat ons echter ook, wanneer we het overwinnen en transformeren kracht kan geven om ons als zelfstandig wezen in het geestelijke te beleven. Anders zouden wij in de geestelijke wereld contourloos binnentreden en zonder zelfstandigheid en eigenheid  versmelten.         

2. Bij de tweede drieheid van deze mythische beelden gaat het minder om de uiteenzetting met datgene wat wij hebben, in ons dragen in onze wezenheid, maar veeleer om wat wij in een aardeleven door werk aan onszelf verwerven kunnen aan krachten die ons in de werkelijkheid, in de geestelijke wereld naarbinnen leiden. Dat wordt reeds duidelijk in de gelijkenis van Boeddha (V, 88-92), waarmee de tweede drieheid van deze mythen-imaginaties begint. Daar gaat het om een man die met de gewaarwordende krachten van zijn gewaarwordingsziel levenservaringen maakt, de gevaren ervan doorstaat en uiteindelijk uit deze ervaringen aan de hand van het gewaarworden van deze levensgebeurtenissen de mand vermag te vlechten die hem over de stroom van het aardse wereldgebeuren heen in de geestelijke wereld draagt. De vier slangen zijn het natuurlijke bestaan met zijn vier elementen, de dreigingen van het natuurlijke. De vijf moordenaars zijn vertegenwoordigers van het zintuiglijk organisme, die om te beginnen in de vijf hoofdzintuigen weergegeven worden die het geestelijke verwurgen willen, omdat ze het geheel voor zichzelf in beslag nemen. De zesde is datgene waaraan ons organisme überhaupt ten grondslag ligt, als vatbaarheid voor de tirannie van het zintuiglijke. Dat wil ons bewustzijn beroven, de kop afslaan. Maar ook daaraan ontsnapt de man. Als hij zich steeds meer uit de verwikkelingen van de lichamelijkheid losmaakt komt hij in de leegte waarin men binnentreedt wanneer men zich uit de klauwen van de lichamelijkheid rukt. Maar een stem waarschuwt voor dieven. Ook daaraan ontsnapt hij, echter nog niet voorgoed. De aardse ontwikkelingsstroom bruist in alle breedte om hem heen. Om daarover aan de oever van de geestelijke wereld te komen, blijven hem alleen de kommerlijke  bestanddelen van de aardse ervaringen. De ziel maakt de ervaring dat zij juist in de omgang met de zintuiglijke wereld kan leren  om door de levenservaringen zichzelf te begrijpen, zichzelf te helpen en een zelfstandig wezen te worden. Als een individueel wezen in de geestelijke wereld binnentredend  is zij niet onzelfstandig, koploos en contourloos, maar dankzij de in de levenservaringen verzamelde kracht een zelfstandig wezen. De mythe van de levenservaringen en haar transformaties leert dat de ziel zich uit de verwikkelingen in de lichamelijkheid moet losmaken en haar verlangen naar de zintuiglijke wereld moet opofferen, dat zij getransformeerd verder kan bestaan als individualiseringskracht binnen de geestelijke wereld.  In zover de ervaringen in de waarnemingswereld de grondslag van de individuele zelfstandigheid  zijn, draagt de ziel, als gewaarwordende ziel, in zichzelf de sleutel tot het geestelijke.

            Ook bij de mythe van Osiris (IV,71;V, 84) gaat het om datgene wat wij verwerven kunnen door middenin een levenslot te staan, in een ons omgevende levenswereld, haar gestalten, wezens en gebeurtenissen, echter nu minder als gewaarwordend-ervarend wezen, maar meer als wezens die met hun verstands- en gemoedskrachten datgene nagaan wat overal in de wereld als spiritualiteit vertekend en betoverd is. Osiris is betoverd in de ons omgevende wereld. Doordat we daarmee als verstands- en gemoedsbegaafde wezen omgaan, beleven wij min of meer onbewust dat het in de wereld betoverde geestelijke zich in ons wil individualiseren en een nieuwe gedaante wil verkrijgen. Waartoe dat leidt, daarvan spreekt de Hercules-sage. Osiris herrijst juist uit de verminking in zijn volle kracht en vermag de boze broeder Typhon-Seth te overwinnen. Deze overwinningskracht valt als stralend licht op zijn zuster-echtgenoot Isis, en uit deze lichtberoering ontstaat de zoon Horus. Dat is een geweldige mythe van het doodsoverwinning- en opstandingsmotief. Het goddelijke is in de natuurlijke wereld uitgebreid en verstrooit, zonder aanvankelijk tot zijn hoogste zelfgestalte te komen. Die ontvangt dit goddelijke pas, wanneer het in de kennis van de mens die op een scholingsweg gaat, uit de verminking in de wereldnatuur herrijst, in de ziel als de Logoskracht van het menselijk-oerbeeldachtige. Pas de doorgang door de dood in de zintuiglijke wereld verleent de ziel de doodsoverwinning- en opstandingskracht. Dat is een nieuwe wending van het motief dat ons de hele tijd bezig houdt, dat de ziel in de overwinning van het zintuiglijk gevaar de zelfstandigheidskracht verkrijgt om in de geest als individueel wezen te leven. Dat is eigenlijk de zielsmatige basisfiguur van de zielenmythen die bij de ziel past. In zover zij verstands- en gemoedsziel is wijdt ze zich voortdurend aan het in de natuur verminkt geestelijke. Wanneer zij echter de zin van deze toewijding onderkent als doorgang door de dood om daardoor de zelfstandigheid te bereiken, verkrijgt ze de overwinningskracht.

                Hercules (IV, 74 f.) is de grote mens, de wereld in haar universaliteit ervarende mens, de grote lijder maar ook de grote overwinnaar die de twaalf werken doorloopt en dan ervaart dat hij een totaalbestaan in het universum heeft. In elk van deze werken ontmoet hij eigenlijk zichzelf als een taak die hem de wereld stelt.  Hij moet zich telkens in een andere verhouding van zijn eigen wezen tot de wereld ervaren en transformeren, dan beleeft hij bewust het opnieuw vinden van het in zijn eigen wezen liggende in de wereld. Van de twaalf zelfoverwinnende werken van Hercules is het laatste het moeilijkst: de helhond naar boven te brengen. Daartoe moet hij zich in de Eleusinische mysteriën  laten inwijden, aldus  aan het eind van zijn inwijdingsweg komen en daaruit de kracht putten het werkzame van het onderwereldse, d.w.z. natuurlijke bestaan te beteugelen, te overwinnen.

            De twaalf werken zijn een gang door de gehele wijdte van de wereld, ook van de twaalf zielsmatige ontwikkelingsmogelijkheden, waarop de ziel die loutering en vervolmakingskracht verkrijgt die naar de doodsoverwinning voert, krachtens welke ze ook begint om in het geestelijke, d.w.z. in het universele van de wereld te existeren. Het geestelijke is immers het alles doordringende. Het is de taal van de Filosofie van de vrijheid, de weg naar het totaalbestaan in het universum.  Want het geestelijke in de mens, het ideeën-denkachtige dat zich uit de ban van het zintuiglijke, de ban aan het organisme en de ons hier bekruipende gevaren rukt, bevat zich in zichzelf als een zodanige dat deelneemt aan het wereld-geestelijke, aan het alles doordringende geestelijke. De bewustzijnsziel,  die van zichzelf waarachtig bewust wordt, weet dat haar lichaam als de eigenlijke grondslag van haar zelfstandigheid de aanspraak  geeft  om door de

3. De derde drieheid van de mythen behandelt wat in de beide voorafgaande drieheden als aanleg voorhanden is. Wanneer ik de in mijn lichamelijke wezenheid bedreigende lagere natuur overwin en transformeer en zodoende in een strevend leven ervaringen verkrijg, dan transformeren zich deze in onsterfelijkheidskrachten. Hoe deze transformatie van de levenservaringen in onsterfelijkheidskrachten geschiedt, dat zeggen de drie laatste mythen:

            Aan de sage van de Argonauten (IV,75 ff.) ligt dezelfde basisfiguur als de behandelde mythen ten grondslag. Alle zijn metamorfosen van een oermythe: dat de mens oorspronkelijk met de geestelijke wereld verbonden was als een onzelfstandig lid, maar dat hij zich echter verder ontwikkelen kan, wanneer hij zich daarvan losmaakt, dus de wereld van het lagere bewustzijn ingaat die hem van de hogere geestelijke wereld om te beginnen scheidt. Maar alleen in deze scheiding kan hij door transformatie en overwinning van het lagere de kracht verkrijgen om zich zelfstandig weer met het geestelijke te verenigen.  Zo is ook het Gouden vlies, het vooreerst verloren hoge geestelijke van het mensenwezen, naar wiens glinsterende goudheerlijkheid ook in de laagten van zijn wezen een oneindig verlangen en moedkracht streeft. Ook herwinnen kan de mens het Gouden vlies, wanneer hij met de toverkracht van zijn bewustzijn de draak bedwingt om zich met het verlorene op een nieuwe wijze te herenigen.  Daarbij moet het hogere bewustzijn echter een tribuut aan de zintuiglijke wereld afdragen: Absyrtas die geofferd moet worden, opdat Aëtes de herwinnaar van het Vlies niet bereiken kan. Het is immers niet de bestemming van de mens om een onzelfstandig lid van de geestelijke wereld, van het geweldig oer-organisme, te zijn, maar een waarachtig geestzelf te worden. Het is de mythe van het geestzelfachtige of ook de mythe van de imaginatie, kan men zeggen: want die is immers juist niet datgene, waarvoor men ze in een misverstand veelal houdt:  het zich passief blootstellen aan beeldbetoveringen. Dat zou slechts iets verleidends zijn. De imaginatiekracht is juist de kracht van het beeldloze dat de beelden vormgeeft. Door het beeldloze actief-zijn in het beeldachtig verbeelden beleven wij ons als zelfstandige individualiteiten die deelname hebben aan een geestelijke wereld, waar we louter ontvangers noch willekeurige actieven zijn. Wij zijn daar in een beeldloos actief weven, waarin wij onszelf blijven, maar tegelijk iets doen wat zijn eigen objectieve continuïteit heeft.  Subjectiviteit en objectiviteit zijn in een wonderlijk gebeuren één en hetzelfde. Maar het gebeuren zelf is tijdloos, oordloos en beeldloos.  Wij vertalen het echter meteen in zintuiglijke beelden, en alleen in zover we dat doen, kunnen wij ons daaraan herinneren. De sage van de Argonauten is de mythe van het geestzelf of de imaginatie. Men kan aan deze mythe werkelijk het imagineren leren.

            Prometheus (IV; 78 ff.): Dat Zeus met een sterveling een zoon zal verwekken die de drager van een nieuwe geestelijkheid dient te zijn, dit geheim spreekt Prometheus pas uit als Hercules hem bevrijdt, dit oerbeeld van een geweldige myste die door het standhouden van twaalf moeilijke taken een totaalbewustzijn van het universum heeft bevochten. Ook moet zich de kentaur Chiron geofferd hebben, dit wezen waarbij zich het menselijke uit het dierlijke losweekt. Het overwinnende van het dierlijke is het waarachtig bevrijdende. Wanneer dat tot een doorbraak is gekomen en het Titanisch-wilsmatige ondergaan en door en door gelouterd is kan datgene gebeuren waar het altijd weer om gaat: dat met het menselijk-individuele  zich iets goddelijks verenigt. Dan is de mens niet een geestzelf, maar een levensgeestelijke die met het geestelijke waarachtig leeft en waarin het geestelijke aanwezend kan zijn, dus een wezen dat niet alleen imagineren kan, iets geestelijks met individueel willens meemaken moet, maar beleeft hoe in dit innerlijk meemaken de adem van het goddelijke intrekt (Inspiratie).

            Odysseus (IV, 79 ff.): De cyclopen beteken de lagere natuur in de mens, het in egoïstische eigenheid afkrakende, naar beneden halende. Kirke, die in een betoverend en verleidend mooi landschap leeft, is de lagere geesteskracht die de mens alleen nog dieper in het dierlijke binnen trekt. Zij transformeert enkele gevaarten in dieren, maar Odysseus overwint Kirke en de overwinning van het lagere juist in het geestelijke stelt hem in staat de vaart in het dodenrijk nog in leven te maken, myste te worden, d.w.z. hoewel nog levend in het fysieke lichaam toch toegang tot de geestelijke wereld te hebben. Ingewijd wordt hij door de ziener Teiresias in de onderwereld, Maar dat betekent nog niet dat hij binnen de geestelijke wereld zeker is. Hij moet nog enkele verzoekingen en gevaren overwinnen. Hij moet de verlokking door de Sirenen standhouden, dat zijn vrij geworden geesteskrachten  en wel  fantasiekrachten die zich makkelijk in het willekeurige, fantasmagorische en illusionaire  verliezen. Hij moet tussen Skylla en Charybdis  door. Dat zijn de grote gevaren die dan en juist dan dreigen, wanneer de mens reeds de weg in de geestelijke wereld heeft betreden. Hij kan dan te diep het materiele ingaan of te zeer in het geestelijke binnengetrokken worden. De juiste middenweg vermag geen enkele van de gevaarten aan te houden, allen komen om. Alleen hij redt zich op de laatste plank naar het  eiland Calypso. Nadat hij daar in grote afgeslotenheid een zeven jaar lange strenge inwijdingsscholing heeft doorgemaakt, treft hij in het land der Phäaken in bekoorlijkste gestalte nog eenmaal datgene wat in de uiterlijke zintuiglijke wereld hem zou willen vasthouden.  Maar de hereniging met het hogere, dat door Penelope is weergegeven, kan alleen door onthouding van elke zweem van  begeerte bereikt worden. Gevoerd door Athene, de wijsheid, komt hij als bedelaar thuis, d.w.z. hij heeft alles afgelegd wat hem van de zintuiglijke wereld aankleeft.  Penelope houdt de opdringerige vrijers weg, doordat wat ze overdag gewoven  heeft ’s nachts weer ontrafelt: Het bewustzijn dat nog in het logische van de zintuiglijke wereld bezig was, moet ook dat afleggen en mag alleen behouden wat als innerlijke oefeningswinst en innerlijke onthoudingskracht overblijft; maar de kandidaten willen dat weer in het zintuiglijke trekken. Na overwinning van de smadelijk om de trouwe echtgenote ijverende vrijers verenigt zich Odysseus als werkelijke geestmens met haar in het huis dat ze om de olijfboom gebouwd hebben dat door het huis groeit. Als werkelijke geestmens heeft Odysseus de intuïtiekracht verworven. Door het afleggen van zijn lagere geestelijkheid kon hij één worden met het hoogste geestelijke in het eigen wezen en in de wereld. 

woensdag 13 oktober 2021

X - "Demeter, de Aardegodin, de Godin der vruchtbaarheid die de mens met de aarde de drager van zijn lichamelijk-fysiek bestaan verleent, waardoor hij een mensenwezen, een individueel wezen in de volste zin van het woord kan worden."

 


1. Rudolf Steiner begint de reeks mythische beelden met Theseus, de overwinnaar van de Minostaurus, het monster dat in de ondergrond van onze ziel huist en huizen moet, omdat wij het nodig hebben. Het monstrueuze is de afsnoering van het ziele-geestelijke van de oerwereld. Wij hebben er echter behoefte aan om zelfstandig en individueel te worden. Het is een weg die in het monstrueuze, in de dood leidt, maar juist dan, wanneer  bij het naarbinnen gaan in het monstrueuze de moedkracht niet verslapt. Het eerste beeld wijst op de overwinningskracht in ons wezen, dat zich echter pas in de overwinning op het monstrueuze vol ontwikkelen kan.

2. De sage van Boreas  wijst op de krachten in onze ziel die het geestelijke begerig wil oppakken en grijpen, maar als zodanige haastig oppakkende, rovende krachten in zichzelf ook de natuurlijke mogelijkheid hebben om veredeld te worden in de krachten van de innerlijke transformatie van de ziel. Overwinningskracht wordt, wanneer we die in de daarin liggende ontwikkelingsmogelijkheid volgen, daarover mediteren, zoals het in zulke beelden gebeuren kan, tot transformatiekracht en gaat dan over in de evenwichtskracht, zoals die in de

3. Mythe van het zielenspan door Plato weergegeven wordt. Overwinningskracht kan evenwichtskracht worden die ervoor behoedt om in de zintuiglijk wereld naarbinnen gerukt te worden. Dat zijn de krachten die reeds door de natuurlijke kant van ons wezen, dus van het lichamelijke vandaan voorbereid, in ons als aanleg voorhanden zijn.

4. In de gelijkenis van Boeddha wordt van de levenservaringen gesproken die de mens op zijn weg door de zintuiglijk wereld maakt en die hem uiteindelijk over de stroom in de geestelijke wereld voeren. Het is de levenservaringskracht die over de stroom komt, wanneer ze met overwinningskracht en transformatiekracht uitgerust wordt. 

5. Wie over de stroom komt, weet nu wat de diepste inhoud van de levenservaring is, datgene waarvan het hele boek spreekt: de doorgang door de dood als bron van de individuele onsterfelijkheidskracht. De mens kan zijn individuele onsterfelijkheid alleen verkrijgen, wanneer hij door de dood gaat en de doodskrachten bedwingt en transformeert in de opstandingskracht. Hij gaat, nu niet meer een onzelfstandig lid in de geestelijke wereld, de geestelijke wereld in en weet van zichzelf daarin als individueel wezen ingeboren te zijn.

6. Die mens die van zichzelf weet in de doorgang door de dood door zijn opstandingskracht in de geestelijke wereld ingeboren te zijn, beleeft zijn totaalbestaan in het universum (“De Filosofie van de vrijheid”), dat is Heracles.

7. De mens die zijn totaalbestaan in het universum beleeft, vermag dat op grond van het hogere schouwen dat hij verkregen heeft op de stations van deze weg. Hij ontwikkelt de imaginatiekracht, waarvan de sage van de Argonauten in wonderbaarlijke beelden spreekt, doordat hij juist als een individuele en niet alleen instinctief schouwende in de geestelijke wereld binnentreden kan met de krachten die hij in de zintuiglijke wereld heeft verkregen. Daarmee kan het Gouden Vlies, de hogere wijsheid van de mens, herwonnen worden, nadat hij  die door zijn gang in de individuatie verloren heeft. Maar zij kan weer verkregen worden als individueel bezit; dat is de imaginatiekracht. 

8. Het geheim van Prometheus bestaat daarin dat zich met de menselijke ziel iets goddelijks verenigt en daardoor juist de zin van de menselijkheid  alsook van de goddelijkheid geboren moge worden. De vereniging van het goddelijk-geestelijke met het individuele noemt men inspiratiekracht 

9. De Odyssee spreekt van het hoogste schouwvermogen dat de mens ontwikkelen kan, de intuïtie waarin zich de intuïerende niet alleen in het eigen wezen beleeft, maar in het andere, alsof hij dit wezen zelf zou zijn. Het komt tot een wezensopenbaring in het eigen wezen, dus zonder verlies van de zelfstandigheid en deze weg van de intuïtie, tot de vereniging met een ander wezen, is de weg van Odysseus naar Penelope.


De weg begint met de overwinning op het monstrueuze dat in onze lichamelijke wezenheid huist en voert van de lichaamsmens tot aan de geestesmens. Daarmee staan wij voor de poort van Eleusis.  Deze weg is niet alleen een weg van de mens, maar eigenlijk van de menselijke onsterfelijke individualiteit door de gebieden van zijn eigen wezen, van de laagste tot aan de hoogste gebieden. Wie de heilige weg van de ziele-geestelijke ontwikkeling ging, kwam naar  het geestelijke Eleusis. En wanneer we het fysieke gebied beschouwen, bereikte hij de plaats waar dichtbij zee de heiligdommen van Eleusis stonden, in het aangezicht waarvan zich de zeeslag van Salamis afspeelde. Daar kunnen we ons vorstellen hoe in de verwachting van deze slag een jonge Griekse generaal naar de mysterieplaats kwam om raad in te winnen en naar de uitkomst van de slag te vragen. De mysteriewijze antwoordde hem: Vraag niet aan mij; het antwoord ligt in jouw wezen; de slag zal jouw inwijding zijn; je hebt je voorbereid, en als je jouw moedkracht niet verliest en je ervan afziet om een voor uiterlijke oren hoorbaar woord te vernemen, zal je zegevieren ook als je het onderspit delft.

            “Het grote werelddrama”, deze woorden komen we steeds weer tegen in dit wonderbaarlijk boek. Het is uiteraard een boek over het grote werelddrama. Onder steeds nieuwe gezichtspunten is steeds  weer van hetzelfde sprake: het grote werelddrama. De essentie daarvan is dat het zowel een drama van de menselijke ziel alsook van Godswezenheid is; het is het drama van het individueel-worden. Individueel worden kan de mens als ziele-geestelijk wezen alleen wanneer hij zich losmaakt van de goddelijk-geestelijke oerwereld, wier onzelfstandig lid hij voorheen was. Deze losmaking is alleen mogelijk, wanneer het scheidende, het monstrueuze in de wereld komt en de mens zich daarmee uiteenzetten kan, wanneer hij de weg door de dood gaat om juist daardoor de onsterfelijkheidskracht van de opstanding te verkrijgen. Dat is het grote drama beschouwd onder het gezichtspunt van de mens. Het is echter tegelijk, beide horen onafscheidelijk samen, een goddelijk drama, want de Godheid in de mens, het goddelijk-geestelijke dat besloot om de mens een zelfstandig individueel wezen te laten worden, ervaart doordat het meegaat in de dood en de opstanding iets wat voorheen niet mogelijk zou zijn geweest: het kan zelf zich in vrije wezens, vrije mensen op een nieuwe, voorheen niet mogelijke wijze openbaren. Dit werelddrama heeft dus een grote en een kleine kant, al naar gelang het onder het aspect van de goddelijk-geestelijke wereld (”Grote mysteriën” in september) of van de mens (“Kleine mysteriën” in februari)  wordt beschouwd. De Kleine mysteriën vonden meer plaats onder het aspect van Demeter (de Godheid die de aarde met haar vruchten beschikbaar stelt), de grote onder het aspect van Dionysos, het Godswezen dat zelf in het drama van de dood en opstanding binnengaat.

            “De symbolische presentatie van het wereld- en mensendrama was de slotakte van de mystenwijdingen die hier uitgevoerd werden.” (IV, 82).

            Het wezenlijke van deze mystenwijdingen wordt met steeds nieuwe wendingen beklemtoond: In de mysteriedrama’s werd op volbewuste wijze weergegeven dat het lot van de mens en de Goden op innigste wijze elkaar verslinden. Demeter, de Aardegodin, de Godin der vruchtbaarheid die de mens met de aarde de drager van zijn lichamelijk-fysiek bestaan verleent, waardoor hij een mensenwezen, een individueel wezen in de volste zin van het woord kan worden; Demeter heeft aanvankelijk  de intentie, indien men bij zulke wezens van intentie spreken kan, om de mens de onsterfelijkheid te geven als een soort natuurgeschenk.  Dat lukt echter niet, dat moest niet zo zijn. De mens moet deze onsterfelijkheid verkrijgen door de doorgang door de dood, door het neerdalen in de onderwereld, door steeds nieuwe incarnaties, door zijn levenservaringen en de innerlijke transformatie daarvan. Dat is de zin van de mythe van Demeter-Persephone en het eten van de granaatappel.

            “Het is makkelijk om de zin van de mythe van Demeter-Persephone te achterhalen. Wat afwisselend in de onder- en bovenwereld is, dat is de ziel. De eeuwigheid van de ziel en haar eeuwige transformatie door geboorte en dood heen wordt beeldend weergegeven. Uit het onsterfelijke, uit Dementer stamt de ziel. Zij is echter door het vergankelijke ontvoert en zelf bestemd tot deelname aan het lot van de vergankelijkheid. Zij heeft van de vrucht in de onderwereld genoten: de menselijke ziel is met het vergankelijke verzadigd; zij kan derhalve niet in de bovenwereld van het goddelijke blijven wonen.”(IV, 83)

            Zij is iets eeuwigs door de eeuwige transformatie. Zij is in alle transformaties zichzelf alleen dan, wanneer ze daarbij voortdurend op iets eeuwigs blikt. Van transformatie, van verandering te spreken zonder een blik op de eeuwigheid is onmenselijk.

            “Zij moet steeds weer terug naar het rijk der vergankelijkheid.” (IV, 83)  

            Dat kan überhaupt niet genoeg benadrukt worden. Zelfstandigheid leren kan de ziel alleen in en door de zintuiglijke wereld. In die zin is ook natuurwetenschap, in wier teken Rudolf Steiner dit boek geheel bewust heeft gesteld, een lerares van de menselijke ziel ten behoeve van zelfstandigheid. Maar waarop het hier aankomt is dat de ziel, doordat ze zich aan deze pedagogie van de zintuiglijke wereld bloot stelt, zich niet vergeet, d.w.z. zij vergeet zich steeds en vergeet de terugkeer (Metanoia) en wanneer ze die niet verricht, dan worden de vruchten van de levenservaringen de buit van het monstrueuze dat in de diepe grond van de ziel huist.

            “Demeter is de vertegenwoordigster van datgene wezen, waaruit het menselijke bewustzijn is ontsproten; maar bij dit bewustzijn moet men zich voorstellen hoe het heeft kunnen ontstaan door de geestelijke krachten van de aarde.  Demeter is dus de oerwezenheid van de aarde; en de begaafdheid van de aarde met de kiemkrachten der veldgewassen door haar wijst alleen op een nog diepere kant van haar wezen.” (IV, 83)

            Demeter, de Aardegodin, die voor de mens het onderwijs door de zintuiglijke wereld mogelijk maakt, bekwaamt de mens met de vruchten der aarde, zonder het genot waarvan hij zijn levenservaringen niet kan maken.. De rijpste vrucht der aarde kan de mens echter niet verkrijgen als een geschenk, maar door die in zich zelf te doen rijpen, door de verdere ontwikkeling van de aan de zintuiglijke wereld geleerde zielenkrachten.

            “Dit wezen wil de mens onsterfelijkheid  geven. Demeter verbergt ’s nachts haar pleegkind in het vuur. Maar de mens kan het louter geweld van het vuur  (van de geest) niet verdragen. Demeter moet van haar afzien. Zij kan slechts een tempeldienst stichten waardoor de mens, voor zover hij het vermag, het goddelijke deelachtig kan worden.” (IV, 83)

            Alleen door zelfonderwijs kan nu eenmaal de mens deze vruchten van de inwijding verkrijgen.

            Demeter, die de ondergrond geeft waarop de mens kan staan – de aardegrond – bereidt daarmee de menselijke wezenheid en de ziel zo voor – dat ze individueel kan worden, en geeft zo het Godswezen weer de mogelijkheid in deze mensenziel in te sterven en (wanneer door innerlijke ontwikkeling de opstanding geschiedt) de opstandingskracht in een de enkele ziel overtreffende Godsbewustzijn te verzamelen.

            Het wereld-mensen-drama werd door Rudolf Steiner reeds eerder in aansluiting aan het platonische Timaeus aangeduid (III, 59). Het is eigenlijk het kennisdrama, men zou ook kunnen zeggen, in het kennisbeleven wordt voor de mens de zin en het wezen van deze mensen-wereld-dramatiek duidelijk.  Het drama van de menselijke kennis is eigenlijk de oermythe die aan alle andere mythen ten grondslag ligt. Want wat beleeft en observeert de mens die zich in de zin van de Filosofie van de vrijheid door zielenobservatie, introspectie het kennisproces tot bewustzijn brengt? Hij beleeft zich daar als een geestelijk, ideëel wezen dat de zintuiglijke wereld tegenover staat. In het kennen verbindt hij het denkachtig-geestelijk-ideële met dit zintuigelijke. En daarbij beleeft hij hoe dit geestelijke in de zintuiglijke wereld insterft en daarbij “verlamd”. Het begripsmatig-ideële is een ongemeen vloeiend en bewegend iets. Mensen beleven het begrip meestal niet werkelijk als begrip, maar alleen zijn verlamde toestand in voorstellingen. Het beleefde, in een wakkere blik bevat begrip is het meest levendige waarvan we ons bewust kunnen worden. Het openbaart zijn levendigheid doordat het meteen met anderen zou willen samensmelten en in de totaliteit van het geestelijke rijk, waarin er alleen samenhang bestaat, zou willen voeren ook doordat het soortkarakter heeft (voor een talloze aantal  fysieke wezenheden bestaat er slechts één begrip).  Deze begrippen kunnen de meest uiteenlopende gestalten aannemen; ze zijn van een onbeperkte vloeibaarheid en kneedbaarheid tegenover de wezens die ze ordenen en vormen. Ook in hun eigen gebied zijn ze vloeibaar, omdat het tot hun eigen wezen behoort om met andere begrippen naadloos samen te smelten. In principe zijn er geen veelvoud van begrippen en ideeën. Men moet zich daar steeds weer aan de woorden van Goethe herinneren: “De idee is eeuwig en uniek, van ideeën te spreken  is niet welgedaan.” De ideeënwereld is een zich in voortdurend innerlijke beweeglijkheid bevindende oneindig organisme van vormen en gestalten, en aan dit organisme nemen wij door onze denkactiviteit wilsmatig deel.  In ons denken kunnen wij deze heerlijke wereld beroeren. Wij kunnen in onze levenservaring met deze wereld vooreerst iets aanvangen, wanneer we die doen verwelken, die in de starre contour van voorstellingen doen verlammen. Waar een zodanig wezen van de geestelijke wereld met een wezen van de zintuiglijke wereld op elkaar stoten, hebben we bij voorbeeld niet meer de “lepel” in de oneindige veelvormigheid  die deze als begripsmatig wezen eigen is, maar de voorstelling van een grote en een kleine, een zilveren of een houten lepel. Daar is de oneindige veelvormigheid in de enkel voorstelling verstorven of verlamd.  Het insterven van het geestelijk-ideële in de waarneembare zintuiglijke wereld is een van de basiservaringen van de kennisweg.

            Maar bij dit insterven maken wij ook de ervaring van het wereldwordingsproces, doordat uit de veelheid van de aanvankelijk ongeordende stoffelijkheid door de ingreep van de geestelijke vormgevingskracht onze natuurlijke wereld opgebouwd wordt, tot aan de sterren opwaarts en tot aan het grootste en tegelijk meest tragische kunstwerk, de schepping van het menselijke lichaamsorganisme. Door het insterven van het geestelijke in het stoffelijke wordt dat geordend. Dit werk van het goddelijk-geestelijk komt in de menselijke lichamelijkheid aan het einde van zijn weg. Daar gaat het nu niet meer verder, indien de mens zelf niet de verdere ontwikkeling van de wereld in zichzelf verricht, indien hij uit het insterven van het geestelijke in zijn wezenheid niet de kracht ontwikkelt om in deze doodservaring zich als een zelfstandig wezen te beleven, dat nu niet meer met de geest begiftigd is, maar dat vanuit de in het nulpunt van zijn bestaan bevatte innerlijke activiteitsdaad het geestelijke weer kan doen ontstaan: Dat gebeurt wanneer hij het kennisproces in zichzelf observeert, wanneer hij mediteert over het kennisproces als de oermythe. In alle echte mythen kunt u onderkennen dat het slechts metamorfosen, slechts voorbeelden, wijzigingen van deze oermythos zijn.

 

Toevoeging:   In het menselijke lichaamsorganisme komen de hiërarchische machten aan het einde van hun scheppingswegen, het goddelijk-geestelijk wordt daarin verlamd. Maar juist door het ten-einde-kommen ontstaat de impuls van de vrije individualiteit die zich in de doorgang door de doodsbelevenis weer vrij met de geestelijke wereld kan verbinden. Dit werelddrama waarin de individuele onsterfelijkheid door de doorgang door de dood ontstaat – dat is het paradoxe geheim van deze oermythe – reproduceert de mens in zijn kennen. En het betekenisvolle van het huidige werelduur is dat de mens door het observeren van zijn kennisproces vanuit het gewone alledaags bewustzijn naarbinnen turen kan in de hoogste geheimen van de wereldwording. Zoals de hiërarchische scheppingsmachten tegenover het stoffelijk gebied van de wereldwording gestaan hebben, en die in gang kwam door de ingreep van het geestelijke in de oerstoffelijkheid, zo staat bij het menselijke kennisproces het doorlichtende vormgevend denken in zijn ordeningskracht tegenover de ongeordende stoffelijkheid van het waargenomene. De levenswereld van het denken duikt in de waarnemingswereld die door de zintuigen overgedragen wordt. Bij het induiken dat door middel van ons organisme gebeurt wordt het levende denken verlamd tot de dode abstractheid van onze voorstellingen. Maar juist uit deze verlamming in de dode voorstellingen ontwikkelen wij de individuele kracht om ons denken weer te doen herrijzen. En dit uit de dood geregenereerd denken gaat dan over in de vaardigheid van het bovenzinnelijke schouwen. In die zin is de oermythe de mythe van het kennen.

            Na dit geweldig overzicht over de antiek mysteriewijsheid vestigt Rudolf Steiner in het 5de hoofdstuk, dat in de diepste mysteriën van het christendom voert, zijn aandacht op een bijzonder gebied: de Egyptische mysteriewijsheid. De zeven alinea’s beschreven weer een soort heilige meditatieweg, maar op een andere wijze dan de negenvoudige weg naar Eleusis (die met de negenvoudigheid van onze wezensdelen overeenkomt).

 

Empedocles is al eerder in verband met andere Griekse filosofen genoemd (II, 44,45; IV, 72,73). Hij verschijnt nu in zekere mate als vertegenwoordiger van de Egyptische mysteriënwijsheid. Meteen wordt nu weer het basisthema opgenomen, het mensen-wereld-drama: De mens moet de lichaamsgevangenis, de dood ingaan om daardoor de individuele onsterfelijkheid te verkrijgen (waarbij wij ons duidelijk moeten maken dat dit gewin van de individuele onsterfelijkheid in de mysteriën der oudheid alleen voorbereid kon worden met het oog op het grote gebeurtenis van het mysterie van Golgotha).

            “Het bewijs daarvoor is het zogenaamde ‘Dodenboek’ dat door de vlijt van negentiende-eeuwse onderzoekers is ontcijferd.[1] Het is ‘het meest omvattende literaire werk dat de Egyptenaren ons hebben overgeleverd’. Men vindt daarin allerlei leringen en gebeden die iedere gestorvene in het graf werden meegegeven opdat deze een wegwijzer zou hebben als hij van zijn vergankelijk omhulsel was ontdaan. Dit literair werk bevat de intiemste opvattingen van de Egyptenaren over het eeuwige en het ontstaan van de wereld. Deze opvattingen duiden doorgaans op godenvoorstellingen die gelijken op die van de Griekse mystici.” (V, 84)

            Onder de stations van de heilige weg naar Eleusis is bij de vijfde er sprake van de mythe van Osiris (IV, 71), precies in het midden van de negenvoudige weg. –

            “Als het lichaam aan de aarde wordt gegeven, in de aarde wordt bewaard, dan gaat het eeuwige op weg naar het oereeuwige.” (V, 84,85)  Het is u bekend dat in de Egyptische cultuur het van bijzondere betekenis was om de menselijke lichaamsvorm zo lang mogelijk te behouden. De zin van deze balseming van de menselijke lichaamsvorm is juist de voorbereiding van de individuele onsterfelijkheid. In die zin betekent de mogelijkst lang bewaarde lichaamsvorm een steun voor de ontlichaamde ziel.

            “Het eeuwige in de mens verschijnt voor het gerecht van Osiris, omgeven door de tweeënveertig dodenrechters. Het lot van het eeuwige in de mens hangt af van de bevinding der dodenrechters. Heeft de ziel haar zonden beleden en als zij verzoend is bevonden met de eeuwige gerechtigheid, dan komen haar onzichtbare machten tegemoet die tot haar spreken: ‘Osiris N. werd gelouterd in de vijver gelegen zuidwaarts van het veld Hotep en noordwaarts van het veld der Sprinkhanen, waar de Goden van het Groenen zich wassen in het vierde uur van de nacht en het achtste van de dag met het beeld van het hart der Goden, overgaand van de nacht tot de dag.” (V, 85)

            De menselijke ziel is bestemd om een Osiris te worden, een wezen dat in zichzelf de goddelijke onsterfelijkheidskracht beleeft. Op zijn weg naar de Osirisbelevenis moet de mens door een loutering heen gaan. Daarvan wordt zo gesproken dat dit een bad is in het meer “zuidwaarts van het veld Hotep”. “Noordwaarts van het veld der Sprinkhanen”: de Machten die alles wat zich ontwikkeld opvreten, omdat zij vijandig tegenover het onsterfelijkheidswezen staan. Voor de ziel, nadat zij zich in het heilige meer heeft gelouterd, ligt het vruchtbare veld. In het meer wassen zich ook de Goden van het Groenen welke die vruchten der aarde cultiveren die vruchten voor de eeuwigheid zijn. “Met het beeld van de harten der goden”, met dit beeld, dat in het meer der loutering weerspiegeld wordt, wassen zich de goden waarmee ook de ziel wordt gelouterd. Het hart der goden, waar zich het leven van de goddelijk-geestelijk wereld samenvat, is die goddelijk-geestelijke kracht  die aan de mens de individuele onsterfelijkheid schenkt. (V, 84 ff.) Van de ziel wordt als “Osiris N.” gesproken, wanneer ze een bloesem aan die vijgenboom is geworden die een geschenk van de Godin Demeter voor Eleusis was en waaraan daar een bijzondere verering was gewijd. “Mijn ware naam is een bloesem aan de vijgenboom.” Het is de vijgenboom  waaraan zich de door Charybdis bedreigde Odysseus vasthoudt. Hij houdt zich vast aan de boom, waaraan de ziel de onsterfelijkheid kan ingroeien. Alleen Odysseus vindt de weg in de geestelijke wereld en gaat die op.      

             



[1] Zie Lepsius, Das Totenbuch der alten Ägypter, Berlijn 1842

AANKONDIGING REEKS LEZINGEN EN GESPREKSRONDEN OVER HET CHRISTENDOM ALS MYSTIEK FEIT EN DE MYSTERIËN DER OUDHEID

Tijdens het ochtendgedeelte van de ledenvergadering van de AViN op 29 september in Driebergen/Zeist werd de 13-delige inleiding van Herbert ...