Posts tonen met het label Theseus. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Theseus. Alle posts tonen

donderdag 14 oktober 2021

VI. “Pas met het mysterium van Golgotha begint de mogelijkheid om het eigen activiteitsbewustzijn van de ziel als onsterfelijkheidsbewustzijn te beleven.”

 


Het vierde hoofdstuk geeft bijzonder duidelijk de methode te kennen die Rudolf Steiner toepast: Een boek dat zich met het “Christendom als mystiek feit” bezig houdt bedient zich van de natuurwetenschappelijke methode!  Dat is onder andere een genetische methode. Deze probeert de wereldverschijnselen en  -processen  genetisch te bevatten, d.w.z. iets dat volgt uit iets dat eraan voorafgaat daardoor te begrijpen dat men in vertrouwen tot het denken met deze activiteit datgene te doordringen probeert wat telkens van voorafgaande toestanden waarneembaar is (niet slechts voor de zintuigen, maar ook voor wat binnen de ziel waarneembaar is), en door deze doordringing een verandering van de eigen kenvermogens te ervaren, die richtinggevend is voor het opnieuw doordringen en begrijpen van volgende inhouden. De natuurwetenschappelijke methode als genetische methode ontwikkelt zich dus zelf in de genetische doordringing van de gekende feiten en processen. Het ligt eigenlijk in het wezen van deze natuurwetenschappelijke methode dat degene die deze werkelijk onbevooroordeeld handhaaft – zoals deze volgens haar eigen innerlijkste wezen is en niet anders zijn kan – zelf een zielsontwikkeling doormaakt. De mens verandert zichzelf daarbij, omdat hij zijn kenvermogens bij het doordringen van de wereldverschijnselen vergroot en zichzelf in zijn eigen geestelijke persoonlijkheid een hoger niveau geeft. Derhalve kan een boek  dat zich met een mystiek feit bezig houdt zich volkomen terecht van deze natuurwetenschappelijke methode bedienen, als men met een mystiek kennen en begrijpen een samenleven en samengroeien met het onderwerp op grond van een innerlijke zielsontwikkeling verstaat.  Met dit “mystieke”, zoals dat woord hier gebruikt wordt, is bedoeld dat datgene wat in de ziel als kenvermogen ontwikkeld wordt niet alleen een innerlijke belevenis blijft, maar tegelijk ook een soort verwerkelijking in de dubbele zin van het woord, dat in het natuurwetenschappelijk- mystieke beleven de mens zichzelf verandert en door deze ontwikkeling dieper in de wereldse werkelijkheid binnendringt.

            Dat kan in zekere zin juist aan hoofdstuk 4 “De mysteriewaarheid en de mythe” bijzonder duidelijk worden, waar in het handhaven van deze natuurwetenschappelijk-mystiek-genetische methode het christendom begrepen wordt als een metamorfose die zich in een grote ontwikkeling sinds oertijden in een innerlijke geestelijke logica voordoet. Aan deze verschijning van het christendom of het mysterie van Golgotha gingen lange perioden van niet alleen menselijke maar ook kosmische ontwikkelingen vooraf. De geweldige ontwikkelingen zijn in het algemeen menselijke bewustzijn , zoals het er voor het mysterie van Golgotha toen was, tot uitdrukking gekomen in de scheppingen van mythen met hun fantastische  beelden die, hoe verder men in de tijd teruggaat, hoe meer kosmologischer  zijn. In de vooruitgang van de mythengeschiedenis treden steeds meer zulke scheppingen naar voren die in het uitspansel van de mythologisch-kosmische beelden in zekere zin het podium vormen  voor een ontwikkeling van de menselijke ziel. Maar wat zich daar uit het volksbewustzijn voortkomend als kosmologische mythe en toneel van de innerlijke, zielsmatig  mythe ontwikkelt, is een zodanige die min of meer uit de instinctieve genialiteit van de menselijke ziel van een volksbewustzijn stamt. Dit was zeker altijd aangespoord door bijzondere persoonlijkheden welke de bewuste, het totaal overziende dragers van deze ontwikkeling waren. Maar het drong als mythevorm over het algemeen uit de instinctieve, hoewel aangespoorde genialiteit van het volksbewustzijn naar voren. Dit instinctief geniale volksbewustzijn is zich in zijn mythevormende activiteit niet van zijn eigen vermogens bewust. Het is het karakteristieke van de instinctieve, onbewuste productiviteit dat ze krachten kunnen laten spelen, waarvan ze zelf niet bewust kunnen worden. En nu is het juist het karakteristieke van de vooruitgang ten opzichte van dit instinctief-geniaal mythevormend bewustzijn, zoals elk bewustzijn van de vooruitgang, dat de krachten die van zichzelf alleen in de resultaten bewust worden, ook in hun eigen levendigheid in het spel van hun uitvoering van zichzelf bewust kunnen worden en er grip op krijgen.  Dat hoort bij het wezen van alle bewustzijns-ontwikkeling. In principe is alle ontwikkeling bewustzijnsontwikkeling.  De krachten die binnen de ontwikkeling en in de zich ontwikkelende mensen actief zijn, worden steeds meer zelfbewust in voortschrijdende zich wederzijds steunende, opstijgende treden.  Wanneer  we vanuit het mythevormend bewustzijn naar de bewuste zielsontwikkeling in het innerlijke van de mythen kijken, hebben we het daar met een bewustzijnsvorming en scholing te maken die in het mythevormend bewustzijn verregaand onbewust en onwillekeurig actief zijn.

            De mysterie leerling leert na overeenstemmende voorbereiding zich van de krachten bewust te worden die voorheen onbewust in het mythevormend bewustzijn actief zijn, dus op soortgelijke wijze waarop de natuurwetenschapper in het handhaven van zijn natuurwetenschappelijke methode zich bewust maakt van wat onbewust in de wereldverschijnselen actief is en waarop hij zich op grond van deze bewustmaking zelf op hogere bewustzijnstreden vermag te verheffen. Dit bewustmaken van de onbewuste vormkrachten en hun handhaving in het bewustzijn is karakteristiek  voor de scholing van de mysterie leerling.  Zo sluit zich als voortzetting van het mythevormend bewustzijn het bewuste binnen de mysteriën daarbij aan, en hoewel het chronologisch parallel loopt is het toch een op de mythevorming opbouwende bewustzijnsontwikkeling.  Met de bewustmaking van de krachten die voorheen onbewust actief waren is iets heel belangrijks verbonden. De mythevormende volksfantasie is, en dat is wederom karakteristiek voor deze vergelijkbare instinctiviteit, zich van haar scheppend aandeel aan de mythevorming maar zeer vaag bewust en beleeft eigenlijk wat zij uit zichzelf spint meer als iets dat van buiten ontvangen en geopenbaard is, waaraan ze alleen haar uitbeeldingskracht en mond verleent.

            Het verval van het oorspronkelijk instinctief mythebewustzijn gaat gepaard met een bewustwording van de voorheen onbewust krachten en daarmee het verlies van het geloof aan de werkelijkheid en wezenlijkheid van de mythische inhouden.  De myste wordt bewust van de innerlijke activiteit en beleeft dat juist die de schouwplaats is voor het verschijnen van zelfstandige, objectieve geestelijke wezenheden.  Dus met het bewustzijn van zijn eigen innerlijk actief aandeel is niet het verlies van de overtuiging van de objectiviteit van het voorheen mythisch uitgebeelde  verbonden, maar een verhoging van het werkelijkheidsbewustzijn. Doch is deze aanvankelijk in de voorchristelijke tijd nog niet zo ver dat ze in deze belevenis van het actief verbonden-zijn met de gestalten van de geestelijke wereld en de geestelijke wereld überhaupt van de eigen individuele onsterfelijkheid bewust kan worden. Hoewel dit activiteitsbewustzijn van het bewustzijn van iets geestelijks is, leidt het in de voorchristelijke tijd nog niet tot een individueel onsterfelijkheidsbewustzijn, hoewel dit daardoor voorbereid wordt. Pas met het mysterium van Golgotha begint deze mogelijkheid om het eigen activiteitsbewustzijn van de ziel als  onsterfelijkheidsbewustzijn te beleven.  Dat geschiedt aanvankelijk nog in de omhulling van het geloofsbewustzijn en de daardoor gevormde gemeenschappen en vindt zijn vervulling tegenwoordig in de vorming van kennisgemeenschappen (waartoe de ontwikkeling sinds de 15de eeuw leidt).

            Wat deze hele ontwikkeling sinds de voorchristelijke tijd doordringt, is het openbaar worden van iets geestelijks in het zintuigelijke, in het ongeestelijke.  Het geestelijke treedt steeds meer naarbuiten en in het niet-geestelijke, in het zintuigelijke en begeeft zich daarmee op een lijdens- en offerweg om juist door dit naarbuiten treden op de schouwplaats van de uiterlijkheid, de zintuiglijkheid een des te grotere innerlijkheid te ervaren. Er volgt daarop een doordringing van het verborgen, universeel geestelijke met het principe van het individuele dat echter tegelijk een gemeenschapsprincipe is.  Dat is eigenlijk het grondgeheim van de evolutie, dat iets geestelijks, iets geheims in het niet-geheime, het zintuigelijke naarbuiten treedt om zich met het nieuwe principe van de individualiteit te doordringen. Deze openbaarmaking van het geestelijke is dus niet alleen een oer- en grondmotief, niet alleen van de zielsontwikkeling maar van de wereldontwikkeling überhaupt.

            Zoals bij alle verhandelingen zegt Rudolf Steiner datgene wat hij zegt ook hier gelijktijdig tweemaal, namelijk door de inhoud alsook door de vorm.  (Het hoort bij de waarheid dat de vorm de inhoud niet verbergt maar deze onthult.) De vorm kan op zo’n manier door de inhoud doordrongen zijn, dat hij daarvan de openbaring is en daardoor de inhoud steeds dieper in zich opneemt. Dat is ook het geheim van de ware schoonheid dat deze zich in de vorm openbaart.)  Derhalve heeft men Rudolf Steiner niet vernomen, indien men alleen de inhoud van zijn werk heeft vernomen. Het behoort bij het wezen van de taal dat de inhoud tegelijk  vormscheppend is. Dat is überhaupt het wezenlijke van de taal, dit grandioze principe waarmee zich vooral Wilhelm von Humboldt bezig hield.  Wat inhoudelijk aan de taal ten grondslag ligt is het doordringen van iets dat we tegenkomen, een voorwerp, met innerlijke deelname, met een lieflijk begrijpen en verstaan, een doordringen van iets uiterlijks en iets innerlijks, van twee polariteiten. Dit talig vormgevend principe, dat de taal in alle verschijningen doordringt, is de Logos der taal überhaupt. Ook hier weer het principe van de doordringing van openbaarmaking en verinnerlijking dat ik bij een andere gelegenheid preciezer heb uiteengezet  (toen we de voordracht lazen “Het zinlijk-bovenzinlijke in zijn verwerkelijking door de kunst”). Derhalve bouwt zich de taal in haar klankgestalte uit klinkers en medeklinkers, en bouwt ze zich in haar grammaticale indeling in het wonderbaarlijke spel van deze beide polariteiten op, die in de metamorfose van de grammaticale verschijning deze wonderbouw van het woord genereren.  Als een zodanig waarachtig sprekende, die in zijn innerlijkst wezen met de Logos verbonden is, spreekt Rudolf Steiner en hij kan derhalve helemaal niets anders dan alles gelijktijdig tweemaal zeggen.[1]

            Er is in dit hoofdstuk geenszins toevallig een reeks mythische beelden ontwikkeld (tezamen zijn het er negen). Daarin wordt datgene wat ook inhoudelijk-begripsmatig weergevend gezegd wordt nog eenmaal in het verloop van de innerlijke zielsontwikkeling voor de lezer ontplooit die deze beeldenreeks met innerlijke gewaarwording nagaat. Wat in dit hoofdstuk meer begripsmatig gezegd en uiteengezet wordt, het principe der mythevorming als principe der zielsontwikkeling, wordt tegelijk in de vorm van het hoofdstuk weergegeven  als  beeldenreeks.  Wie deze met inachtneming van de innerlijke zielsbeweging na- en meeleeft, die ziet: Wat inhoudelijk- begripsmatig wordt gezegd, voltrekt zich daarin als zielsontwikkeling en –ontplooiing. Daarmee worden we überhaupt attent op een principe dat we nodig hebben als wij Rudolf Steiner willen lezen.  Men zou bijvoorbeeld kunnen denken, en dat is ook niet fout maar eenzijdig, dat men de grondgedachte of grondgedachten van een teksteenheid zou moeten bevatten,  begrijpen en zich eigen maken en dat in verbinding proberen te brengen wat daarmee  in samenhang staat of daarmee in tegenspraak is. Dat is een opvatting die meer van het denken en het begripsmatige uitgaat. Een andere mogelijkheid is nu echter dat men meer op het compositorische let, dus daarop hoe elke ingedeelde eenheid in een tekstgeheel ingevoerd is die een kunstzinnig opbouw heeft. Men maakt daarbij wonderlijke observaties over de kunstzinnige invallen.  Maar ook deze manier om zich met een tekst bezig te houden is nauwelijks minder eenzijdig dan de eerste. Beide echter, het compositionele én het bevatten van iets fundamenteel oerbeeldachtigs verbindt men pas, indien men ziet hoe Rudolf Steiner door het formele van de tekstweergave aanspoort om een innerlijke gang door de ziel te maken. Doordat men begrijpend van één bewustzijnsgestalte naar de ander wordt geleid, vermag men een verandering in zichzelf te beleven. Dit observeren en meevormen van een ontwikkelingsweg, waarop Rudolf Steiner ons wil leiden door inhoud en compositie, is eigenlijke het wezenlijke in het omgaan met zijn teksten.

            Nogmaals hier ter bezinning de eerste zinnen van het hoofdstuk:

             “De myste zocht in zichzelf krachten, hij zocht wezenheden in zichzelf op die de mens onbekend blijven zolang hij in de gewone levensopvatting vast zit. De myste stelt de grote vraag naar  zijn eigen geestelijke, boven de lagere natuur uitgaande krachten en wetten.  De mens met de gewone, zintuigelijk-logische levensopvatting schept zich Goden of, wanneer hij tot het inzicht van dit scheppen komt, dan loochent hij ze. De myste onderkent dat hij Goden schept, waarom hij ze schept; hij is om zo te zeggen achter de natuurwetmatigheid van het godenscheppen gekomen.” (IV,66)

            Omdat wij het zelf zijn die met onze eigen krachten de mythische beelden genereren, wordt aan hen geen objectieve waarheid meer toegekend. De myste beleeft aanvankelijk hetzelfde. Alleen met zijn eigen innerlijke activiteit kan hij zich verbinden met de geestelijke wereld.  Maar juist vanuit dit bewustzijn van de activiteit wordt hij zich bewust van hun objectiviteit. Dat is in die tijd een directe belevenis. Inzien waarom dat zo is, kan men eigenlijk pas tegenwoordig op grond van de kenniswetenschap van Rudolf Steiner. “De in hem werkende krachten” zijn tegelijk de krachten van zijn eigen ziel,  zoals de krachten van de goddelijke wezensheden die de schouwplaats van deze ziel betreden. De reeks van de negen mythen is geen toevallige maar zegt in de vorm nog eenmaal wat de inhoud zeggen wil, c.q. wil de aandachtige lezer aansporen om de beelden in deze volgorde te ontwikkelen en in de ontwikkeling van deze beeldenreeks zichzelf te observeren wat voor een innerlijke observatiegang, wat voor een kennis-euritmie hij doormaakt in het kennen van deze beeldgebaren en in het overbrengen van een beeldgebaar naar de andere. Het hoofdstuk sluit met een betoog over de Eleusinische mysteriën.

            “Zoals de botanicus de plantengroei bespiedt om de wetmatigheden daarvan te vinden, zo wilde de myste de scheppende geest bespieden. Hij zocht een waarheid, een waarheidsgehalte daar waar het volk een mythe had geplaatst.” (IV,66)

            Hier bevindt zich weer een toespeling op de genetische methode, in de uitvoering waarvan men niet alleen dieper in de wereldverschijnselen binnendringt, maar ook door de uitvoering van zielsmatige bewegingen de ziel verstevigt om in zichzelf haar eigen wezen te vinden. Sallustius zegt dat de wereld in haar zijn en haar ontwikkeling de oergestalte van een mythe  heeft, namelijk de oergestalte van de openbaarmaking van het geheime, opdat een dieper geheim moge ontstaan. Hetzelfde oerbeeld van geheimvorming en openbaarmaking, dat het wereldmotief is, is ook het zielenmotief zegt Sallustius in deze opmerking.

             “Sallustius verraadt ons hoe een mystieke wijsgeer tegenover zo’n mythe stond: ‘Men zou de gehele wereld een mythe kunnen noemen, welke de lichamen en dingen op zichtbare wijze, de zielen op verborgen wijze in zich sluit. Zou aan iedereen de waarheid over goden worden geleerd, dan zouden de onverstandigen haar geringschatten, omdat zij haar niet begrijpen, en bekwamere lieden zouden haar slechts lichtvaardig opnemen; wordt de waarheid echter in de omhulling van een mythe gegeven, dan is zij gevrijwaard voor geringschatting en biedt zij een aanleiding om te filosoferen.’” (IV, 67)

            Daarmee is weer iets heel fundamenteels over de mythe en het daarin werkzame principe gezegd. Als men eenvoudig in herinneringsachtige herhaalbare voorstellingen uitlegt wat aan de mythe als ideeëngehalte ten grondslag ligt, zou dat zeer makkelijk geringschat kunnen worden.  De verhulling van de mythe, die echter onthuld wordt door eigen zielsontwikkeling, openbaart juist datgene wat bij haar wezen hoort, namelijk om de ziel in beweging te brengen.

            “Wanneer men de waarheidsgehalte van een mythe als myste zocht, dan was men zich ervan bewust dat men iets toevoegde aan datgene wat in het volksbewustzijn aanwezig was.”(IV, 67)

            Daar is weer het over de methode der kennisontwikkeling gezegde uitgesproken, de myste maakt zich van datgene bewust wat in de volksfantasie verregaand onbewust blijft. Dit verheffen van iets verregaand onbewust in het bewustzijn behoort bij de methode van de mythische ontwikkeling in de mysteriën.

            “Men wist dat men zich boven dit volksbewustzijn stelde zoals de botanicus zich stelt boven de groeiende plant.”

            U hoort altijd de liefdevolle, ironische ondertoon: Jullie huidige door het natuurwetenschappelijk bewustzijn gevormde mensen zijn eigenlijk de moderne mystici als jullie jezelf op de juiste manier zouden begrijpen, want het wezen van de natuurwetenschappelijke methode  is immers door een proces van bewustmaking dieper in de natuurverschijnselen binnen te dringen en hoger in het eigen zielenniveau op te stijgen.

            “De mens staat tegenover de zinnelijkheid, als tegenover een vijandig monster. Hij offert haar de vruchten van zijn persoonlijkheid. De zinnelijkheid verslindt ze. Zij doet het zolang tot in de mens de bevrijder (Theseus) ontwaakt.” (IV, 68)

            “Monster” is een toespeling op de Minotaurus-mythe. De mythische held Theseus is de ontwikkelaar  van Athene, waardoor eigenlijk in het bewustzijn van de Grieken de geschiedeis van de stad Athene en daarmee überhaupt de Griekse cultuur werd gegrondvest.

             “Zijn kennis spint hem de draad waardoor hij zich weer terecht vindt, wanneer hij zich in het doolhof van de zinnelijkheid begeeft om zijn vijand te doden. De myste kent dit mysterium. Er wordt daardoor op een kracht in de menselijke persoonlijkheid geduid. Het gewoonlijke bewustzijn is zich niet van deze kracht bewust. Maar die is echter toch daarin werkzaam. Zij brengt de mythe voort die dezelfde structuur heeft als de mystieke waarheid.  Deze waarheid komt in de mythe symbolisch tot uitdrukking.” (IV, 68)

            Daarmee is weer naar het principe van mythevorming verwezen waarvan in het hele hoofdstuk onder verschillende gezichtspunten sprake is;  dat een reëel proces in de ziel de vormkracht is die vanuit zichzelf beeldgedaanten produceert waardoor zich datgene uitdrukt  wat de ziel in zichzelf ervaart. De mythe is dus een levendige beeldvorming van de ziel uit oorspronkelijk vormkrachten, en niet in de zin van een allegorie of een symbool dat een zinnebeeld neerzet van iets wat reeds in de wereld voorhanden is. Dat is het belangrijke grondprincipe omwille van het begrip waarvan we ons de moeite moeten troosten.  De mythe is het voortkomen van een beeldgestalte en beeldenreeks uit reële zielsinnerlijke drijfveren en niet het toevoegen van een beeld voor iets dat al in de uiterlijke wereld voorhanden is, zoals de rationalistische mytheduiding beweert die Plato reeds afgewezen heeft.

            De Boreas-mythe (zie IV, 69) voert Plato juist tot afwijzing van een allegoriserend rationalistische mytheduiding, volgens welke de roof van de nymf slechts als fantasievol mooi beeld voor een uiterlijk voorval aangezien wordt: dat iemand door een heftige windstoot in een afgrond gestort zou zijn. Dat zou alleen een fantasievol beeld voor iets neergezet zijn wat reeds in de buitenwereld is.  Juist dat is niet het wezen van de mythevorming, maar dat innerlijke ziele-geestelijke krachten ernaar verlangen om een zintuigelijke gestalte te verkrijgen, omdat de ontwikkeling van de ziel van dit doordringen van de zinnelijkheid en zich wederom losmaken van de doordrongen zinnelijkheid afhangt. Wat in de mythe in het afzonderlijk beeld wordt weergegeven is slechts de variatie op het grondthema van de doordringing van het zintuigelijke door iets ziele-geestelijks heen, c.q. het openbaren van het ziele-geestelijke in het zintuigelijke en het wederom teruggrijpen uit dit zich openbaren. De oermythe , de mythe aller mythen is het mysterium van de menselijke kennis. Dit is in de overwinning van de zinnelijkheid uitgesproken.  De overwinning maar gelijktijdig de noodzakelijkheid van de zinnelijkheid wordt in de mythen in steeds nieuwe beelden uitgesproken.  Wat als eenheid gevend principe van deze beelden doorheen loopt is de merkwaardige overeenstemming van de geestelijke doordringing van buiten en binnen.


[1] Er is hier geen verklarende voetnoot in de Duitse uitgave. Herbert Witzenmann heeft de Logos van de taal, die hij de “Egomorfose van de taal noemt”,  verder uitgewerkt in een verhandeling onder de titel “Die Egomorphose der Sprache” in zijn essaybundel Intuition und Beobachtung , deel II en in zijn boek Die Egomorphose der Sprache – Grundzüge einer neuen Sprachmorphologie. Daarin noemt hij die twee polariteiten die in elke zin als uitdrukking van het menselijk Ik in verschillende mate voorhanden zijn Fassung (vatting)  en Haltung (houding).  Eerstgenoemde is verbonden met het objectief waarneembare, laatstgenoemde met het subjectief voortgebrachte maar niet minder objectief begripsmatige.

VII. “Wanneer wij de hieronder gekarakteriseerde zielenbewegingen meemaken, wandelen we op de ‘heilige weg’ die naar de Eleusinische mysteriën voert.”


De mythebeelden in hoofdstuk IV zijn metamorfosen van het ene grote dramatische gebeuren, waarin de zielenwereld wordt beleefd tussen twee werelden: de zintuigelijke wereld en de geestelijke wereld.

            1. De sage van Theseus- (IV, 67) is een soort oerbeeld van de mythe – die mythe waardoor uitgesproken wordt dat in de overwinning van de uit de zintuiglijke wereld opduikende Minotauruskrachten in het eigen organisme de overwinningskracht wordt verkregen, waardoor een bewuste ingang in de geestelijke wereld mogelijk is.

            2. De mythe van Boreas (IV, 69): De in de wind bruisend kracht is de strevenskracht die in de zintuigelijke en de geestelijke wereld is geplaatst.  Deze is eigenlijk, volgens haar eigen wezen naar iets hogers, iets geestelijks toegewend, maar wordt door datgene wat uit het zintuiglijke, uit het eigen zintuiglijke organisme opstijgt in verzoeking gebracht  het hogere te beroven en in het hol van het eigenbelang te slepen.

            3. De mythe van Plato (IV, 70): Verder beleeft  de ziel zich tussen de twee paarden, het goede en het koppige, en het komt er op neer of zij tussen beide paarden de juiste bestuurder is, dat ze zich nog door het koppige paard laat misleiden en nog door het niet-koppige  alleen  laat leiden, maar tussen beide het juiste midden vindt. Deze belevenis van de middenvinding tussen beide krachten, de evenwichtskracht, is de derde stap op de weg van de myste, waarop Rudolf Steiner ons hier voert. 

            4. De gelijkenis van Boeddha ( IV, 70; V, 88-92): De veelheid van de zintuigen kan de mens boeien, knevelen; het basisverlangen  van de ziel naar de zintuiglijke wereld probeert hem de kop af te slaan. Maar in het overwinnen van deze gevaren verzamelt hij levenservaringen (strohalmen, bladeren en takken voor het vlechten van een korf) die individuele vaardigheden worden en hem met haar verworven krachten de geestelijke wereld binnendragen.

            (De alinea’s over Empedocles (IV, 72) behoeven een speciale beschouwing.) 

            5. Osiris (IV, 71; V, 84): Door ontwikkeling van de onsterfelijkheidskracht in zichzelf en overwinning van zijn eigen aan de dood verwante natuur kan de mens zich met het geestelijke in de gehele wereld verbinden en het in deze verbinding in zichzelf verlossen. Wat voorheen uit de levenservaring en de wereldervaring als het individueel eigene van de mysten voortkwam, openbaart zich nu in zijn beleven als de onsterfelijkheid van zijn eigen ziel, waardoor hij zich met de onsterfelijkheid in de gehele wereld verbindt en het evenzo verlost, als hij het in zichzelf verlost.

            6. Heracles (IV, p. 74): Elke van de 12 werken is wederom een innerlijke overwinning van de ziel, en in de twaalfheid van deze overwinningen wordt de ziel in de eeuwige universaliteit van de wereld geplaatst. Het zijn twaalf overwinningstoegangen tot de universaliteit van het universum. Elke overwinning is overwinning van een boei, een binding en daarmee het bevrijden van een verenigingskracht. Deze twaalfvoudige kracht  van de wereldvereniging die in zekere mate uit twaalf opgebroken uitgangen stroomt, is het wat de ziel op deze trede beleeft.

            7. Argonauten (IV, p. 75): Wederom een nieuwe trede van het innerlijke zielsmatig beleven en herinneren, maar steeds weer is het hetzelfde motief van de ziel tussen  de zintuiglijke en geestelijke wereld, echter juist alleen met het bewustzijnsvermogen dat de mens in het fysieke verkrijgt. De verlokkingen  en gevaren daarvan overwinnend kan hij zijn hogere wezenheid bereiken en zich eigen maken. Hij kan zich van die geesteskracht, die hij onbewust in de achtergrond van zijn aan het zintuigelijke gebonden bewustzijn ontwikkelt, bewust maken en beginnen om zich van zijn eigen hoger wezen bewust te worden. Wat voor kracht is dat die in de achtergrond van het zintuiglijk gebonden bewustzijn sluimert, maar gewekt kan worden? De verbeeldings- oftewel imaginatiekracht. 

            8. Prometheus (IV, p. 77): Op deze innerlijke zielsontwikkelingsweg, die voor ons in deze mythische beeldenreeks wordt beschreven, treedt op een bepaalde plaats het onsterfelijkheidsbewustzijn op, namelijk in de mythe van Osiris en al aanduidend in die van Boreas. Nu wordt niet van het onsterfelijkheidsbewustzijn maar van het onsterfelijkheidsgebeuren binnen de ziel gesproken. Dat is het geheim waarvan Prometheus niet alleen weet heeft, maar dat hij dit onsterfelijkheidsgebeuren beleeft dat zich in de ziel afspeelt, wanneer zij de inspiratiekracht verkrijgt.

            9. Odysseus (IV, 20, 79): De mythe van de mens die de wereldreis maakt, de grote wereld- en zelfervaring, die hem ertoe voert de hoogste aller krachten in zichzelf tot ontwikkeling te brengen: de kracht van de vereniging en echtverbintenis met het goddelijk-geestelijke weergegeven in de gestalte van Penelope, van wie hij lang gescheiden was. Zij staat niet zoals de zintuiglijke wereld uiterlijk de wereld tegenover maar is in staat tot de innerlijkste wezensuitwisseling met de wereld te komen (Intuïtiekracht). 

            Wanneer wij de gekarakteriseerde zielenbewegingen meemaken, wandelen we op de “heilige weg”. Het is de weg die naar de Eleusinische mysteriën voert, waarvan daarna sprake is. (IV, 28, 83) 

woensdag 13 oktober 2021

X - "Demeter, de Aardegodin, de Godin der vruchtbaarheid die de mens met de aarde de drager van zijn lichamelijk-fysiek bestaan verleent, waardoor hij een mensenwezen, een individueel wezen in de volste zin van het woord kan worden."

 


1. Rudolf Steiner begint de reeks mythische beelden met Theseus, de overwinnaar van de Minostaurus, het monster dat in de ondergrond van onze ziel huist en huizen moet, omdat wij het nodig hebben. Het monstrueuze is de afsnoering van het ziele-geestelijke van de oerwereld. Wij hebben er echter behoefte aan om zelfstandig en individueel te worden. Het is een weg die in het monstrueuze, in de dood leidt, maar juist dan, wanneer  bij het naarbinnen gaan in het monstrueuze de moedkracht niet verslapt. Het eerste beeld wijst op de overwinningskracht in ons wezen, dat zich echter pas in de overwinning op het monstrueuze vol ontwikkelen kan.

2. De sage van Boreas  wijst op de krachten in onze ziel die het geestelijke begerig wil oppakken en grijpen, maar als zodanige haastig oppakkende, rovende krachten in zichzelf ook de natuurlijke mogelijkheid hebben om veredeld te worden in de krachten van de innerlijke transformatie van de ziel. Overwinningskracht wordt, wanneer we die in de daarin liggende ontwikkelingsmogelijkheid volgen, daarover mediteren, zoals het in zulke beelden gebeuren kan, tot transformatiekracht en gaat dan over in de evenwichtskracht, zoals die in de

3. Mythe van het zielenspan door Plato weergegeven wordt. Overwinningskracht kan evenwichtskracht worden die ervoor behoedt om in de zintuiglijk wereld naarbinnen gerukt te worden. Dat zijn de krachten die reeds door de natuurlijke kant van ons wezen, dus van het lichamelijke vandaan voorbereid, in ons als aanleg voorhanden zijn.

4. In de gelijkenis van Boeddha wordt van de levenservaringen gesproken die de mens op zijn weg door de zintuiglijk wereld maakt en die hem uiteindelijk over de stroom in de geestelijke wereld voeren. Het is de levenservaringskracht die over de stroom komt, wanneer ze met overwinningskracht en transformatiekracht uitgerust wordt. 

5. Wie over de stroom komt, weet nu wat de diepste inhoud van de levenservaring is, datgene waarvan het hele boek spreekt: de doorgang door de dood als bron van de individuele onsterfelijkheidskracht. De mens kan zijn individuele onsterfelijkheid alleen verkrijgen, wanneer hij door de dood gaat en de doodskrachten bedwingt en transformeert in de opstandingskracht. Hij gaat, nu niet meer een onzelfstandig lid in de geestelijke wereld, de geestelijke wereld in en weet van zichzelf daarin als individueel wezen ingeboren te zijn.

6. Die mens die van zichzelf weet in de doorgang door de dood door zijn opstandingskracht in de geestelijke wereld ingeboren te zijn, beleeft zijn totaalbestaan in het universum (“De Filosofie van de vrijheid”), dat is Heracles.

7. De mens die zijn totaalbestaan in het universum beleeft, vermag dat op grond van het hogere schouwen dat hij verkregen heeft op de stations van deze weg. Hij ontwikkelt de imaginatiekracht, waarvan de sage van de Argonauten in wonderbaarlijke beelden spreekt, doordat hij juist als een individuele en niet alleen instinctief schouwende in de geestelijke wereld binnentreden kan met de krachten die hij in de zintuiglijke wereld heeft verkregen. Daarmee kan het Gouden Vlies, de hogere wijsheid van de mens, herwonnen worden, nadat hij  die door zijn gang in de individuatie verloren heeft. Maar zij kan weer verkregen worden als individueel bezit; dat is de imaginatiekracht. 

8. Het geheim van Prometheus bestaat daarin dat zich met de menselijke ziel iets goddelijks verenigt en daardoor juist de zin van de menselijkheid  alsook van de goddelijkheid geboren moge worden. De vereniging van het goddelijk-geestelijke met het individuele noemt men inspiratiekracht 

9. De Odyssee spreekt van het hoogste schouwvermogen dat de mens ontwikkelen kan, de intuïtie waarin zich de intuïerende niet alleen in het eigen wezen beleeft, maar in het andere, alsof hij dit wezen zelf zou zijn. Het komt tot een wezensopenbaring in het eigen wezen, dus zonder verlies van de zelfstandigheid en deze weg van de intuïtie, tot de vereniging met een ander wezen, is de weg van Odysseus naar Penelope.


De weg begint met de overwinning op het monstrueuze dat in onze lichamelijke wezenheid huist en voert van de lichaamsmens tot aan de geestesmens. Daarmee staan wij voor de poort van Eleusis.  Deze weg is niet alleen een weg van de mens, maar eigenlijk van de menselijke onsterfelijke individualiteit door de gebieden van zijn eigen wezen, van de laagste tot aan de hoogste gebieden. Wie de heilige weg van de ziele-geestelijke ontwikkeling ging, kwam naar  het geestelijke Eleusis. En wanneer we het fysieke gebied beschouwen, bereikte hij de plaats waar dichtbij zee de heiligdommen van Eleusis stonden, in het aangezicht waarvan zich de zeeslag van Salamis afspeelde. Daar kunnen we ons vorstellen hoe in de verwachting van deze slag een jonge Griekse generaal naar de mysterieplaats kwam om raad in te winnen en naar de uitkomst van de slag te vragen. De mysteriewijze antwoordde hem: Vraag niet aan mij; het antwoord ligt in jouw wezen; de slag zal jouw inwijding zijn; je hebt je voorbereid, en als je jouw moedkracht niet verliest en je ervan afziet om een voor uiterlijke oren hoorbaar woord te vernemen, zal je zegevieren ook als je het onderspit delft.

            “Het grote werelddrama”, deze woorden komen we steeds weer tegen in dit wonderbaarlijk boek. Het is uiteraard een boek over het grote werelddrama. Onder steeds nieuwe gezichtspunten is steeds  weer van hetzelfde sprake: het grote werelddrama. De essentie daarvan is dat het zowel een drama van de menselijke ziel alsook van Godswezenheid is; het is het drama van het individueel-worden. Individueel worden kan de mens als ziele-geestelijk wezen alleen wanneer hij zich losmaakt van de goddelijk-geestelijke oerwereld, wier onzelfstandig lid hij voorheen was. Deze losmaking is alleen mogelijk, wanneer het scheidende, het monstrueuze in de wereld komt en de mens zich daarmee uiteenzetten kan, wanneer hij de weg door de dood gaat om juist daardoor de onsterfelijkheidskracht van de opstanding te verkrijgen. Dat is het grote drama beschouwd onder het gezichtspunt van de mens. Het is echter tegelijk, beide horen onafscheidelijk samen, een goddelijk drama, want de Godheid in de mens, het goddelijk-geestelijke dat besloot om de mens een zelfstandig individueel wezen te laten worden, ervaart doordat het meegaat in de dood en de opstanding iets wat voorheen niet mogelijk zou zijn geweest: het kan zelf zich in vrije wezens, vrije mensen op een nieuwe, voorheen niet mogelijke wijze openbaren. Dit werelddrama heeft dus een grote en een kleine kant, al naar gelang het onder het aspect van de goddelijk-geestelijke wereld (”Grote mysteriën” in september) of van de mens (“Kleine mysteriën” in februari)  wordt beschouwd. De Kleine mysteriën vonden meer plaats onder het aspect van Demeter (de Godheid die de aarde met haar vruchten beschikbaar stelt), de grote onder het aspect van Dionysos, het Godswezen dat zelf in het drama van de dood en opstanding binnengaat.

            “De symbolische presentatie van het wereld- en mensendrama was de slotakte van de mystenwijdingen die hier uitgevoerd werden.” (IV, 82).

            Het wezenlijke van deze mystenwijdingen wordt met steeds nieuwe wendingen beklemtoond: In de mysteriedrama’s werd op volbewuste wijze weergegeven dat het lot van de mens en de Goden op innigste wijze elkaar verslinden. Demeter, de Aardegodin, de Godin der vruchtbaarheid die de mens met de aarde de drager van zijn lichamelijk-fysiek bestaan verleent, waardoor hij een mensenwezen, een individueel wezen in de volste zin van het woord kan worden; Demeter heeft aanvankelijk  de intentie, indien men bij zulke wezens van intentie spreken kan, om de mens de onsterfelijkheid te geven als een soort natuurgeschenk.  Dat lukt echter niet, dat moest niet zo zijn. De mens moet deze onsterfelijkheid verkrijgen door de doorgang door de dood, door het neerdalen in de onderwereld, door steeds nieuwe incarnaties, door zijn levenservaringen en de innerlijke transformatie daarvan. Dat is de zin van de mythe van Demeter-Persephone en het eten van de granaatappel.

            “Het is makkelijk om de zin van de mythe van Demeter-Persephone te achterhalen. Wat afwisselend in de onder- en bovenwereld is, dat is de ziel. De eeuwigheid van de ziel en haar eeuwige transformatie door geboorte en dood heen wordt beeldend weergegeven. Uit het onsterfelijke, uit Dementer stamt de ziel. Zij is echter door het vergankelijke ontvoert en zelf bestemd tot deelname aan het lot van de vergankelijkheid. Zij heeft van de vrucht in de onderwereld genoten: de menselijke ziel is met het vergankelijke verzadigd; zij kan derhalve niet in de bovenwereld van het goddelijke blijven wonen.”(IV, 83)

            Zij is iets eeuwigs door de eeuwige transformatie. Zij is in alle transformaties zichzelf alleen dan, wanneer ze daarbij voortdurend op iets eeuwigs blikt. Van transformatie, van verandering te spreken zonder een blik op de eeuwigheid is onmenselijk.

            “Zij moet steeds weer terug naar het rijk der vergankelijkheid.” (IV, 83)  

            Dat kan überhaupt niet genoeg benadrukt worden. Zelfstandigheid leren kan de ziel alleen in en door de zintuiglijke wereld. In die zin is ook natuurwetenschap, in wier teken Rudolf Steiner dit boek geheel bewust heeft gesteld, een lerares van de menselijke ziel ten behoeve van zelfstandigheid. Maar waarop het hier aankomt is dat de ziel, doordat ze zich aan deze pedagogie van de zintuiglijke wereld bloot stelt, zich niet vergeet, d.w.z. zij vergeet zich steeds en vergeet de terugkeer (Metanoia) en wanneer ze die niet verricht, dan worden de vruchten van de levenservaringen de buit van het monstrueuze dat in de diepe grond van de ziel huist.

            “Demeter is de vertegenwoordigster van datgene wezen, waaruit het menselijke bewustzijn is ontsproten; maar bij dit bewustzijn moet men zich voorstellen hoe het heeft kunnen ontstaan door de geestelijke krachten van de aarde.  Demeter is dus de oerwezenheid van de aarde; en de begaafdheid van de aarde met de kiemkrachten der veldgewassen door haar wijst alleen op een nog diepere kant van haar wezen.” (IV, 83)

            Demeter, de Aardegodin, die voor de mens het onderwijs door de zintuiglijke wereld mogelijk maakt, bekwaamt de mens met de vruchten der aarde, zonder het genot waarvan hij zijn levenservaringen niet kan maken.. De rijpste vrucht der aarde kan de mens echter niet verkrijgen als een geschenk, maar door die in zich zelf te doen rijpen, door de verdere ontwikkeling van de aan de zintuiglijke wereld geleerde zielenkrachten.

            “Dit wezen wil de mens onsterfelijkheid  geven. Demeter verbergt ’s nachts haar pleegkind in het vuur. Maar de mens kan het louter geweld van het vuur  (van de geest) niet verdragen. Demeter moet van haar afzien. Zij kan slechts een tempeldienst stichten waardoor de mens, voor zover hij het vermag, het goddelijke deelachtig kan worden.” (IV, 83)

            Alleen door zelfonderwijs kan nu eenmaal de mens deze vruchten van de inwijding verkrijgen.

            Demeter, die de ondergrond geeft waarop de mens kan staan – de aardegrond – bereidt daarmee de menselijke wezenheid en de ziel zo voor – dat ze individueel kan worden, en geeft zo het Godswezen weer de mogelijkheid in deze mensenziel in te sterven en (wanneer door innerlijke ontwikkeling de opstanding geschiedt) de opstandingskracht in een de enkele ziel overtreffende Godsbewustzijn te verzamelen.

            Het wereld-mensen-drama werd door Rudolf Steiner reeds eerder in aansluiting aan het platonische Timaeus aangeduid (III, 59). Het is eigenlijk het kennisdrama, men zou ook kunnen zeggen, in het kennisbeleven wordt voor de mens de zin en het wezen van deze mensen-wereld-dramatiek duidelijk.  Het drama van de menselijke kennis is eigenlijk de oermythe die aan alle andere mythen ten grondslag ligt. Want wat beleeft en observeert de mens die zich in de zin van de Filosofie van de vrijheid door zielenobservatie, introspectie het kennisproces tot bewustzijn brengt? Hij beleeft zich daar als een geestelijk, ideëel wezen dat de zintuiglijke wereld tegenover staat. In het kennen verbindt hij het denkachtig-geestelijk-ideële met dit zintuigelijke. En daarbij beleeft hij hoe dit geestelijke in de zintuiglijke wereld insterft en daarbij “verlamd”. Het begripsmatig-ideële is een ongemeen vloeiend en bewegend iets. Mensen beleven het begrip meestal niet werkelijk als begrip, maar alleen zijn verlamde toestand in voorstellingen. Het beleefde, in een wakkere blik bevat begrip is het meest levendige waarvan we ons bewust kunnen worden. Het openbaart zijn levendigheid doordat het meteen met anderen zou willen samensmelten en in de totaliteit van het geestelijke rijk, waarin er alleen samenhang bestaat, zou willen voeren ook doordat het soortkarakter heeft (voor een talloze aantal  fysieke wezenheden bestaat er slechts één begrip).  Deze begrippen kunnen de meest uiteenlopende gestalten aannemen; ze zijn van een onbeperkte vloeibaarheid en kneedbaarheid tegenover de wezens die ze ordenen en vormen. Ook in hun eigen gebied zijn ze vloeibaar, omdat het tot hun eigen wezen behoort om met andere begrippen naadloos samen te smelten. In principe zijn er geen veelvoud van begrippen en ideeën. Men moet zich daar steeds weer aan de woorden van Goethe herinneren: “De idee is eeuwig en uniek, van ideeën te spreken  is niet welgedaan.” De ideeënwereld is een zich in voortdurend innerlijke beweeglijkheid bevindende oneindig organisme van vormen en gestalten, en aan dit organisme nemen wij door onze denkactiviteit wilsmatig deel.  In ons denken kunnen wij deze heerlijke wereld beroeren. Wij kunnen in onze levenservaring met deze wereld vooreerst iets aanvangen, wanneer we die doen verwelken, die in de starre contour van voorstellingen doen verlammen. Waar een zodanig wezen van de geestelijke wereld met een wezen van de zintuiglijke wereld op elkaar stoten, hebben we bij voorbeeld niet meer de “lepel” in de oneindige veelvormigheid  die deze als begripsmatig wezen eigen is, maar de voorstelling van een grote en een kleine, een zilveren of een houten lepel. Daar is de oneindige veelvormigheid in de enkel voorstelling verstorven of verlamd.  Het insterven van het geestelijk-ideële in de waarneembare zintuiglijke wereld is een van de basiservaringen van de kennisweg.

            Maar bij dit insterven maken wij ook de ervaring van het wereldwordingsproces, doordat uit de veelheid van de aanvankelijk ongeordende stoffelijkheid door de ingreep van de geestelijke vormgevingskracht onze natuurlijke wereld opgebouwd wordt, tot aan de sterren opwaarts en tot aan het grootste en tegelijk meest tragische kunstwerk, de schepping van het menselijke lichaamsorganisme. Door het insterven van het geestelijke in het stoffelijke wordt dat geordend. Dit werk van het goddelijk-geestelijk komt in de menselijke lichamelijkheid aan het einde van zijn weg. Daar gaat het nu niet meer verder, indien de mens zelf niet de verdere ontwikkeling van de wereld in zichzelf verricht, indien hij uit het insterven van het geestelijke in zijn wezenheid niet de kracht ontwikkelt om in deze doodservaring zich als een zelfstandig wezen te beleven, dat nu niet meer met de geest begiftigd is, maar dat vanuit de in het nulpunt van zijn bestaan bevatte innerlijke activiteitsdaad het geestelijke weer kan doen ontstaan: Dat gebeurt wanneer hij het kennisproces in zichzelf observeert, wanneer hij mediteert over het kennisproces als de oermythe. In alle echte mythen kunt u onderkennen dat het slechts metamorfosen, slechts voorbeelden, wijzigingen van deze oermythos zijn.

 

Toevoeging:   In het menselijke lichaamsorganisme komen de hiërarchische machten aan het einde van hun scheppingswegen, het goddelijk-geestelijk wordt daarin verlamd. Maar juist door het ten-einde-kommen ontstaat de impuls van de vrije individualiteit die zich in de doorgang door de doodsbelevenis weer vrij met de geestelijke wereld kan verbinden. Dit werelddrama waarin de individuele onsterfelijkheid door de doorgang door de dood ontstaat – dat is het paradoxe geheim van deze oermythe – reproduceert de mens in zijn kennen. En het betekenisvolle van het huidige werelduur is dat de mens door het observeren van zijn kennisproces vanuit het gewone alledaags bewustzijn naarbinnen turen kan in de hoogste geheimen van de wereldwording. Zoals de hiërarchische scheppingsmachten tegenover het stoffelijk gebied van de wereldwording gestaan hebben, en die in gang kwam door de ingreep van het geestelijke in de oerstoffelijkheid, zo staat bij het menselijke kennisproces het doorlichtende vormgevend denken in zijn ordeningskracht tegenover de ongeordende stoffelijkheid van het waargenomene. De levenswereld van het denken duikt in de waarnemingswereld die door de zintuigen overgedragen wordt. Bij het induiken dat door middel van ons organisme gebeurt wordt het levende denken verlamd tot de dode abstractheid van onze voorstellingen. Maar juist uit deze verlamming in de dode voorstellingen ontwikkelen wij de individuele kracht om ons denken weer te doen herrijzen. En dit uit de dood geregenereerd denken gaat dan over in de vaardigheid van het bovenzinnelijke schouwen. In die zin is de oermythe de mythe van het kennen.

            Na dit geweldig overzicht over de antiek mysteriewijsheid vestigt Rudolf Steiner in het 5de hoofdstuk, dat in de diepste mysteriën van het christendom voert, zijn aandacht op een bijzonder gebied: de Egyptische mysteriewijsheid. De zeven alinea’s beschreven weer een soort heilige meditatieweg, maar op een andere wijze dan de negenvoudige weg naar Eleusis (die met de negenvoudigheid van onze wezensdelen overeenkomt).

 

Empedocles is al eerder in verband met andere Griekse filosofen genoemd (II, 44,45; IV, 72,73). Hij verschijnt nu in zekere mate als vertegenwoordiger van de Egyptische mysteriënwijsheid. Meteen wordt nu weer het basisthema opgenomen, het mensen-wereld-drama: De mens moet de lichaamsgevangenis, de dood ingaan om daardoor de individuele onsterfelijkheid te verkrijgen (waarbij wij ons duidelijk moeten maken dat dit gewin van de individuele onsterfelijkheid in de mysteriën der oudheid alleen voorbereid kon worden met het oog op het grote gebeurtenis van het mysterie van Golgotha).

            “Het bewijs daarvoor is het zogenaamde ‘Dodenboek’ dat door de vlijt van negentiende-eeuwse onderzoekers is ontcijferd.[1] Het is ‘het meest omvattende literaire werk dat de Egyptenaren ons hebben overgeleverd’. Men vindt daarin allerlei leringen en gebeden die iedere gestorvene in het graf werden meegegeven opdat deze een wegwijzer zou hebben als hij van zijn vergankelijk omhulsel was ontdaan. Dit literair werk bevat de intiemste opvattingen van de Egyptenaren over het eeuwige en het ontstaan van de wereld. Deze opvattingen duiden doorgaans op godenvoorstellingen die gelijken op die van de Griekse mystici.” (V, 84)

            Onder de stations van de heilige weg naar Eleusis is bij de vijfde er sprake van de mythe van Osiris (IV, 71), precies in het midden van de negenvoudige weg. –

            “Als het lichaam aan de aarde wordt gegeven, in de aarde wordt bewaard, dan gaat het eeuwige op weg naar het oereeuwige.” (V, 84,85)  Het is u bekend dat in de Egyptische cultuur het van bijzondere betekenis was om de menselijke lichaamsvorm zo lang mogelijk te behouden. De zin van deze balseming van de menselijke lichaamsvorm is juist de voorbereiding van de individuele onsterfelijkheid. In die zin betekent de mogelijkst lang bewaarde lichaamsvorm een steun voor de ontlichaamde ziel.

            “Het eeuwige in de mens verschijnt voor het gerecht van Osiris, omgeven door de tweeënveertig dodenrechters. Het lot van het eeuwige in de mens hangt af van de bevinding der dodenrechters. Heeft de ziel haar zonden beleden en als zij verzoend is bevonden met de eeuwige gerechtigheid, dan komen haar onzichtbare machten tegemoet die tot haar spreken: ‘Osiris N. werd gelouterd in de vijver gelegen zuidwaarts van het veld Hotep en noordwaarts van het veld der Sprinkhanen, waar de Goden van het Groenen zich wassen in het vierde uur van de nacht en het achtste van de dag met het beeld van het hart der Goden, overgaand van de nacht tot de dag.” (V, 85)

            De menselijke ziel is bestemd om een Osiris te worden, een wezen dat in zichzelf de goddelijke onsterfelijkheidskracht beleeft. Op zijn weg naar de Osirisbelevenis moet de mens door een loutering heen gaan. Daarvan wordt zo gesproken dat dit een bad is in het meer “zuidwaarts van het veld Hotep”. “Noordwaarts van het veld der Sprinkhanen”: de Machten die alles wat zich ontwikkeld opvreten, omdat zij vijandig tegenover het onsterfelijkheidswezen staan. Voor de ziel, nadat zij zich in het heilige meer heeft gelouterd, ligt het vruchtbare veld. In het meer wassen zich ook de Goden van het Groenen welke die vruchten der aarde cultiveren die vruchten voor de eeuwigheid zijn. “Met het beeld van de harten der goden”, met dit beeld, dat in het meer der loutering weerspiegeld wordt, wassen zich de goden waarmee ook de ziel wordt gelouterd. Het hart der goden, waar zich het leven van de goddelijk-geestelijk wereld samenvat, is die goddelijk-geestelijke kracht  die aan de mens de individuele onsterfelijkheid schenkt. (V, 84 ff.) Van de ziel wordt als “Osiris N.” gesproken, wanneer ze een bloesem aan die vijgenboom is geworden die een geschenk van de Godin Demeter voor Eleusis was en waaraan daar een bijzondere verering was gewijd. “Mijn ware naam is een bloesem aan de vijgenboom.” Het is de vijgenboom  waaraan zich de door Charybdis bedreigde Odysseus vasthoudt. Hij houdt zich vast aan de boom, waaraan de ziel de onsterfelijkheid kan ingroeien. Alleen Odysseus vindt de weg in de geestelijke wereld en gaat die op.      

             



[1] Zie Lepsius, Das Totenbuch der alten Ägypter, Berlijn 1842

AANKONDIGING REEKS LEZINGEN EN GESPREKSRONDEN OVER HET CHRISTENDOM ALS MYSTIEK FEIT EN DE MYSTERIËN DER OUDHEID

Tijdens het ochtendgedeelte van de ledenvergadering van de AViN op 29 september in Driebergen/Zeist werd de 13-delige inleiding van Herbert ...