Posts tonen met het label Herbert Witzenmann. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Herbert Witzenmann. Alle posts tonen

maandag 18 oktober 2021

AANKONDIGING REEKS LEZINGEN EN GESPREKSRONDEN OVER HET CHRISTENDOM ALS MYSTIEK FEIT EN DE MYSTERIËN DER OUDHEID


Tijdens het ochtendgedeelte van de ledenvergadering van de AViN op 29 september in Driebergen/Zeist werd de 13-delige inleiding van Herbert Witzenmann (zie beeld) op het boek Het christendom als mystiek feit en de mysteriën der oudheid van Rudolf Steiner door de vertaler en uitgever Robert Jan Kelder, oprichter van het Willehalm Instituut gepresenteerd die nu hier geheel online te lezen valt, inclusief het Voorwoord van de vertaler “De Kerstbijeenkomst in 1923 als de hedendaagse metamorfose van het mysterie van Golgotha en als de organisatievorm van het nieuwe christendom”.

Als een verdere bijdrage aan de voorbereiding van het eeuwfeest van de Kerstbijeenkomst in 2023 organiseert nu het Willehalm Instituut en de publieke Facebook groep “Het Nieuwe Christendom” vanaf 8 november tot en met 20 december in het Elisabeth Vreedehuis te Den Haag een eerste reeks van 7 wekelijkse maandagmiddagsvoorlezingen van en gespreksronden over deze grandioze inleiding op dit boek, hetwelk in Nederland hertaald is onder de titel De christelijke inwijding en de mysteriën van de oudheid. Eventueel zal er nog elders in het land een 8ste bijeenkomst op 27 december plaatsvinden met gastsprekers om de 98ste verjaardag van de heroprichting van de Antroposofische Vereniging tijdens de Kerstbijeenkomst te Dornach op die dag in 1923 te herdenken. Daarna zal, bij voldoende belangstelling, een tweede reeks van 7 lezingen en gespreksrondes na de Kerst plaatsvinden om de laatste 7 hoofdstukken van Witzenmanns inleiding ten gehoor te brengen en te bespreken. (Update: deze hebben inmiddels plaatsgevonden, hoewel niet van veel belangstelling gesproken kan worden.)

Deze eerste reeks zal de eerste zes hoofdstukken van dit werk ten gehoor brengen met nieuwe diepgaande inzichten over de openbaring door Jezus Christus van de voorheen geheime mysteriewijsheid tijdens het mysterie van Golgotha, over de wezensaard van de daaruit voortgekomen oerchristelijke geloofsgemeente en over de eigentijdse  metamorfose daarvan in de stichting van een kennisgemeenschap tijdens de Kerstbijeenkomst van 1923 te Dornach ter heroprichting van de Antroposofische  Vereniging, waarbij uiteraard niet nagelaten wordt om i.v.m. vooral de zog. Boekenkwestie (de vraag naar het statutair bepaalde uitgeefbeleid van het esoterische werk van Rudolf Steiner) de dwaalwegen te karakteriseren die daarbij opgetreden en (nog) niet recht getrokken zijn. Dit zal om te beginnen voorafgegaan worden op 8 november met een inleiding van de vertaler over de hier te lande nog steeds vrijwel onbekende filosoof/antroposoof Herbert Witzenmann (1905-1988) en zijn gehele werk dat volledig in dienst staat van de antroposofie van Rudolf Steiner die hij in zijn jeugd tweemaal ontmoet heeft. Daarbij zal verwezen worden naar de trilogie van Reto Andrea Savoldelli over de activiteit van Herbert Witzenmann in het bestuur van het Goetheanum van 1963 tot 1988, met name naar deel III onder de titel “De geestelijke persoonlijkheid Herbert Witzenmann – Een bijdrage tot begrip van de Europese cultuurgeschiedenis” (www.das-seminar.ch), want daarin wordt aan de hand van een grondige analyse van het levenswerk van Witzenmann als filosoof, dichter, spreker en schrijver en dat van de grote leraar van de platonische school van Chartres, Alanus ab Insulis aangetoond dat tussen beide individualiteiten een nauwe ziele-geestelijke verwantschap bestaat, zonder overigens te beweren dat hier sprake zou zijn van een reïncarnatie. In de inleiding zal gepoogd worden aan te tonen dat Witzenmann in zijn congeniale inleiding op “Het christendom als mystiek feit en de mysteriën der oudheid” niet alleen dit werk, maar ook talrijke andere werken van Rudolf Steiner heeft ontsloten en verrijkt, zoals bv. in zijn uitwerking van de 12 maandmeditaties “De Deugden – Krachten van het nieuwe christendom” (http://deugden.blogspot.nl) en zijn vier Sociaal-esthetische Studies – Materialen ter spiritualisering van het nieuwe beschavingsprincipe, de sociaalorganica, dat door Rudolf Steiner tijdens de Kerstbijeenkomst weliswaar werd geïnaugureerd, maar dat tot nu toe nauwelijks begrepen, laat staan gerealiseerd is. Dit natuurlijk niet als bewijs dat hier de wedergeboren Doctor Universalis, Alanus ab Insulis aan het werk was, maar wel dat hier sprake is, c.q. kan zijn van datgene wat Rudolf Steiner heeft voorspeld, dat namelijk aan het einde van de 20ste eeuw Alanus samen met hem en de andere grote leraren van de school van Chartres zouden terugkeren om op talloze gebieden de antroposofie te verdiepen en die daardoor tot een culminatie te brengen om de beschaving van de barbarij te redden, uiteraard onder de voorwaarde dat het bestuur van de Antroposofische Vereniging haar taak zou volbrengen om de 15 oprichtingsstatuten te realiseren. Dit is echter nauwelijks gebeurd, daar van de 15 statuten, zoals Reto Andrea Savoldelli in deel II van zijn trilogie heeft uiteengezet, 9 daarvan buiten werking zijn gesteld dan wel niet begrepen of veronachtzaamd, terwijl hier te lande nog steeds niet datgene is gedaan wat Rudolf Steiner al bij de oprichting van de AViN in Den Haag op 23 november 1923 aangeraden heeft, namelijk om de Nederlandse statuten in overeenstemming te brengen met de statuten van de ophanden zijnde oprichting van de niet internationale maar algemene Antroposofische Vereniging tijdens de Kerstbijeenkomst in Dornach.

Na deze inleiding, die via de open Facebookgroep “Het nieuwe christendom” (https://www.facebook.com/groups/1389302741262928) online te volgen zal zijn en een thee- of koffiepauze zal er volop ruimte zijn voor (kritische) vragen en eigen bijdragen.

Op de volgende zes maandagmiddagsbijeenkomsten van 15 november tot en met 20 december zullen dus hoofdstukken I tot VI ten gehoor gebracht worden, telkens gevolgd door een pauze en een gespreksronde. Op een eventueel 8ste en laatste bijeenkomst van deze eerste reeks op 27 december, elders in het land daar het Elisabeth Vreedehuis dan gesloten is, zou dan een bezinning kunnen plaatsvinden op de vraag hoe in de resterende twee jaar de viering van een waarachtig en waardig eeuwfeest van de op 27 december 1923 heropgerichte Antroposofische Vereniging voorbereid zou kunnen worden en wat de mogelijke belemmeringen zijn die dat tot nu toe hebben verhindert of zelfs tegengewerkt, ja de bange vraag of de huidige leiding wel in staat en bereid is de inzichten te aanvaarden die tot een herbeleving van de Kerstbijeenkomstimpuls in 2023 kunnen leiden of dat tenminste hier te lande een geheel nieuwe sociaal lichamelijkheid nagestreefd dient te worden voor de inwoning van het hemelse nieuwe christendom op aarde. (Update: Deze 7 live bijeenkomsten hebben inmiddels plaatsgevonden en zijn (behalve de laatste) op YouTube te zien. Een voortzetting vond niet plaats.)

De tweede reeks van de laatste 7 hoofdstukken, waar uit de 9 Griekse, Egyptische, Boeddhistische mythen en Bijbelse  vertellingen die Rudolf Steiner in zijn boek aan de orde stelt, de negen- en zevendelige wezensdelen  van de mens ontsloten worden, zal bij voldoende belangstelling na de Kerst plaatsvinden.

Toegang tot dit gebeuren van 08/11/2021 tot 20/12/2021 in het Elisabeth Vreedehuis, Riouwstraat 1, 2585 GP Den Haag, dat begint om  14:30 en eindigt om  17:00 uur  met een tussenpauze, is gratis, wel wordt er om een vrije onkosten-bijdrage gevraagd. Een werkvertaling van de 13-delige inleiding van Herbert Witzenmann zal tegen kostprijs van 10 Euro aangeboden worden. Graag i.v.m. de ruimte zich aanmelden op willehalm@gmail.com. Meer informatie verschaft de initiator R.J. Kelder op 06-23559564. (Wijzingen voorbehouden.)  

donderdag 14 oktober 2021

De Kerstbijeenkomst in 1923 als de hedendaagse metamorfose van het mysterie van Golgotha en als de organisatievorm van het nieuwe christendom - Voorwoord van de vertaler bij de 3de editie

“Wat de code van Manu was voor het oud-Indische volk

En de wet van Mozes voor het Israëlitische volk,

Dat zijn Rudolf Steiners statuten van de Kerstbijeenkomst 1923

Ter heroprichting van de Antroposofische Vereniging

Voor het ware christendom  van de toekomstige 6de cultuurperiode.”

 

Motto van het videoverzoek van de vertaler “Ter herstel en verwezenlijking

 van de statuten van de Antroposofische Vereniging” aan de Ledenvergadering

van de Algemene Antroposofische Vereniging aan het Goetheanum op 27 maart 2021[1]

  

Voor u, waarde lezer(es) ligt een derde gecorrigeerde en aangevulde, digitale versie van een werkvertaling[1] van de 13-delige inleiding van Herbert Witzenmann op het boek Das Christentum als mystische Tatsache und die Mysteriën des Altertums van Rudolf Steiner, een inleiding die, samen met dat boek zelf, als Deel 7 van de Geesteswetenschappelijke Werkuitgave van Rudolf Steiner voor het eerst in 1998 door de Uitgeverij Gideon Spicker in Duitsland werd uitgegeven, waarna in 2005 er een tweede uitgave volgde. In het Nederlands is Rudolf Steiners boek beschikbaar, niet als Het christendom als mystiek feit en de mysteriën der oudheid, zoals de eigenlijke vertaling van de titel luidt, maar als De christelijke inwijding en de mysteriën van de oudheid.[2]

            In het Aanhangsel zijn er bovendien twee essays van Herbert Witzenmann uit 1968 aan deze publicatie toegevoegd die nader ingaan op zijn geesteswetenschappelijke motieven om niet toe te stemmen met het meerderheidsbesluit van zijn bestuurscollega’s van het Goetheanum op 9 januari 1968 om de edities van de Rudolf Steiner Nalatenschapsvereniging, zonder de in de centrale midden-paragraaf 8 van de oprichtingsstatuten van de Antroposofische Vereniging aangegeven zog. Aantekening van de Vrije Hogeschool, voortaan in het Goetheanum te verkopen, iets wat in de geschiedenis van de Antroposofische Vereniging bekend is geworden als “de boekenkwestie”, hoewel het eigenlijk, zoals deze inleiding duidelijk maakt, als een Hogeschoolkwestie dient te worden gezien, die verre van opgelost is.[3]

            In deze weergave van zijn wekelijkse inleidingsvoordrachten op de antroposofie, die Herbert Witzenmann als bestuurslid van de Algemene Antroposofische Vereniging van 5 februari tot 1 juli 1968 aan het Goetheanum heeft gehouden, komt het woord “boekenkwestie” niet voor en het woord “Kerstbijeenkomst” slechts een paar keer, maar het kan de oplettende lezer(in) uit deze inleidingen zonder meer duidelijk worden dat het niet geheel ongepast is om te zeggen dat met dit boekenbesluit een soort modern mysterieverraad werd gepleegd. Anders gezegd:  er werd door dit boekenbesluit een diepe Anfortas-achtige wond in de sociale lichamelijkheid van de Antroposofische Vereniging geslagen, die een splitsing teweeg bracht in de door de Kerstbijeenkomst geschapen noodzakelijke twee-eenheid van veruiterlijking en verinnerlijking, d.w.z. enerzijds openbaring naar buiten van de kennis van het nieuwe christendom en het mysterie van Golgotha door het esoterische werk van Rudolf Steiner in een ontgoddelijkte wereld onder voorwaarde van de morele beschermingsparagraaf van de Aantekening van de Vrije Hogeschool, en anderzijds de vorming naarbinnen van een nieuwe kennisgemeenschap, een gezamenlijke bewustzijnsschaal voor de inwoning van hogere wezens als de eigentijdse metamorfose van de oerchristelijke geloofsgemeente, een splitsing, die alleen door het beantwoorden van de prangende Parzivalvraag “O Vereniging, wat deert U?” opgelost zou kunnen worden.       

            Zelf schrijft de auteur over dit noodlottig boekenbesluit in een brief van 11 januari: “9 januari 1968 is een datum van negatieve wereldhistorische betekenis. Aan deze dag werd, nadat het beluit daarvoor reeds vroeger vaststond, tegen mijn stem, definitief besloten, de edities van de [Rudolf Steiner] Nalatenschapsvereniging  reeds vanaf volgende week in het Goetheanum te verkopen en dit in het volgende Ledenblad bekend te maken. Toen ik dit N.N. meedeelde spoorde hij in de hem eigen activiteit direct een beraadslaging aan van vrienden die duidelijk zien wat er aan de hand is en gewild zijn om antroposofisch te handelen, daar men het nu besloten verval van de Antroposofische Vereniging niet inactief gade slaan kan…”[4]

Welnu, mijn motivatie om dit werk te vertalen en nu dus vooreerst als intern manuscript (ook online) uit te geven, een open Facebook groep te starten onder de titel “Het nieuw christendom”[5] en bovendien lezingen en gespreksronden hierover in Elisabeth Vreedehuis te Den Haag te organiseren[6] was om een verdere bijdrage te leveren aan de beantwoording van deze Parzivalvraag, waarmee ik hier te lande reeds in 1990 (!) ben begonnen door het mede-organiseren van een landelijke Michaelswerk-conferentie “Antroposofie en de kunst van de sociale vernieuwing” te Den Bosch met als studiemateriaal o.m. de allereerste werkvertaling van het baanbrekend onderzoek van Herbert Witzenmann, voormalige leider van de Sociale Sectie en die van de Jeugd aan de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschappen aan het Goetheanum, over de dynamisch driegelede structuur in relatie tot de Grondsteenmeditatie van wat vroeger de Principes heetten en nu de oprichtingsstatuten van de Algemene Antroposofische Vereniging genoemd worden.[7] Na het vertalen en presenteren van meerdere werken (ook in het Engels) van Herbert Witzenmann, zoals De Deugden – Krachten van het Nieuwe Christendom[8], twaalf maand­meditaties gebaseerd op aanwijzingen van Madame Blavatsky, een van de oprichters van de Theosofische Vereniging, en Rudolf Steiner volgde in 2012 mijn kandidatuur voor het voorzitterschap van de AViN met een “verkiezingsprogramma” onder de noemer “De mensheidsrepresentant centraal stellen”[9], gevolgd in 2014 door een tweede, eveneens vrijwel onopgemerkt en terzijde geschoven poging met een verkiezingsprogramma “De Antroposofische Vereniging als lichamelijkheid van Het Nieuwe Christendom”[10] en, om er nog maar een van vele te noemen, in 2015: “In Navolging Van Christus- Het grondvesten van Gods Rijk op Aarde middels het realiseren van de statuten van de Antroposofische Vereniging”[11]

            In Dornach werd daarmee minstens sinds 2018 begonnen met een grondig onderbouwde motie (in het Duits en ook vertaald in het Engels) aan de Ledenvergadering van de Algemene Antroposofische Vereniging aan het Goetheanum getiteld “Vertrouwen over ruïnes – ter herstel van de verloren grond waarop in de toekomst gebouwd kan worden”[12], die door moties in 2019, 2020 en het verzoek per video op 27 maart jl. “Ter herstel en verwezenlijking van de statuten van de Antroposofische Vereniging” een (voorlopig) einde hebben gevonden, zonder dat er echter veel aandacht aan werd besteed, ja over het algemeen weet men er geen raad mee.          

Maar tenminste wel in Zutphen! Daar is in het Enkidoecentrum onder de bezielende leiding van Jac Net en Christa Zon na twee jaar studie aan twee sociaalesthetische studies[13] van Herbert Witzenmann een ledengroep onder de titel “100 jaar Kerstbijeenkomst” opgericht[14] met als doelstelling om het eeuwfeest van de Kerstconferentie in 2023 in Nederland te vieren door de statuten van de AViN eindelijk in overeenstemming te brengen met de oprichtingsstatuten, die, zoals in mijn moties wordt onderbouwd, als de organisatievorm van het nieuwe christendom van de volgende 6de cultuurperiode bedoeld waren, maar die sindsdien ernstig beschadigd is en hersteld dient te worden, iets waaraan natuurlijk een gezamenlijk proces van bewustwording en sociaalorganische vormgeving vooraf dient te gaan.

            Deze publicatie kan, samen met de reeds genoemde werken van de auteur, ook een richtinggevend antwoord bieden op de vragen van Elly Beeren en Margaret van den Brink die zij als leden van hun werkgroep “Honderd jaar Kerstconferentie in 2023” in Motief van september jl. stellen, waaronder: “Zijn we ons als lid bewust van welke mysteriedaad toen door Rudolf Steiner werd voltrokken?” Want ik ken geen ander werk dat, in aansluiting bij het werk van Rudolf Steiner en de mysteriën der oudheid, niet alleen duidelijk maakt hoe en waarom Christus Jezus door Zijn lijden, dood en opstanding het mysterie van Golgotha als een nieuwe aarde en mensheid heeft voltrokken, maar dat bovendien tot bewustzijn kan brengen dat de Kerstbijeenkomst een eigentijdse metamorfose van de gebeurtenissen van dit mysterie van Golgotha is, en wel in die zin dat het “Mysterie van Dornach”, de heroprichting van de Antroposofische Vereniging tijdens en met de Kerstbijeenkomst als een moderne kennisgemeenschap een metamorfose is van de oerchristelijke geloofsgemeenschap. Dit “Mysterie van Dornach was een daad van goddelijke magie, waarin de wil van de geestelijke wereld o.l.v. van Michael met de wil van de mensheid, bijeengekomen op de bloedheuvel in Dornach o.l.v. Rudolf Steiner, verenigd werd en dat wij als actieve leden van de Antroposofische Vereniging door middel van vooral dit werk beter kunnen begrijpen en daardoor met vereende krachten kunnen trachten te realiseren. Deze verbinding van de mensheid met de geestelijke wereld kan men als de verticale lijn van het “Kruis van de Kerstconferentie” zien, terwijl “de overeenkomstige relatie” die volgens Rudolf Steiner vanuit de reële grond van de statuten geschapen moest worden met de “organisch werkzame” antroposofische organisaties, zoals de Goetheanum Bouwvereniging, de horizontale lijn van dit kruis vormt. Moge dit werk ertoe bijdragen dat men bij de viering van het eeuwfeest van de Kerstbijeenkomst in 2023 minstens zo ver is gevorderd om dit in te zien en uit te dragen als opgave voor de volgende 100 jaar.

Robert Jan Kelder

Willehalm Instituut, 18 oktober 2021



[1] Bij deze werkvertaling heb ik mij nauw aan de Duitse tekst gehouden, wat voor sommigen wellicht als “te Duits” kan voorkomen. Ik sta open voor immanente-kritiek en verbeteringen

[2] Een eerdere vertaling luidde Het christelijk opstandingsmysterie en de voorchristelijke mysteriën (4de druk 1985). De allereerste vertaling als een manuscript stamt uit 1912 onder de titel Het Kristendom als mystiek feit en de mysteriën van de ouheid (sic).Hier kan men zich afvragen, waarom de originele titel van Rudolf Steiner, die immers veel sterker is, niet behouden werd en bovendien van de alineavolgorde werd afgeweken die, zoals men zal zien een wezenlijk deel van de vorm van dit werk is. In het vervolg heb ik mij gehouden aan de originele titel.

[3] Zo worden bv. de esoterische en professionele cycli van voordrachten van Rudolf Steiner zonder deze Aantekening van de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschappen  in Nederland door een buiten de Antroposofische Vereniging opgerichte uitgeverij “Rudolf Steiner Vertalingen” uitgegeven, waardoor voor de openbaarheid niet duidelijk is dat deze werken als manuscripten voor de leden van de Vrije Hogeschool bedoeld waren en dat  men niet in discussie zal treden daarover  met lezers die niet de nodige voorkennis verworven hebben om hierover een competent oordeel te vellen. Dit uitgeefbeleid werd echter buiten boord gegooid in de hele discussie rond de millenniumwisseling over het zog. racisme bij Rudolf Steiner toen het bestuur de kritiek van een beunhaas wel serieus nam, de betrokkene dame zelfs voor een gesprek uitnodigde in plaats van aan te tonen dat deze niet de nodige voorkennis bezat om een competent oordeel over deze kwestie te vellen. Daarbij komt nog dat de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschappen in Nederland in de statuten van de Nederlandse Vereniging helemaal niet voorkomt, hoewel men volgens de oprichtingsstatuten van de Kerstbijeenkomst lid van de Vereniging wordt door iets gerechtvaardigds te zien in het bestaan van een dergelijke institutie als het Goetheanum, Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschappen. Ook het feit bv. dat leden geen initiatiefrecht hebben om moties in te dienen, maar dat dit door het bestuur wel of niet op de agenda van ledenvergaderingen werd geplaatst, toont aan dat de vorm van de Antroposofische Vereniging in Nederland ver verwijderd is van die uit 15 statuten bestaande vorm die Rudolf Steiner aan de tijdens de Kersbijeenkomst 1923 te Dornach de heropgerichte Antroposofische Vereniging heeft toevertrouwd. Om maar niet te spreken dat de scheiding tussen het van Rudolf Steiner gewenste vormgeven en beheer niet opgepakt en uitgevoerd is, waardoor de hybride AViN, net als de moederverenging in Dornach, door een gemengde koning wordt geregeerd.

[4] Vertaald uit Zur Tätigkeit von Herbert Witzenmann im Vorstand am Goetheanum, ein dokumentarische Bericht  (1963-1972) (blz. 98) van Reto Andrea Savoldelli (www.das-seminar.ch) Dit overleg, waarvan sprake is in de brief, resulteerde op 27 februari 1986 in Dornach in de oprichting van de “Arbeitskreis zur geistgemässen Durchdringung der Weltlage”, waaraan spoedig zich een groot aantal bezorgde leden, vertegenwoordigers van het Goetheanum (groepsleiders, landelijke functionarissen, sectieleiders van de Vrije Hogeschool alsook drie leiders van opleidingscentra aan het Goetheanum) zich aansloten. Herbert Witzenmann zelf werd geen lid, maar fungeerde als adviseur en schreef een aantal beduidende essays voor deze kring, zoals zijn vier sociaal-esthetische studies die in het Nederlands als manuscripten en/of online vertaald zijn. In de tussentijd is de kring met de dood van de meeste leden en geen nieuwe aanwas ingeslapen.

[5] Zie “Het Nieuwe Christendom” (https://www.facebook.com/groups/1389302741262928)  

[6] Zie de aankondiging over deze lezingen voorafgaand op dit Voorwoord die ook op het agenda van Antrovista geplaatst zal worden.

[7] Een bericht over deze conferentie is te lezen in het eerste nummer van het tijdschrift “SHOUWPLAATS – Orgaan van de Willehalm Genootschap (i.o.) voor Graalonderzoek, Koninklijke kunst en Sociaalorganica” (blz. 62), van Pasen/ Pinksteren 1991, dat vanwege gebrek aan belangstelling niet voortgezet werd. Een verkorte versie van dit bericht verscheen in “Mededelingen” van de AViN van december 1990. Dit was overigens het enige bericht dat ooit over mijn nu meer dan 30 jaar voortdurend voortgezet werkzaamheid om het werk van o.m. Herbert Witzenmann hier te lande in te luiden in de “Mededelingen” en later “Motief” is verschenen...  

[11] Zie: https://het-nieuwe-voorzitterschap.blogspot.com/2015/05/in-navolging-van-christus-het.html  Zie ook de verdere pogingen ter beantwoording van de Parzivalvraag op deze studieblog.

[13] Deze zijn: Handvest van menselijkheid – De Principes van de Algemene  Antroposofische Vereniging als levensgrondslag en scholingsweg (http://handvest-der-menselijkheid.blogspot.nl  en Vormgeven of beheren – Rudolf Steiners sociaalorganica / Een nieuw beschavingsprincipe (http://www.willehalm.nl/fonds/vormgevenofbeheren.htm ). Een belangrijke aanvulling daarop is: “Beschaving en bescherming - De vragen van de moderne beschaving en de antwoorden van de 'principes' van de Algemene Antroposofische  Vereniging”.  (https://willehalminstituut.blogspot.com/2013/10/beschaving-en-bescherming-de-principes.html )

[14] De titel van deze werkgroep werd in een brief aan het bestuur in mei aangemeld, daar het bestuur volgens de Nederlandse statuten goedkeuring aan de titel dient te geven, waarop echter nog (steeds) geen antwoord is gekomen. 


woensdag 13 oktober 2021

AANHANGSEL I. WAAROM IK HET BESLUIT VAN 14 JANUARI 1968 NIET TOESTEM


Noot vooraf van de vertaler: Dit artikel verscheen voor het eerst in de ledenbijlage van het Goetheanum, orgaan van de Algemene Antroposofische Vereniging, op 18 februari 1968 en is ook als aanhangsel 6 afgedrukt in deel I van de trilogie van Reto Andrea Savoldelli over de activiteit van Herbert Witzenmann als bestuurslid aan het Goetheanum vanaf 1963 tot aan zijn dood in 1988.

            In de  inleiding van Herbert Witzenmann op dit boek komt, zoals gezegd werd in het Voorwoord,  het woord “boekenkwestie” niet voor. Dit is omdat deze kwestie oorspronkelijk immers een interne zaak van de Algemene Antroposofische Vereniging was die derhalve niet in de wekelijkse openbare voordrachten, die Herbert Witzenmann van februari tot juli 1968 in het Goetheanum hield, thuis hoorde. Maar dat het wel degelijk indirect over de diepere wereldhistorische achtergronden van de boekenkwestie en de voorwaarden van de openbaarmaking van het spirituele werk van Rudolf Steiner in een seculiere samenleving gaat, blijkt bv. uit wat er voor het eerst in hoofdstuk IV daarover te lezen viel:

“Derhalve staat in het middelpunt van de Kerstbijeenkomst [in 1923] de heroprichting van de Antroposofische Vereniging. De gemeenschap is gegrond op de gemeenschappelijke belevenis van onsterfelijkheid en de belevenis van het ethisch individualisme.        

Daartoe behoort wederom een nieuw wereldhistorisch gebeuren van het openbaarmaken, want met de Kerstbijeenkomst, die gekenmerkt kan worden als een metamorfose van de oerchristelijke geloofsgemeenschap, hangt de onbeperkte openbaarmaking van het geestesgoed samen dat Rudolf Steiner aan de leden heeft gegeven en dat aanvankelijk nog in het omhulsel van een afzonderlijk bewustzijn gehouden was.  Voor iedereen is het toegankelijk, hoewel dit openbaarmaken alleen een zin heeft als uitdrukking van een nieuwe mysterievorming, zoals ik die gekenmerkt  heb als metamorfose van de oerchristelijke geloofsgemeente die nu juist  tot een kennisgemeenschap wordt. Alleen in samenhang met een nieuwe mysterievorming heeft het openbaarmaken een zin.”

In het volgende artikel wordt nu veel concreter op de zwaarwegende gevolgen van het meerderheidsbesluit van het bestuur op 14 januari 1968 ingegaan, dit besluit waardoor dus besloten werd om na jarenlang, onvruchtbaar overleg en zelfs een rechtszaak in 1950, ingespannen door de door Marie Steiner in 1945 opgerichte Rudolf Steiner Nalatenschapsvereniging tegen de Algemene Antroposofische Vereniging, om de edities van de Nalatenschapsvereniging ter verkoop in het Goetheanumgebouw op te nemen. Dit besluit werd niet alleen zonder toestemming van Herbert Witzenmann genomen, maar ook zonder dat twee vorige besluiten van de Algemene Ledenvergadering om de edities van de Nalatenschapsvereniging juist niet in het Goetheanum op te nemen, vernietigd werden.

            Voorafgegaan aan dit artikel in het ledenblad was een artikel van de toenmalige voorzitter van de Vereniging Rudolf Grosse onder de titel “De inspanningen om de boekenkwestie op te lossen” dat ook als aanhangsel 5 in de trilogie van Savoldelli over de activiteit van Herbert Witzenmann in het bestuur aan het Goetheanum is afgedrukt. Dit artikel wordt gevolgd door de toespraak die Herbert Witzenmann aan de Algemene Ledenvergadering van de Algemene Antroposofische Vereniging op Palmzondag in 1968 heeft gehouden die o.a. ook ingaat op de vraag wat nu de boekenkwestie met de toenmalige en nu nog kritiekere toestand van de wereld te maken heeft.            

            Hopelijk kunnen deze twee aanhangselen verder tot het inzicht bijdragen dat het eeuwfeest van de Kerstbijeenkomst in 2023 niet waarachtig kan gevierd worden zonder kennis van haar dramatische, problematische geschiedenis en de onterechte veronderstelling dat de boekenkwestie eigenlijk allang opgelost is en dat die hier aan te halen niets anders zou zijn dan oude koeien uit de sloot te halen

* * *


WAAROM IK HET BESLUIT VAN 14 JANUARI 1968 NIET TOESTEM

 In het Goetheanum ledenblad van 18 februari 1968 stond de volgende verwijzing: “Het onderaan afgedrukte essay van Herbert Witzenmann geeft op vrije wijze, met weglatingen en toevoegingen,  de inhoud van betogen weer die Herr Witzenmann in verschillende bestuursvergaderingen, ten laatst op de besluitvormende zitting van 9 januari over de boekenkwestie naar voren heeft gebracht. Daar het normaal is om aan de leden van verantwoordingsorganen in bijzondere gevallen het recht op een openbaar tegenstem toe te staan, brengen wij die hiermee de leden ter kennis. De publicatie geschiedt, evenals de bekendmaking van zijn afwijkende opvatting bij de besluitvorming van 9 januari (zie het Ledenblad van 14 januari) op uitdrukkelijke wens van Herr Witzenmann. Op de afdruk van verdere stemmen over de nieuwe regeling van de boekenkwestie wordt afgezien in de zin van de mededeling van 14 januari, volgens welke het bestuur ernaar streeft om alle vrij wordende krachten  voor positieve antroposofische arbeid in te zetten. Het bestuur aan het Goetheanum.”[1]   


I.

De  oprichtingsstatuten die Rudolf Steiner aan de Antroposofische Vereniging bij haar heroprichting heeft gegeven zijn een publiek geheim.[2] Ze zijn een wereldhistorisch voorbeeld voor hoe in een moderne gemeenschap het initiatieprincipe tot civilisatieprincipe kan worden. Want de ware kennis van de geestelijke wereld, de onderzoek ervan op grond van geesteswetenschappelijke scholing dient in deze gemeenschap de grondslag te vormen voor een verzorging van het zielenleven in individuele mensen en in de menselijke gemeenschap, voor de broederlijkheid van de samenleving en de bevruchting en vernieuwing van alle cultuurgebieden.

            In het middelpunt van deze statuten staat paragraaf 8.[3] Het aantal daaraan voorafgaande en daarop volgende paragrafen is hetzelfde. In deze paragrafen wordt met dezelfde nadrukkelijkheid de volle openbaarheid van de vereniging evenals de verborgenheid van haar innerlijk leven betoond. Want die wordt alleen op de weg van geesteswetenschappelijk scholing toegankelijk. En alleen aan een door zulke scholing verkregen voorkennis wordt een competent oordeel toegestaan  voor de publicaties van de Hogeschool, die desondanks zonder beperkingen aan de openbaarheid worden overgedragen. Openbaarheid en innerlijkheid zijn de zuilen die de poort van de Vrije Hogeschool vormen en het dak dragen dat zijn bescherming over de Vereniging welft. Dit dak zou moeten instorten als een van de zuilen zou wankelen, die het volgens het architectonische oerbeeld van Rudolf Steiner alleen gezamenlijk steunen.

            Het motief, dat als de goede genius van de publicaties van de Vrije Hogeschool de paragraaf 8 die heldhaftige klang geeft, doordringt echter de hele reeks paragrafen.  Overal is van een openbaarheid sprake, wier levenselement het verkeer met de geestelijke wereld is, van een geesteswetenschappelijke scholing en onderzoek  die in de volle openbaarheid treedt, van een vertrouwen op de geestelijke wereld dat ook binnen een uiterlijke wereld zonder begrip zich alleen op zijn spirituele grondslagen beroept, van een verzorging van het zielenleven die een ieder zonder onderscheid uitnodigt om in haar nieuw opgetrokken gebouw binnen te komen. Want de bruggenslag die in plaats van gewoonheden intuïties tot hoekstenen inzet is gelukt.

            Ter uitvoering van de daarmee gekenschetste intenties behoefde de stichters van de Kerstbijeenkomst de grootste moed. Want geen enkel van degenen die de spirituele achtergronden van de uiterlijke wereld niet erkennen, kan wat met de Kerstbijeenkomst ondernomen werd als niets anders dan onzinnig en bedenkelijk ondervinden. En allen welke die achtergronden niet tot het onderwerp van formuleringen, maar in de zin van de oprichtingsstatuten tot de richtsnoer van het leven maken, moeten met onverbiddelijke weerstanden rekenen. Alleen de jeugd, uiteraard zonder het zichzelf bewust te kunnen maken, is in principe overal en nog op de dwaalsporen van de bondgenoten van die geestesmoed. Want die heeft schoon genoeg van een leven in gewoonheden en alleen mooie worden en zoekt een echte tegenwoordigheid van de geest in het uiterlijke leven, een verkwikking van haar innerlijk leven uit de bron van bewustzijnsverandering. Op elk van hun vaandels, hoewel in letters die hun dragers vaak zelf niet kunnen duiden, staat: “Het inwijdingsprincipe moet weer beschavingsprincipe” worden.

            Deze oproep zou slechts een declamatie zijn, indien hij niet gebaseerd zou zijn op de geesteswetenschap en levenspraktijk van Rudolf Steiner. Rudolf Steiner heeft de Vrije Hogeschool tot een plaats van reële verbinding van haar leden met de geestelijke wereld gemaakt. Alleen deze reële verbinding vervult het van haar geopenbaarde, c.q. gepubliceerde, hoewel op geheime wijze, met geestelijk leven; na het achteruitgaan van deze levenskracht, zou het geopenbaarde moeten verwelken. Zolang de Vrije Hogeschool leeft, leeft derhalve ook de bescherming, waarnaar paragraaf 8, verwijst voort. Deze bescherming berust op de kracht van een spirituele gemeenschapsvorming die ook ertoe beroepen is om in een voor haar vreemde uiterlijke wereld werkzaam te zijn. De verplichting welke de leden van de Vrije Hogeschool in de zin van paragraaf 8, zoals überhaupt in de zin van de oprichtingsstatuten, jegens Rudolf Steiner aanvaard hebben, is derhalve des te serieuzer en groter des te minder ze buiten de Vrije Hogeschool begrepen en erkend wordt.

            Maar een zwaarwegende objectie moet hier gemaakt worden. Alleen zolang Rudolf Steiner, zou men kunnen inbrengen, als de legitieme vertegenwoordiger van onze verbinding met de geestelijke wereld fysiek onder ons vertoefde en in onvermoeibaar  schenkende deugd ons door de getuigenissen van dit verbond over onszelf verhief, zou de bron stromen.  Sindsdien heeft het hier opgetekende slechts nog de betekenis van een terugblik, het beschrijft wat eenmaal geweest is, niet echter een gebeuren, wiens tegenwoordigheid onder ons wij mogen beweren en opeisen.

            Aan de daarmee aangeduide opvatting  heeft de [Rudolf Steiner] Nalatenschapsvereniging haar ontstaan te danken, daaruit wil zij de rechtvaardiging van haar werkzaamheid scheppen. Haar activiteit , haar edities drukken de opvatting uit dat de spirituele, levende, niet alleen institutionele Hogeschool, zoals die door Rudolf Steiner gesticht werd, niet meer bestaat en dat degenen, die de opdracht gekregen hebben om haar voort te zetten hebben versaagd. Een onoverwinbare kloof scheidt ons heden van de tijd dat Rudolf Steiner op aarde werkte en ons verblijft, naast onze persoonlijke ontwikkeling, slechts de opgave om hetgeen hij nagelaten heeft zolang te beheren, totdat een nieuw fysiek werken op aarde voor hem mogelijk wordt.   

            Het ontstaan van zo’n opvatting  zullen degenen die nuchter om zich heen en gewetensvol in zichzelf kijken zeker niet voor onverstandig vinden. Want de resultaten van de geesteswetenschappelijke scholing zijn voor de meeste aspiranten slechts aanvankelijk en onvolmaakt van aard, zover ze überhaupt uitblijven. Wat dus ten tijde van Rudolf Steiners leven door hemzelf werkelijkheid was, kan, zo mag men vernemen, nu alleen nog onvruchtbare ideologie of zelfs een illusionair drogbeeld zijn.

            Hoe vruchtbaar het gehalte aan zelfkennis in deze opvatting ook zijn mag, zo weinig doet ze toch recht aan het Kerstgebeuren van de heroprichting van de Antroposofische Vereniging. Want deze heroprichting betrekt ook onze onvolmaaktheden op een nieuwe wijze bij haar werkkring. De spirituele kunstzinnigheid en inventieve kracht van Rudolf Steiner openbaart zich steeds weer daarin dat hij problemen in nieuwe creaties verandert en het achterblijven van het hem toevertrouwde in inspiraties van hun vooruitgang. De Kerstbijeenkomst is welzeker de grootste van deze creaties. Deze waarborgt, zolang mensen in haar geest waarachtig streven, dat de levende stroom van zijn werk ook met zwakke krachten verder naar de toekomst kan worden geleid.  Want bij de publieke geheimen van de Kerstbijeenkomst behoort een nieuwe samenhang van het individuele, het gemeenschappelijke en het bovenindividueel-geestelijke. De wegen in de geestelijke wereld zijn weliswaar voor de huidige mensen alleen in het ethisch individualisme rechtmatig begaanbaar. Ze gaan echter, wanneer ze in een eendrachtig bewustzijn monden, dat zich aan overeenstemmende opgaven ontwikkelt, verder dan in de eenzaamheid.  Van oudsher hebben mensen, die door een serieus streven zijn samengekomen, de vrome ervaring van een hoog overtreffende geestelijke aanwezigheid in hun kring kunnen maken. Ook deze belevenis  werd door de heroprichting van de Antroposofische Vereniging op een eigentijdse wijze vernieuwd. De Kerstbijeenkomst is derhalve meer als wijsheidsopenbaring en wegwijzing, ze is werkelijkheid, de grondlegging van een nieuw gemeenschapsbouw. Sinds deze stichtingsdaad van Rudolf Steiner kan in het eendrachtige bewustzijn van vrije individualiteiten de geest van een nieuwe gemeenschap aanwezend worden. Om deze grond te leggen was het niet genoeg dat er een nieuw oproep aan de gemeenschapswilligheid werd gericht, dat nieuwe leerinhouden ontwikkeld en nieuwe scholingsmogelijkheden geboden werden, hoe beduidend, boven de maat der woorden, allemaal dat ook is. Door de stichtings- en offerdaad van Rudolf Steiner moest daarenboven een nieuwe reële grondslag in de geestelijke en fysieke wereld voor een gemeenschapsgebeuren geschapen worden dat in deze wijze tot nu toe nog niet mogelijk was. De trouwkracht van elke ziel die de stichtingsdaad van Rudolf Steiner uit inzicht vertrouwt, kan sinds dat gebeuren tot een deel van de etherschaal worden, welke het geschenk van de geestelijke wereld in zich opnemen mag. De gebeurtenis van de Kerstbijeenkomst zet zich derhalve ondanks alle hindernissen in de uiterlijke wereld en ondanks alle innerlijke onvolmaaktheden van de mensen voort, zolang maar mensen bereid zijn die gebeurtenis in een echt trouw vertrouwen na te leven en zolang ze vastbesloten zijn om niet voor de weerstanden te wijken waardoor ze op de proef worden gesteld.

            Deze voortdurende gebeurtenis overtreft ver de individuele vaardigheden die in het ervaren daarvan zich verbinden. Derhalve is de directe individuele oogst die het oplevert minder zichtbaar en minder belangrijk dan het gewin voor Rudolf Steiners werk. Want dit werk, vooral wat betreft zijn literaire verschijningsvorm heeft morele bescherming nodig[4]; en dit geldt, hoewel in gemodificeerde vorm, natuurlijk ook voor het deel dat volgens Rudolf Steiner zelf gedrukt moest worden.  De boekdrukkunst moet volgens hem door een heilige gezindheid geadeld worden. Uiteraard niet wij met onze persoonlijke krachten zijn in staat om Rudolf Steiners werk deze bescherming te bieden.  Maar door ons, door de nog zo onvolmaakte gemeenschap van individualiteiten, kan de geestelijke wereld haar beschermende werkzaamheid ontplooien. Over de gemeenschap, die in haar schaal de inhoud van de geestelijke wereld ontvangt, kan zich dat onzichtbaar dak welven dat, door de zuilen van het openbare en het geheime gedragen, ruimte en tijd ver in de buitenwereld overtreft en dat ook degenen beschermt die niets ervan weten en de spirituele achtergronden van de uiterlijke wereld niet eerbiedigen.  Want de werkingskracht van de geestelijke wereld is niet van maatregelen afhankelijk die de signatuur van het materiële krijgen. Wel echter wacht de geestelijke wereld  op van kennis gestoelde besluiten die zich in het innerlijke opbouwwerken verenigen en op de tot inzicht veranderde standvastigheid die voor de opgedrongen weerstanden niet terugdeinst.

            De verspreiding van het werk van Rudolf Steiner, die waarachtig alleen door wortelslag in de harten  geschiedt, wordt niet reeds daardoor gewaarborgd dat het aan vele plekken ter verkoop en gebruik wordt aangeboden. Beslissend hiervoor is dat het minstens aan één plaats oerbeeldend beschermd wordt. Dit hoort bij het publiek geheim van de Kerstbijeenkomst, voor de werkzaamheid waarvan uiteraard aan degenen die slechts aan het uiterlijke oorzakelijk verband geloven, geen bewijzen kunnen worden gegeven. Wanneer in trouw aan deze bescherming de daartoe opgeroepenen samenkomen dan verzwakt die kracht niet daardoor dat sommigen het oord, waar deze bescherming een fysiek centrum dient te hebben, met een andere gezindheid en in een ander gedrag, betreden. Wanneer de zuilen van het openbare en het geheime in hun ware betekenis en samenhorigheid van degenen onderkent en eerbiedigt worden die in dienst van de Vrije Hogeschol actief willen zijn, dan blijft het evenwicht van het door hen gedragen dak onaangetast.

            En hoewel ook de onvolmaaktheden van de strevende mensen voortdurend veranderen moeten en veranderen mogen, dan kunnen zij toch juist in de verandering steeds helderder door het licht van het eeuwige doorstraalt worden Rudolf Steiner heeft in de Kerstbijeenkomst iets eeuwigs met ons verbonden: veranderen moeten wij ons om tot een steeds beter en actief begrip te komen dat het openbare en de geheime, levende Hogeschool en het gepubliceerd werk onverbrekelijk twee kanten van dezelfde zaak kunnen zijn – veranderen moeten zich de vaardigheden waarmee wij aan het levende kleed van het eeuwige over ons weven.


II.

Uit het voorafgaande blijkt dat de zogenoemde boekenkwestie niet van de Hogeschool kan worden gescheiden. Want uit het voorafgaande is niet te ontkennen:

            1. De Nalatenschapsvereniging staat in beslissende tegenstelling tot de levende Hogeschool. Want zij bestrijdt de realiseerbaarheid van de Vrije Hogeschool in de zin van de continuïteit van de Kerstbijeenkomst en brengt dit door haar redactionele activiteit zichtbaar tot uitdrukking. De Nalatenschapsvereniging  ontkent daarmee niet alleen de onafhankelijkheid van de Vrije Hogeschool, maar verhindert ook dat de Hogeschool aan een van haar voornaamste opgaven, de uitgave van het literaire werk van Rudolf Steiner, recht kan gaan doen. Het beroep op Rudolf Steiners laatste wilsbeschikking uitdrukkelijk ten gunste van de Nalatenschapsvereniging is misplaatst, omdat Rudolf Steiner deze beschikking gewijzigd zou hebben, indien ze niet in overeenstemming met de Kerstbijeenkomst geweest zou zijn.  Hij verwachtte derhalve dat zijn laatste wilsbeschikking in overeenstemming met de Kerstbijeenkomst vervuld zou worden.  Deze overeenstemming betekent juist de hoogste vrijheid van de uitvoerders daarvan, omdat alleen de zodanig handelende zich in overeenstemming met zijn eigen hogere wezen bevindt. De Vrije Hogeschool kan derhalve de edities van de Nalatenschapsvereniging niet verkopen, zolang deze edities, zoals het bij de huidige vertegenwoordigers van de Nalatenschapsvereniging het geval is, ze haar bestaan aan zulke opvattingen en bedoelingen te danken heeft die in tegenstelling tot het wezen van de Vrije Hogeschool en de door haar aanvaarde opgave staan. Bovendien heeft zich de Nalatenschapsvereniging tot de dag van vandaag niet van de zware beschuldigingen gedistantieerd die tegen Albert Steffen gericht werden die met zijn werk het tot dusver meest beduidende voorbeeld van een realisatie van de Kerstbijeenkomst heeft gegeven.

            2. Het beroep dat de edities van de Nalatenschapsvereniging de teksten van Rudolf Steiner zouden bevatten, dat men het dus niet met deze edities, maar met “boeken van Rudolf Steiner” te maken heeft, is misplaatst.  Want het gaat er niet om iemand te verhinderen om toegang tot het immateriële werk van Rudolf Steiner door een uitgave van de Nalatenschapsvereniging te zoeken. Veelmeer gaat het in tegendeel erom deze toegang open te houden en te waarborgen en wel niet door woorden, die dat niet vermogen, maar door antroposofisch doen. Dit doen moeten zich niet alleen in de vorming van de bewustzijnsschaal, zoals dat hier weergegeven werd, maar helaas ook in de bereidheid tot de opgedrongen weerstand manifesteren. Het werk van Rudolf Steiner wordt in de hier aangeduide zin beschermd, wanneer steeds weer een serieuze poging wordt gemaakt om de hogeschoolidee door bewustzijnsvorming te verwerkelijken.  Dit betekent echter tegelijk de trouwverplichting jegens de geestelijke levenswetmatigheden van de moderne mysterieschool, de vastbeslotenheid om op geen enkele wijze in daden een compromis aan te gaan met tegenovergestelde bedoelingen en opvattingen. Daarmee wordt natuurlijk geenszins de moeite afgewezen om steeds weer een verstandhouding met de dragers van deze andere opvattingen te zoeken. Is het met het oog op de geestelijke achtergronden van de uiterlijke wereld zo moeilijk te doorzien dat een fysiek opnemen van de edities van de Nalatenschapsvereniging in het bereik van het Goetheanum gelijktijdig zijn uitsluiting uit zijn geestelijke beschermingssfeer betekent?  Dit is om de diep tragische reden het geval, omdat dan de werkzaamheid van deze beschermingssfeer vanuit het centrum, waaruit die voort dient te komen, doorbroken wordt. Want het geestelijke korrelaat van een handeling, zoals hier sprake van is, is van een buitengewoon ernstige aard en heeft verstrekkende gevolgen, want het gaat daarbij om de levenswetmatigheden van een mysterieschool.  Vóór deze doorbreking waren echter ook de edities van de Nalatenschapsvereniging bij de beschermingssfeer van de Hogeschool betrokken. Niet eens zulke critici die alleen aandacht op de feiten van de uiterlijke wereld richten, kunnen bestrijden dat er door die doorbreking iets cruciaals verloren is gegaan.  Want een institutie die door haar eigen  wilsvorming in tegenstelling tot haar grondslagen terecht komt, bevindt zich ook voor een uiterlijke zienswijze in een bijzonder moeilijke situatie.

            Onder de beide daarmee nogmaals samenvattend ontwikkelde gezichtspunten (namelijk de tegenstelling van de Nalatenschapsvereniging tot de Vrije Hogeschool en de soort en werkingswijze van de door de Hogeschool aanvaarde beschermingsopdracht ten opzichte van het werk van Rudolf Steiner) wordt duidelijk dat de Hogeschoolkwestie en de zogenaamde boekenkwestie niet van elkaar te scheiden zijn en hoe verstrekkend de gevolgen van een zodanige scheidingspoging zullen zijn.

            Natuurlijk is het diep treurig dat de edities van Rudolf Steiner literaire werk voorlopig niet in het Goetheanum opgenomen kunnen worden. Spiritueel gezien zijn ze dat ook vandaag nog niet; het tegendeel is, zoals hier aangeduid, het geval. Veel pijnlijker en ernstiger echter zou het zijn, wanneer inderdaad een permanente situatie zich zou voordoen, waardoor de Vrije Hogeschool in tegenspraak tot haar eigen grondslagen terecht zou komen. Zou men niet in tegendeel nooit het streven moeten doen verzwakken om het wezen van de Hogeschool in de geest van paragraaf 8 tot uitdrukking te brengen? Luidt toch deze paragraaf dat de openbaarheid van de Hogeschool en haar publicaties alleen als uitdrukking van een reëel mysteriegebeuren waarachtig en levensvatbaar blijft. De mogelijkheid om dit mysteriegebeuren voort te zetten is sinds de Kerstbijeenkomst door de vorming van een eendrachtig bewustzijn in inzichtelijk trouw tot de oprichtingsdaad van Rudolf Steiner gewaarborgd. De onscheidbaarheid van de openbaarmaking van zijn werk door het van hem geïnaugureerde en in de harten van zijn leerlingen verder gedragen mysteriegebeuren hangt op innigste wijze samen met zijn ware naam, met van zijn persoonlijkheid onscheidbaar auteursrecht.

            Rudolf Steiner heeft zelf met de grootste ernst erop gewezen dat weliswaar de voortzetting van het door hem gesticht spiritueel gebeuren in onze harten en handen ligt, dat die echter geenszins zonder onophoudelijk streven gewaarborgd is. Veeleer is deze voortzetting door ons gedrag op diep tragische wijze kwetsbaar, ja het heilige waaraan wij horen deel te nemen kan door ons versagen ter voorkoming van ons en betreffende de overgang in andere werkingsgebieden gedwongen worden.

            Deze uiteenzettingen zijn geenszins met de opvatting  geschreven dat men iets zou nalaten om ze zo spoedig mogelijk met argumenten te bestrijden die de accenten anders willen plaatsen en de samenhangen oplossen.  Wel zijn deze uiteenzettingen door de hoop gedragen dat de wake-up call die in de oprichtingsstatuten klinkt in vele harten een echo moge vinden.


[1] Hier moet genoteerd worden dat dit het enige artikel was dat Herbert Witzenmann toegestaan werd om zijn visie op de Boekenkwestie weer te geven met het bedenkelijke argument “om alle vrij wordende krachten  voor positieve antroposofische arbeid in te zetten.”

[3] Deze paragraaf 8 luidt: “Alle publicaties van de Vereniging zullen openbaar zijn, zoals dit ook bij andere openbare verenigingen het geval is.* Van deze openbaarheid zullen ook de publicaties van de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap geen uitzondering vormen: toch behoudt de leiding van de school zich het recht voor, dat ze bij voorbaat de gegrondheid van elk oordeel over deze geschriften bestrijdt, dat niet op de scholing gefundeerd is waaruit ze zijn voortgekomen. Ze zal in dit opzicht aan geen enkel oordeel de rechtvaardigheid toekennen, die niet op passende voorstudies gefundeerd is, zoals dat immers ook in de erkende wetenschappelijke wereld gebruikelijk is. Daarom zullen de geschriften van de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap de volgende aantekening dragen: “als manuscript voor de leden van de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap, klas... gedrukt. Er wordt niemand voor die geschriften een competent oordeel toegestaan, die niet de door deze school geldend gemaakte voorkennis door haar of op een door haarzelf als synoniem erkende wijze, heeft verworven. Andere beoordelingen worden in zoverre afgewezen, dat de schrijvers van de betreffende geschriften zich met geen enkele discussie hierover inlaten.”

________________

* Ook de voorwaarden waaronder men tot scholing komt, zijn algemeen toegankelijk gemaakt en zullen ook verder gepubliceerd worden.

[4] Zie Beschaving en bescherming - De vragen van de moderne beschaving en de antwoorden van de 'principes' van de Algemene Antroposofische  Vereniging van Herbert Witzenmann, waarin onderbouwd wordt dat de na-Christelijke geest onze bescherming behoeft. (https://willehalminstituut.blogspot.com/2013/10/beschaving-en-bescherming-de-principes.html)

AANHANGSEL II. Toespraak van Herbert Witzenmann over de boekenkwestie aan de Algemene Ledenvergadering 1968 in Dornach


Noot vooraf van de vertaler: Deze toespraak is een aanvulling op het vorige  artikel “Waarom ik het besluit van 14 januari 1968 niet toestem”. Bij dit besluit ging het om het meerderheidsbesluit van het bestuur aan het Goetheanum om de edities van het esoterische werk van Rudolf Steiner van de Rudolf Steiner Nalatenschapsvereniging voortaan in het Goetheanum ter verkoop aan te bieden. Herbert Witzenmann kon daarmee niet akkoord gaan, zoals in Aanhangsel I is weergegeven, omdat deze edities niet voldeden aan het uitgeefbeleid dat in de centrale, zog. morele beschermingsparagraaf 8 van de 15 oprichtingsstatuten van de Antroposofische Vereniging was vastgelegd, namelijk dat deze edities als manuscripten bestemd waren voor de leden van het Goetheanum, Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschappen, het onderzoeks- en onderwijscentrum van de Vereniging, waarmee Rudolf Steiner tijdens de Kerstbijeenkomst 1923 naar buiten trad (zij was namelijk al eerder als een esoterische school actief geweest, echter niet in het openbaar), maar wier spirituele existentie na zijn dood in 1925 de Nalatenschapsvereniging niet erkende en tot op de dag van vandaag in haar huidige vorm als stichting niet erkent.

            De toespraak werd voor het eerst gepubliceerd in het Goetheanum Ledenblad (Nachrichtenblatt) van 19 mei 1968 en als aanhangsel 7 op blz. 236 van deel I van de trilogie van Reto Andrea Savoldelli over de activiteit van Herbert Witzenmann aan het Goetheanum. 

* * *

Waarde, beste vrienden

Ik kan slechts kort bij enkele motieven van deze dag aansluiten. Over het wezen en de betekenis van een algemene ledenvergadering werd er vaak gesproken. Een algemene ledenvergadering is een orgaan van bewustzijnsvorming en als zodanig hoort die ook in de oprichtingsstatuten  die Rudolf Steiner ons gegeven heeft. Het is een orgaan van bewustzijnsvorming, maar tot in zekere mate ook van wilsvorming, want Rudolf Steiner heeft aan de algemene ledenvergadering ook het recht en daarmee de opgave toegekend om door toestemming en daarmee ook door een veto een positie in te nemen ten opzichte van de initiatieven van het bestuur en onder omstandigheden in de wilsvorming nog verder te gaan.  Maar het is evenzo duidelijk  dat bij een zodanige wilsvorming alles vermeden dient te worden wat in de richting van de ontwikkeling van macht en dwang gaat. En het is ja ook door de wijze waarop de vertegenwoordigers van verzoeken en voorstellen vandaag hun overtuiging in de schaal gelegd hebben, geloof ik, indrukwekkend tot uitdrukking hebben gebracht,  dat dit in het bewustzijn van de vrienden leeft.  En daarmee komen we nu middenin onze problemen.

            Deze wilsvorming dient een uit inzicht verkregen eendrachtig bewustzijn te zijn. Het motief van het eendrachtig bewustzijn doordringt ja de hele breedte van de Kerstbijeenkomst , niet als een vastgelegd voorschrift en eis maar als een doel ten bate van kennis- en gemeenschapsvorming dat ons in al datgene wat we doen en waarnaar we streven voor ogen staan moet.   Uiteraard is deze eenvormigheid van het bewustzijn ja niet zoiets buitengewoons dat men het niet in de buitenwereld zou vinden.  Zo werden bv. in de Duitse Bank alle besluiten eenstemmig gevat, tenminste zolang Herr Abs voorzitter van de Raad van Toezicht was.

            Maar we kunnen het niet verhelen dat een dergelijke eendracht onder ons momenteel niet mogelijk is en ons derhalve niets anders overblijft dat de verschillen in overweging nemen.  Er bestaan, zoals ons de hele dag al voorgespiegeld werd, twee ingrijpende, van elkaar verschillende overtuigingen. Eer we deze nu nog eenmaal voor de geest halen, mag ik u nog kort aan de u allen bekende samenhang der dingen herinneren die we desondanks in ons bewustzijn moeten opnemen. Aan de Kerstbijeenkomst voorafgegaan is, zoals u allen weet, die periode van moeilijkheden in de Antroposofische Vereniging die dan hun uitdrukking vonden in de brand van het Eerste Goetheanum. Rudolf Steiner sprak er toen over dat dit niet zou hebben gebeurd als de leden waakzamer waren geweest, niet alleen waakzamer in de zin van het bewaken van dit gebouw, maar ook waakzamer in de zin van het waken over de heilige goederen in hun bewustzijn.  En toen kwam de periode waarin de leden gewaar werden dat ze Rudolf Steiner niet begrijpen en Rudolf Steiner ook steeds weer tot uitdrukking bracht dat hij niet begrepen werd.  Dit onbegrip is ja  een van de meest tragische feiten in de geschiedenis van onze Vereniging.  En eindelijk na deze lang uitgehouden spanning van het onbegrip opent Rudolf Steiner zijn mond en spreekt van het wakker worden aan de andere mens, van die vaardigheid om in het eigen, door zelfkennis gelouterde bewustzijn het bewustzijn van de andere mens aanwezend te laten worden en daardoor een spirituele, een etherische kelk te vormen waarin een overtreffend bewustzijn aanwezend  kan worden. Dat is eigenlijk het antwoord dat Rudolf Steiner op de moeilijkheden van de Verenging geeft. Hij wees op een bewustzijn dat in zich zo geconfigureerd is (men kan dat alleen in de grootste behoedzaamheid uitspreken), als het wezen van de mensheidsrepresentant (zie beeld). Dit wezen is  immers zodanig opgebouwd dat twee persoonlijkheden offerend hun wezen tegen elkaar uitwisselen en daardoor de bewustzijnsmogelijkheid geven voor een overtreffende bewustzijnstegenwoordigheid.  Dat is de oplossing van de moeilijkheden die Rudolf Steiner in de Vereniging plaatst, en waaruit dan de Kerstbijeenkomst en de nieuwbouw van de Antroposofische Vereniging ontstaat: de vorming van een nieuwe mysterieplaats die in zich de wezenlijke realiteit van de geestelijke wereld bergt en daardoor op een nieuwe wijze voor de openbaarheid en in de openbaarheid treden kan, van binnenuit doordrongen van nieuw spiritueel leven  en beschermd van de openbaarheid en ook de openbaarheid beschermend in de symbolen die zij uit innerlijke krachten voor de openbaarheid plaatst.

            Welnu, dit alleen om heel kort de bewustzijnssituatie te omschrijven.  Maar vandaag , waar staan wij vandaag? Vandaag staan wij voor de tegenstelling van twee scherp geprofileerde opvattingen. Deze opvattingen houden zich bezig met de zogenaamde boekenkwestie. En voor deze beide opvattingen is het nu juist karakteristiek dat de ene opvatting meer van de fysieke existentie  van de boeken uitgaat en hun beschikbaarheid, en de andere meer haar uitgangspunt neemt van de kwestie van de Hogeschool, van de wijze waarop ze de Hogeschool in bewustzijn draagt. Vanzelfsprekend hebben beide opvattingen beide gezichtspunten, maar ze gaan vooral van deze verschillende opvattingscentrums uit. En elke vertegenwoordiger van deze opvattingen heeft tot een zekere mate moeilijkheden om de ander volledig te begrijpen.

            Proberen we nu maar eens, in een oefening van het ontwaken aan de andere mens, om beide opvattingen in ons bewustzijn op te nemen. De ene opvatting zegt dus: het werk dient in zijn fysieke existentie in het Goetheanum binnen te komen, het dient beschikbaar te zijn, men dient ermee te kunnen werken.  En met dit naarbinnen nemen gelooft men dat ook oude conflicten min of meer opgelost zouden zijn. Een zeer verstandige opvatting.  De andere opvatting (ik vereenvoudig nu natuurlijk, maar u ziet dat mee in het grote beeld, dat ik slechts tekenen kan, wat aan fijnere uitvoering ertoe behoort) – bij de ander opvatting gaat het in eerste instantie niet om menselijke conflicten die zich in het totaalprobleem  natuurlijk ineenvlechten op een geweldig tragische wijze, die echter op geen enkele wijze de zicht op de kern van het probleem kunnen openen. Het gaat niet om conflicten tussen mensen in eerste instantie, het gaat niet om de vraag hoe maakt men het werk in zijn fysieke eistentie beschikbaar voor deze andere opvatting, maar deze andere opvatting vraagt: Hoe betrekt men het werk van Rudolf Steiner ook in zijn fysieke existentie bij de grote basisopgave om het eeuwige in het vergankelijke op die manier zichtbaar te maken dat het met de oprichtingsdaad van de Kerstbijeenkomst overeenkomt, dat het met het feit overeenkomt dat Rudolf Steiner een nieuwe mysterieplaats als de meest stralende, geweldigste bijdrage aan de wereldsituatie heeft opgericht?

            Welnu, de vertegenwoordigers van de opvatting dat het werk erin moet, het beschikbaar moet zijn, die kunnen niet begrijpen dat men zo’n toch praktische en levensvatbare opvatting niet makkelijk toestemmen kan, terwijl vertegenwoordigers van de andere opvatting het niet begrijpen kunnen dat men jaar na jaar strijdt om een opgave die toch niet volledig valt op te lossen. Want zolang de eigenaren van de Nalatenschapsvereniging niet akkoord gaan, kan het werk immers niet in de form in het Goetheanum aanwezig zijn die met de intenties van Rudolf Steiner en de grondslagen van onze Vereniging overeenkomt. Deze opgave is immers zonder de Nalatenschapsvereniging niet op te lossen.  En derhalve had men zich maar toch (in de zin van die andere opvatting)  er bij neer moeten leggen dat die natuurlijk voorlopige oplossing zeer snel mogelijk is, indien men zich namelijk bij de geniaal eenvoudige oplossing zou aansluiten die vandaag geapostrofeerd  werd dat het aan het individueel gewetensbesluit  overgelaten blijft om een relatie met dit werk aan te gaan en wat betreft de Hogeschool in te zien dat de zogenaamde boekenkwestie momenteel niet oplosbaar is in de zin van onze leraar en de grondslagen van de Vereniging. Neemt u het alstublieft aan dat het voor de vertegenwoordigers van deze opvatting buitengewoon moeilijk te begrijpen is hoe het mogelijk was voor zo’n tragische maar zo’n eenvoudige zaak jaren van innerlijke scheuring op te brengen.

            Nu kan men echter verder vragen: als deze tegenstellingen bestaan, kan men het er niet eenvoudig bij laten om van deze tegensteling te weten, kan men ze beter niet opzij leggen tegenover de grotere opgaven die voor ons staan? Hebben wij niets belangrijkers te doen, vereist de wereldsituatie niet iets anders van ons? Ja, vragen wij ons toch een ogenblik, beste vrienden, wanneer we hier bijeen zijn, wat de wereldsituatie van ons vereist? Ik kan u natuurlijk  geen ook maar enigszins bevredigend antwoord geven, maar u toch op een paar dingen wijzen die natuurlijk u allen in bewustzijn hebben die echter toch, wanneer u het nu met mij denkt, de wereldsituatie toch onder ons tegenwoordig kan maken.  Het karakteristieke van de wereldsituatie is van dien aard dat er een machtsimpuls door de wereld gaat en dat het ontwikkelen van macht op alle gebieden steeds sterker wordt in de uiterlijke wereld en dat daartegen de onmacht en ellende in de zielen in dezelfde mate groeit. In de uiterlijke wereld steeds meer machtsontwikkeling, machtsontwikkeling in het fysieke, nieuwe stoffen,  nieuwe energieën door atoomsplitsing, de nieuwe mogelijkheden door de computer, de ruimtevaart, machtsontwikkeling in het biologische, ongekende mogelijkheden om de levensprocessen te beïnvloeden, ongekende mogelijkheden in de heilkunst, zogenaamde genezing door harttransplantaties,  een proces waarbij de mensheid de greep naar haar harten heeft bespeurd, nieuwe mogelijkheden in het zielsmatige door de methoden van meningsbeïnvloeding. Ik hoef niet door te gaan. En wat gaat bij deze toename van machtsontwikkeling in het bewustzijn van de mensen gepaard? Een geheim schuldgevoel bij de machtsdragers. En tegenover de machtsdragers de onmacht en in de zielen naast de onmacht de verontwaardiging in haar emotionele erupties, het marterdom waarom heen de wervel van emoties ballen. En zo aan de ene kant de machtsimpuls, waarachter zich de schuld voortsleept, de schuld wier gevolgen de overvloed is, de overvloed die tot een wereldeconomisch probleem wordt, zoals het de Amerikaanse socioloog Riesman heeft beschreven.  Want onze huidige wereldeconomie is een afzeteconomie en wanneer de overvloed de afzetshonger, het kooplust, de profijtgier tot stilstand brengt, dan zal die hele afzetseconomie en  welvaartseconomie in elkaar storten.  En naast deze malaise van de overvloed, die de loon van de geheime schuld is, de verontwaardiging in haar opflakkerende erupties. En ziet u niet wat daar voor een regie aan het werk is, ziet u niet de regisseur achter de schermen van de wereldgeschiedenis vooruitzien: steeds meer macht, steeds meer emoties – wat moet daaruit ontstaan? Ik hoef het antwoord niet te geven.

            Maar nu, hoe staat nu dan onze Vereniging tegenover deze wereldsituatie? Deze macht-,  schuld- en overvloedsimpuls, hoe zou die te bestrijden zijn? Alleen doordat in zelfkennis een nieuw ontwaken aan andere mensen zich zou ontsluiten dat de doodsomklemming van het egoïstisch bewustzijns opblaast en het opent in een gemeenzaam bewustzijn, in een opstandingsbewustzijn. Het is het Paasmotief dat de wereldsituatie van ons vereist, dat is de vraag die zij aan ons stelt: wat hebben jullie over het Paasgebeuren te zeggen?

            Zijn wij daarmee echter niet ver weg van de boekenkwestie geraakt? Ik geloof het niet, want deze zogenaamde boekenkwestie, zoals ik die zie, hangt met het levend wezen van de Hogeschool samen, dat immers gevormd wordt doordat mensen in het ontwaken aan elkaar een gemeenzaam bewustzijn vormen, in deze bewustzijnskelk pas de Hogeschool vormen, waarin haar engel een druppel geestelijke substantie uit de geestelijke wereld laat vloeien.

            Of een ander beeld: de Hogeschool is de levende boom, waarvan tijdens deze dagen zo vaak onder ons sprake was, die in de harten wortelt en die opstijgt naar de geestelijke wereld en bladeren krijgt – wat voor bladeren? Onze lotswegen! En in ons lot dienen het wijsheidsgeschrift, het sterrengeschrift  ingeschreven te worden die onze leraar in ons lot wil inschrijven,  en van deze lotsbladeren, die het sterrengeschrift dragen en aan de boom van kennis groeien, dienen de uiterlijke boeken slechts afbeeldingen te zijn. En als merkteken ervoor  dat ze slechts afbeeldingen zijn, dienden ze (dat is de ware form van het beschermingsteken)  op hun omslag het symbool van deze levendige boom te dragen, waarvan de bladeren onze harten zijn.

            Maar nog een vraag: Kan men dan dit probleem niet door vergiffenis te boven komen? Van vergiffenis, beste vrienden, hoeven we niet te spreken, want wie de ander in zijn bewustzijn opneemt,  heeft hem al vergeven. Vergeven heet in het Griek singignoskein = meekennen. Mensen, die in het kennen elkaar opnemen, hoeven elkaar niet te vergeven, want zij leven in elkaar.

            Maar, een heel andere vraag zijn de strenge verplichtingen die wij jegens het levend geestwezen van de Hogeschool hebben. Kijk, onze Vereniging (dit hoef ik slechts in uw bewustzijn in herinnering te roepen, opdat het tegenwoordig worde in dit ogenblik, niet omdat het een van U nieuw zou zijn), deze Vereniging, waarvan wij lid zijn, stoelt op dit ritme van het zich ver naarbuiten openen en het zich in het innerlijke samenvatten.  Zij opent zich wijd en kan daarin zo ruimdenkend  mogelijk zijn. Dat moet echter met een des te grotere strengheid in haar innerlijke gehalte overeenkomen. En dat geldt  vooral voor de leden van de Hogeschool. Het is geenszins een privékwestie, wanneer een Hogeschoollid zich met een tekst bezig houdt, die niet op de omslag dit geheimteken van deze wonderboom draagt die ik aansprak, het is geen privékwestie maar een kwestie van bewustzijnsvorming en gewetensbesluit. Maar zo’n kwestie staat op zich tegenover een andere opgave dan de Hogeschool die in haar geestelijk, spiritueel bestaan juist de beslotenheid van het bewustzijn vereist. Deze beslotenheid van het bewustzijn heeft Rudolf Steiner voor de Klas met de allergrootste eenduidigheid  geëist. U weet dat deze beslotenheid van het bewustzijn niet meer in de vroegere zin van het woord mogelijk is.  Maar deze klassenimpuls van het besloten bewustzijn kunnen wij in het liefdevol verzorgen en gezamenlijk bouwen van de Hogeschool voortzetten en vernieuwen.

            Laat mij nog een ander beeld gebruiken dat wat ik wilde zeggen wellicht iets meer verduidelijkt. Bij de edities van de Nalatenschapsvereniging heeft men het niet slechts met papier en drukkersinkt te doen, maar met die eigenaardige dingen die men waren noemt. En van dit beeld van een waar en de functie ervan heeft Rudolf Steiner in zijn geweldige Cursus over de Wereldeconomie gesproken vanuit het gezichtspunt van de bloedsomloop. Nietwaar, in het bloed, daar circuleren, daar zwemmen de bloedlichaampjes en die worden volgens het principe van Archimedes “verontzwaard”.  Een evenzo tekent hij als wereldeconomisch basisbegrip, als wereldeconomische basisimaginatie aan het begin van deze cursus  dit  specifiek sociaalgewicht aller waren. Want deze waren die zwemmen in de merkwaardige stromen van menselijke bedoelingen, ook van begeerten en intuïties, van offerkrachten en ze krijgen, al naar gelang de plaats waar ze zich in deze stroom bevinden hun specifiek sociaalgewicht, dat men ook abstract hun waarde noemt.  Nietwaar, dat is de wereldeconomische basisimaginatie die we in gedachte moete hebben, wanneer we iets over de wereldsituatie willen zeggen. En wat doet zich nu voor uit de kijk op deze wereldsituatie van dit stroomstelsel, deze stromen van menselijke bedoelingen, van menselijke vaardigheden die het specifiek sociaalgewicht van de waren bepalen. Er doet zich dit merkwaardige verschijnsel op de markt voor, waar  enkele van deze stromingen elkaar wederzijds neutraliseren, waar zich andere met geweld tegen andere doorzetten. De kijk op de wereldsituatie geeft ook nog een ander beeld, niet alleen het vreselijke beeld dat ik voorheen heb gebracht, maar dit levend stroomstelsel van menselijke vaardigheden, menselijke bedoelingen en behoeften, dit wonderlijke aderstelsel van etherische stromingen die het specifiek sociaalgewicht van de waren bepalen.

            Nu is het juist voor mij en voor vele anderen zo dat deze geestelijke levensstroom, die onder de wortelen van de wonderboom van de Hogeschool naar voren kan dringen, dat deze geestelijke levensstroom zich niet de met de andere stroom kan verbinden die de edities van de Nalatenschapsvereniging draagt. Beste vrienden, nemen ze dit ter kennisname  als iets dat mij en ook anderen zeer na aan het hart ligt. Kunnen wij niet in datgene wat ons zo zeer na aan het hart ligt achten en leren begrijpen? Indien dit mogelijk zou zijn, hoe goed zou het dan onder ons kunnen worden, ook wanneer wij elkaar in dat wat ons zo na aan het hart ligt aanvankelijk niet kennen. Maar ziet U, ook wanneer we elkaar daarin niet zouden kennen, één ding zouden we gemeen kunnen hebben: het gevoel dat de het in orde brengen van de edities van de Nalatenschapsvereniging, wat we ook maar doen kunnen, momenteel niet in de zin van onze leraar mogelijk is, en dat ons derhalve een grote pijn kan doordringen. En beste vrienden, laten we niet de zegen van deze smart vergeten! Want wanneer U bereid bent met deze pijn te leven, dan zal deze U de ogen openen, zoals ook ieder  andere pijn. Zoals ons fysiek oog een pijnorgaan is, zo is het ook met onze zielsmatige en geestelijke organen. En wanneer U met degene zouden spreken die levenservaring hebben, dan zou sommige van hen tene U zeggen dat de pijn die U overdag ondergaat voor U in de nacht het oog ongekend voor vele dingen geopend heeft die u voorheen niet zag.

            Maar nu de oplossing! Ik heb die reeds genoemd.  Ze staat ook in de Cursus voor  wereldeconomie van Rudolf Steiner achter het beeld dat de imaginatie van het specifieke sociaalgewicht doorgeeft. Daar is dit merkwaardig wezen aangeduid dat anorganisch verschillende aanduidingen van menselijke organismen in elkaar versmelt, dit beeld van een soort gemende koning.  En Rudolf Steiner zegt men organiseert door  differentiëren, men verenigt zich door te differentiëren. Daar waar het eendrachtelijk bewustzijn nog niet mogelijk is, is de beste weg het te vinden om zich te differentiëren, zich in de differentiering te achten, de in de differentieringen levende wil als iets onaantastbaar heiligs van het innerlijkste van de mens te achten en, waar het mogelijk is, een gemeenzame opgave aan te pakken en door te voeren. Dan zal die wonderboom van het gemeenzame bewustzijn onder ons kunnen bloeien en gedijen en de stroom van het geestelijke leven onder zijn wortels niet uitdrogen.    

AANKONDIGING REEKS LEZINGEN EN GESPREKSRONDEN OVER HET CHRISTENDOM ALS MYSTIEK FEIT EN DE MYSTERIËN DER OUDHEID

Tijdens het ochtendgedeelte van de ledenvergadering van de AViN op 29 september in Driebergen/Zeist werd de 13-delige inleiding van Herbert ...