Posts tonen met het label Filosofie van de vrijheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Filosofie van de vrijheid. Alle posts tonen

donderdag 14 oktober 2021

IV. “Met de Kerstbijeenkomst, die gekenmerkt kan worden als een metamorfose van de oerchristelijke geloofsgemeenschap, hangt de onbeperkte openbaarmaking van het geestesgoed samen dat Rudolf Steiner aan de leden heeft gegeven en dat aanvankelijk nog in het omhulsel van een afzonderlijk bewustzijn gehouden was.”

  


“…Maar wij doen ons in allen kennen als Godsdieners – door veel dulden, onder verdrukking, in nood, in angst, in het ondergaan van slagen, in gevangenschap, in vervolgingen,  in zware arbeid, in doorwaakte nachten,  in vasten, in lankmoedigheid en vriendelijkheid, in de heilige geest, in ongeveinsde liefde, in het woord van de waarheid, in de kracht van God, met de wapens der gerechtigheid in rechter- en linkerhand, in eer en schande, in kwade geruchten en goede geruchten, als verleiders en toch waarachtig, als de onbekenden toch bekend, als stervenden en zie: wij leven; als de getuchtigden en toch niet gedood, als bedroefden, maar altijd vrolijk; als armen, maar die toch velen rijk makend, als niets hebbenden en toch alles hebben. (2de Kor. – 6:4-10)

            Dit boek is een boek over het openbaar worden van het geheim, van de mysteriegeheimen die op een grandioze wijze in de openbaarheid werden gebracht door het mysterie van Golgotha. Wat vroeger verraad gewezen was, is dat nu niet, omdat door deze openbaarmaking een heel nieuwe, nooit eerder bestaande mysteriestroming ingeluid werd en wel door twee feiten:  Het wordt voor de mens die zich bij deze mysteriestroming wil en kan aansluiten (en dit zijn nu allen en niet alleen degenen die uitgekozenen en voorbereid zijn) mogelijk worden door een nieuwe zielskracht, die er voorheen nog niet in die zin bestond, hoewel ze natuurlijk ook voorbereid werd: de individuele onsterfelijkheidskracht.

            De weg door de mysteriën heeft niet daartoe geleid, maar naar een eenwording met het bovenindividuele eeuwig-goddelijke in de ziel. Dit bovenindividueel goddelijke werd van de ziel eerst ontnomen en de openbaarheid binnengedragen; dat is eerst het doorheengaan door de dood. De ziel komt daardoor in een situatie van verarming en vereenzaming, wordt echter met het hoogste in verrukking gebracht: met het individuele onsterfelijkheidskracht; dat kan alleen vanuit de vereenzaming ontstaan, uit de belevenis van het-afgesnoerd-zijn van het geestelijke, waar de individuele ziel eerst sterft. De geloofsgemeenschap die uit de samenstromende individuele onsterfelijkheidskracht ontstaat vormt een nieuwe mysterieplaats – beide mogelijk gemaakt door het mysterie van Golgotha.

            De oude mysterieweg veronderstelde het louteren van individuele onvolkomenheden, de nieuwe betrekt deze erbij. Hiertoe is uit de uiteenzettingen over de Apocalyps de volgende passage te beschouwen:

            “En de mensenzoon ‘had zeven sterren in Zijn rechterhand.’ (Op. 16). ‘De zeven sterren zijn de engelen van de zeven gemeenschappen.’(Op. 20). De uit de mysteriewijsheid bekende ‘leidende geesten’ (diamonen) zijn hier de leidende engelen van de ‘gemeenschappen’ geworden. Deze gemeenschappen worden daarbij als lichamen voor geestelijke wezenheden voorgesteld. En de engelen zijn de zielen van deze ‘lichamen’, zoals de mensenzielen de leidende machten van de menselijke lichamen zijn. De gemeenschappen zijn de wegen naar het goddelijke in de onvolkomenheid; en de gemeenschapszielen dienden de leiders te worden op deze wegen.”(VIII)

            De individuele onvolkomenheid is erbij betrokken, omdat de onsterfelijkheidsbelevenis juist in de individuele onvolkomenheid haar uitgangspunt vindt.

            De onsterfelijkheidsbelevenis van de oerchristelijke geloofsgemeenschap met haar hartelijkheid heeft in onze bewustzijnstijdperk door de antroposofie een met de natuurwetenschap overeenkomende vorm gekregen: In plaats van geloofsintimiteit heet het daar zeer nuchter, maar niet minder geweldig “terugdringing van het organisme” (De Filosofie van de vrijheid, hfdst. IX, 4). De Filosofie van de vrijheid leert namelijk de mensen iets was gelijk staat aan de evenwichtszin. Die kunnen we al lang gebruiken, maar zonder te weten hoe die functioneert.  (De evenwichtszin heeft zijn orgaan in het oor.) Denken konden mensen ook minstens binnen zekere grenzen; hoe en wat echter daarbij omgaat, heeft men vóór De filosofie van de vrijheid niet geweten.[1]

            Het naarbinnen kijken van het denken in zichzelf en daarmee het oppakken van een geheel nieuwe nuance binnen het denkbewustzijn leert men pas op de observatieweg van De filosofie van de vrijheid. Men gaat van eenvoudige observaties uit. Een zodanige, die zich altijd nieuw bewaarheiden moet, is die dat alles wat onze zintuigen ons ter beschikking stellen ons gegeven is.  Daar zijn wij ontvangend, daar kunnen wij niets voortbrengen, niet het kleinste stofkorreltje in de wereld van de waarneming.  Geen kleur, geen klank kunnen wij in zijn oorspronkelijkheid voortbrengen.  Als we bv. kloppen dan is dat alleen de aanleiding; maar het is de zonder ons toedoen voorhanden configuratie van de wereld waaraan de klank eigenlijk ontspringt in zijn klankgehalte; we kunnen op het toetsenbord van de wereld spelen dat we niet geschapen hebben.

            In zijn grondsubstantie is alles wat we waarnemen ons zonder ons toedoen gegeven, maar volledig ongeordend. We  hebben dit dagelijks brood niet alleen nodig voor tanden, tong en gehemelte, maar voor ons hele organisme, dat niets meer is dan een samengesteld-zijn uit zintuigen die de wereld waarnemen maar zonder de samenvoeging en ordening ervan. Ter onderscheiding van recht en links bv. helpt ons geen tasten; rechts en links zijn geen tastgewaarwording maar begrippen. Geen waarnemingen vormen zich uit ordeningskaders en structuren. Tot het ordenen en vormgeven van de waarnemingen zijn wij alleen in staat indien ons organisme zwijgt. Dit organisme behoeft steeds de waarnemingen en verwelkt onmiddellijk, wanneer het uit deze stroom niet gevoed wordt. Maar een ding voedt zich uit zichzelf: dat is het denken dat in ons opvlamt zodra we onze eigenste activiteit aansteken.

            Wanneer we ons organisme, het sterfelijke en voedingsbehoeftige terugdringen, komt het tot een opstanding uit de graf van dit organisme. Het is deze opstandingskracht waarmee we deelachtig worden van het denken. Zij is aanvankelijk nog inhoudsarm. Maar haar maakt zich het denken in zijn hemelse universaliteit eigen. Het denken laat zich willens tevoorschijn brengen, maar zijn ordeningen bestaan onafhankelijk van onze willekeur. Wanneer we met de opstandingskracht ons organisme terugdringen en overwinnen, dan treden we een bepaald rijk binnen, wiens lichtende schepsels zichzelf dragen. Ze hoeven niet door iets ergens vandaan gesteund te worden zoals de zware dingen van de aarde. De begrippen dragen zichzelf en vormen een rijk dat zich onbedwingbaar tot een steeds grotere totaliteit aaneensluit en waartoe wij behoren door onze onsterfelijkheidskracht, maar zodanig dat wij niet als gewaarwordenden maar als co-actieven met dit rijk verbonden zijn. Iets wat men zelf, hoewel het op zijn eigen wetten gebouwd is, co-creërend beleeft, is uiteraard niets wat het eigen wezen tegenovergesteld is, veeleer is dat wat wij waarachtig doen, waarin wij als doeners levendig zijn, niets wat zich van ons wezen onderscheidt, maar iets wat zich met ons in wezenswisseling bevindt. Doordat wij zodoende daarin staan, worden wij zelf door de geestelijke wereld gedaan. De terugdringing van ons organisme door de opstandings- en onsterfelijkheidskracht laat ons van de uitwisseling met het eeuwige in aanduidende belevenissen bewust worden, omdat zich met de onsterfelijkheidsbelevenis van de terugdringing van het organisme de belevenis van de wezenswisseling noodzakelijk verbindt. Derhalve is het hier tot een volledig duidelijk inzicht geworden dat twee dingen, die als de twee grootste tegenstellingen tegenover elkaar lijken te staan, slechts twee kanten van dezelfde zaak zijn: het onsterfelijkheid verkrijgende individueelste en het universeelste, de kosmische samenhang van de geestelijke wereld. Want het beleven van de uitwisseling is juist datgene waardoor wij definitief  boven onszelf  uit komen en ons met andere wezens verbinden.

            En omdat met de moderne onsterfelijkheidsbelevenis als de opstanding uit het overwonnen organisme de belevenis van de wezenswisseling is, is daarin de kiem van de nieuwe mysterieplaats aangelegd, zodat we zeker kunnen  zijn: wanneer we met de onsterfelijkheidskracht van het heldere, duidelijke denken ons inspannen, dan krijgen wij een gezamenlijk aandeel aan een spirituele inhoud en doen dit met de krachten waardoor wij van oorsprong in het ons allen oneindig overtreffende zijn. Wij leven ons in een gezamenlijk, ons allen overtreffend bewustzijn in. Derhalve staat in het middelpunt van de Kerstbijeenkomst de heroprichting van de Antroposofische Vereniging. De gemeenschap is gegrond op de gemeenschappelijke belevenis van onsterfelijkheid en de belevenis van het ethisch individualisme.     

            Daartoe behoort wederom een nieuw wereldhistorisch gebeuren van het openbaarmaken, want met de Kerstbijeenkomst, die gekenmerkt kan worden als een metamorfose van de oerchristelijke geloofsgemeenschap, hangt de onbeperkte openbaarmaking van het geestesgoed samen dat Rudolf Steiner aan de leden heeft gegeven en dat aanvankelijk nog in het omhulsel  van een afzonderlijk bewustzijn gehouden was.  Voor iedereen is het toegankelijk, hoewel dit openbaarmaken alleen een zin heeft als uitdrukking van een nieuwe mysterievorming, zoals ik die gekenmerkt  heb als metamorfose van de oerchristelijke geloofsgemeente die nu juist tot een kennisgemeenschap wordt. Alleen in samenhang met een nieuwe mysterievorming heeft het openbaarmaken een zin. Dit stelt u zich op duidelijk wijze voor, wanneer u bedenkt dat nu bij het betrekken van de individuele onvolkomenheden in de oerchristelijke geloofsgemeenschap er een nieuw te betrekken iets bijkomt. In de oerchristelijke geloofsgemeente was een pinksterlijk uittreden van het bewustzijn boven de directe aanwezigheid ervan in de afzonderlijke individualiteiten gegeven. In samenhang met de vorming van de kennisgemeenschap en het in haar schoot liggende eenvormige bewustzijn is nu wederom iets nieuws gegeven, namelijk de toegankelijkheid van de geestelijke wereld en spirituele feiten vanuit het bereik van het gewone dagbewustzijn. Hierbij moeten wij tweeërlei onderscheiden: het bereik van het gewone dagbewustzijn en de zielenhouding van het gewone dagbewustzijn. Laatstgenoemde is natuurlijk voor de huidige mensheid een verregaand onspirituele, maar ze is op zich zodanig transformeerbaar dat daarvan de weg in de geestelijke wereld geopend kan worden. Rudolf Steiner heeft aangetoond dat het vatten van de denkbelevenissen direct uit  gebied van het gewone dagbewustzijn de weg in de geestelijke wereld opent. Dat is het nieuwe grote wat erbij betrokken wordt, dat wederom de grandioze metamorfose kenmerkt, waarin niet alleen de individuele onvolkomenheden erbij betrokken zijn in het grote mysteriegebeuren, maar ook het gewone dagbewustzijn, zodat vandaaruit de eerste stappen in de geestelijke wereld gemaakt kunnen worden. Dat is de grandioze daad van Rudolf Steiner.

            Voor de openbaarmaking bestaan er natuurlijk veel redenen; het hier gezegde bevat echter een innerlijke interpretatie voor de betekenis van de openbaarmaking. Een krachtige wijsheid ligt daarin dat de stap in de geestelijke wereld vanuit het gewone dagbewustzijn  kan en gemaakt moet worden. Maar die is ook alleen weer waarheids- en werkelijkheidsgeldig, indien die met het interpreterend feit van de vorming van een nieuw mysteriegebeuren vanuit het gewone dagbewustzijn in samenhang blijft staan. De openbaarmaking heeft juist met het oog op de Kerstbijeenkomst een allerbelangrijkste interpretatie. Wat is dan de wereldhistorisch beduidendste openbaarmaking, de meest grandioze die er ooit in de wereld- en mensheidsgeschiedenis heeft bestaan? Natuurlijk de openbaarmaking van het mysteriewezen,  waarbij deze openbaarmaking tegelijk een metamorfose is: het naarbuiten treden van het mysteriewezen voor de voorhang van de tempel in het mysterie van Golgotha. Wat voorheen verborgen wijsheid was, werd nu openbare wijsheid die echter meteen weer als geheim teruggenomen werd, daardoor dat ze alleen zin en betekenis heeft, indien ze in samenhang blijft met de vorming van een nieuwe mysterieplaats die uit het samenwerken van de onsterfelijkheidskrachten ontstaat. De wijsheid die verborgen was in de geestelijke wereld treedt op het plan van de fysieke wereld voor de ogen van de mensen met hun individuele onvolkomenheden en wordt in menselijke gedaante zichtbaar. Wat voorheen met sterrenscript in de hemel was ingeschreven, treedt nu voor de mensen, in zekere mate ingehuld in de substantie van de uiterlijke wereld, in een vergankelijk lichaam. Derhalve kan Philo zeggen, dat daarmee eigenlijk het feit van het boek op grandioos oerbeeldende wijze voor de mensen is neergezet, want het boek is niet in het geheim afgesloten, maar allen toegankelijk. 

            “Als de ‘Zoon van God’ noemde Philo,  van wie men zei dat hij de herboren Plato was, de uit de mens geboren wijsheid die in de ziel leeft en de in de wereld aanwezige rede als inhoud heeft. Deze wereldrede, de Logos, verschijnt als het boek waarin ‘al het bestaan van de wereld is ingeschreven en opgetekend.’ De Logos verschijnt verder als de Zoon Gods ‘de wegen van de Vader navolgend, de oerbeelden schouwend, vormt Hij  gestalten.’” (III, 61)

            De openbaarmaking van de wijsheid in het mysterie van Golgotha is eigenlijk het oerfeit van het boek. De inhoud van het verborgen boek treedt in de openbaarheid, wordt voor degenen leesbaar die de zin van deze openbaarmaking, door hun eigen gedrag verwerkelijken en levendig houden. Deze openbaarmaking is reeds in het geheimenis van de voorchristelijke mysteriën aangelegd, in zekere mate voorbereid, hoewel ze in hun essentie het tegendeel zijn (ze berusten immers op het geheim). 

            “Als we in de inwijdingstempel zouden kunnen kijken, waarin de mensen aan de Osiris-metamorfose werden onderworpen, dan zouden we zien dat de gebeurtenissen microkosmisch de wording van de wereld weergeven.” (V, 86).

            Dat is de voorbereiding van het naarbuiten treden op het fysieke plan, het microkosmisch-worden van macrokosmische. Maar dit is pas dan tot een afsluiting gekomen wanneer het in individueel wezensgestalte op het fysieke plan naarbuiten treedt.

            “Man neme toch letterlijk wat Jezus in het Johannes-evangelie is. Hij is het ‘Woord’ dat vlees geworden is. Hij is het eeuwige dat in het oerbegin was. Is Hij werkelijk de opstanding, dan is het ‘eeuwige, oorspronkelijke’ in Lazarus herrezen. Men heeft het dus met een opwekking van het eeuwige Woord te doen. En dit ‘Woord’ is het leven waartoe Lazarus is herrezen. Men heeft hier dus met een ziekte te doen. Maar met een ‘ziekte’ die niet tot de dood voert, maar die ter ‘eer Gods’, d.w.z. tot de openbaring van God dient. Is in Lazarus het ‘eeuwige Woord’ herrezen, dan dient werkelijk het hele proces ertoe om God in Lazarus te doen verschijnen. Want Lazarus is door het hele proces een andere mens geworden. Voorheen leefde niet het ‘Woord’, de Geest in hem, nu leeft deze Geest in hem. Deze Geest is in hem geboren.”(VII, 105, 106)

            Vanuit de ziekte van het sterfelijke leven en uit het intrekken in dit sterfelijk lichaamsomhulsel  ontstaat juist de opstandingskracht van de individuele onsterfelijkheid. Deze kracht komt tot uitdrukking in een boek dat in de fysieke wereld ervaarbaar en leesbaar is.

            (Zie VIII, 114) De zeven sterren zijn de zielen van de mensengemeenschappen die van hun kant pas weer op de weg naar de hoogste gemeenschapsvormers, naar de christengemeenschap zijn.  Het “tweesnijdend” zwaard betekent: De mensen  en de gemeenschapszielen zijn voor de beslissing geplaatst of ze de “voortreffelijkste liefde” willen  oefenen of die “voortreffelijkste liefde” verlaten  die nooit vergeet dat ze alleen zin en betekenis heeft in samenhang met het ontstaan van een nieuw mysteriewezen. Van deze zin beroofd wordt de openbaarmaking een lijdensweg.

            “In de rechterhand van Hem die op de troon zat, bevindt zich het boek waarin de weg naar de hoogste waarheid is opgetekend (Op. 5:1). Slechts één is waardig het boek te openen: ‘[…] zie, de Leeuw uit de stam van Judea, de Wortel Davids, heeft overwonnen om de  boekrol en haar zeven zegels te openen.’(Op. 5:5) Zeven zegels heeft het boek. Zevenvoudig is de wijsheid van de mens.  Dat deze als zevenvoudig wordt gekenmerkt, hangt weer samen met de heiligheid van het getal zeven. Als zegel kenmerkt de mystieke wijsheid van Philo de eeuwige wereldgedachten  die in de dingen zich tot uitdrukking brengen. Mensenwijsheid zoekt deze scheppingsgedanken.  Maar pas in het boek dat daarmee is verzegeld staat de goddelijke waarheid. Eerst moeten de grondgedachten van de schepping worden onthuld en de zegels gebroken, dan wordt openbaar wat in het boek staat. Jezus, de leeuw, vermag de zegels te verbreken. Hij heeft de scheppings-gedachten een richting gegeven die door hen heen tot wijsheid voert. - ”Het lam, dat geworgd werd en dat God met zijn bloed kocht, Jezus, die de Christus in zich gebracht heeft, die dus in de hoogste zin van het woord door het mysterium van leven en dood is gegaan, opent het boek (Op. 5:9-10)” (VIII, 116)

            Het openen van het boek is eigenlijk het zelf-boek-worden van de voorheen kosmische wijsheid in een individueel  wezensgehalte dat op het fysieke plan treedt. En juist dit openen van het boek, het zichzelf-tot-openbaar-boek-maken heeft zijn zin alleen daarin omdat daardoor in de mensen een nieuwe kracht ontstaat om de geestelijke wereld te vinden, deze individuele onsterfelijkheidskracht die de eerste en grondkracht van de geloofskracht is en het eerste kenvermogen van de kennisgemeenschap. En wederom is deze openbaarmaking alleen zinvol in samenhang met de vorming van een nieuwe mysterieplaats, die als gemeenschapsvorming aanvankelijk de individuele onvolkomenheden in zich betrekt, dan de vorming van de kennisgemeenschap die vanuit het gewone dagbewustzijn de weg in de geestelijke wereld vindt.

            “En nadat getoond is hoe alles wat te zeer aan het vergankelijke hangt om tot het waarachtige christendom te komen de dood heeft gevonden, verschijnt de sterke engel met het geopend boekje en geeft het aan Johannes (Op. 10:9):: ‘En hij zeide tot mij: Neem het en verslind het, en het zal bitter worden in de maag, maar in uw mond zal het zoet zijn als honing.’ Johannes dient niet alleen in het boekje te lezen, hij dient het helemaal in zich op te nemen, hij dient zich met de inhoud ervan te doordringen.” (VIII, 119)

            Dit helemaal-in-zich opnemen betekent pijn voor het met de dood doordrongen organisme. Maar dit verandert  in de smaak van honingzoetigheid, in de smaak van de eenwording met de geestelijke wereld en het één worden met degenen die  zich in de gemeenschap met de geestelijke wereld willen verbinden. Het boek neemt op een regelrecht schokkende  wijze een standpunt in tegenover de allermodernste  problemen.  Wat zou actueler zijn dan de vraag: Hoe leeft in deze wereld een ongeremde en schaamteloze openbaarmaking van datgene in de mensen wat ze vanuit het innerlijkste van hun wezen hun onsterfelijkheid zodanig doet ervaren dat deze individuele ervaring tegelijk gemeenschaps-ervaring is? Op deze vraag wordt een verbazingwekkend duidelijk antwoord gegeven:  Deze bevat het feit van de openbaarmaking, die luidt dat de weg in de geestelijke vanuit het gewone dagbewustzijn begint. En de openbaarmaking heeft alleen zin als de uiterste kant van iets dat het allergeheimste is, namelijk het ontstaan van een nieuwe mysterieplaats en een nieuw mysteriebewustzijn.



[1] ) Herbert Witzenmann is ook de schrijver van een congeniaal commentaar op De filosofie van de vrijheid van Rudolf Steiner dat ik bijna volledig in het Engels vertaald heb onder de titel The Philosophy of Freedom as a Basis of Artistic Creation (zie http://freedom-and-creation.blogspot.nl)

VIII. “Het kustzinnig wonderbaarlijke in dit 4de hoofdstuk “De mysteriewijsheid en de mythe” is dat Rudolf Steiner de weg naar de feestelijke inwijdingsgebeurtenissen in Eleusis beschrijft, doordat hij een heel bepaalde reeks mythische beelden weergeeft als tussenstops van deze zielsmatig-geestelijke transformatieweg.”




“In de rechterhand van Hem die op de troon zat, bevindt zich het boek waarin de weg naar de hoogste waarheid is opgetekend (Op. 5:1). Slechts één is waardig het boek te openen: ‘[…] zie, de leeuw uit de stam van Judea, de wortel Davids, heeft overwonnen om de boekrol en haar zeven zegels te openen.’ (Op. 5:5) Zeven zegels heeft het boek. Zevenvoudig is de wijsheid van de mens. Dat deze als zevenvoudig wordt gekenmerkt, hangt weer samen met de heiligheid van het getal zeven. Als zegel kenmerkt de mystieke wijsheid van Philo de eeuwige wereldgedachten die in de dingen zich tot uitdrukking brengen. Mensenwijsheid zoekt deze scheppingsgedanken. Maar pas in het boek dat daarmee is verzegeld staat de goddelijke waarheid. Eerst moeten de grondgedachten van de schepping worden onthuld en de zegels gebroken, dan wordt openbaar wat in het boek staat. Jezus, de leeuw, vermag de zegels te verbreken. Hij heeft de scheppingsgedachten een richting gegeven die door hen heen tot wijsheid voert. – Het lam, dat werd geworgd en dat God met zijn bloed kocht, Jezus, die de Christus in zich had opgenomen, die dus in de hoogste zin van het woord door het mysterie van leven en dood is gegaan, opent het boek” (Op. 5: 6-10); (VIII, 116)

            Het kustzinnig wonderbaarlijke in dit 4de hoofdstuk “De mysteriewijsheid en de mythe” is dat Rudolf Steiner de weg naar de feestelijke inwijdingsgebeurtenissen in Eleusis beschrijft, doordat hij een heel bepaalde reeks mythische beelden weergeeft als tussenstops van deze zielsmatig-geestelijke transformatieweg. Deze gaat door de negenheid (3 x 3 beelden). Elke der drieheden is een herhaling van de voorafgaande drieheden, zodanig dat de weg een zich opwindende spiraal is.      

1. De eerste drieheid van mythen vestigt, wat meteen opvalt, onze aandacht  op  iets wat de mens in zijn driedelig wezen  aan zich draagt, dat hij als iets bedreigends dat hem wil dwingen beleeft, waarmee hij als een overwinnar moet zien klaar te komen. Over dit zegevieren van het uit het fysieke opstijgende lagere spreekt om te beginnen de Sage van Theseus (IV, 67 ). Die schildert in beeldvorm wat in ons innerlijk gebeuren van de ziel iets alledaags is, maar iets dat alledaags onopgemerkt blijft: het kennismysterie dat aan elk wakker ogenblik van ons bewustzijn ten grondslag ligt en elk van deze ogenblikken draagt en vorm geeft zonder dat de ziel zich van dit vormgeven bewust werd of wilde worden. Het gaat er bij dit kennismysterie om dat het geestelijke in de ziel, dat we voortdurend behoeven (voor de kleinste handbeweging behoeven) we de ordeningskracht van de geest, van het denken), voortdurend door de zintuiglijk wereld opgezogen, beroofd wordt. Die verschijnt als vreselijke rover en wurger, omdat ze voortdurend dit tribuut van onze geest vereist. Maar we kunnen van dit Minotaurische in ons losbreken, wanneer we ons ervan bewust worden dat in ons tegelijk de kracht leeft die ons van dit monstrueuze bevrijdt dat ze tracht te onderwerpen. Dit overwinnen geschiedt met behulp van draden van kennis die de geest door de verwarrende zintuiglijke wereld legt. Aan de hand van deze draden vinden we de plek waar we de gevaren overwinnen en daarna zegevierend tot ons zelf terugkeren kunnen. Van de zegevierende overwinningskracht van het kennend bewustzijn spreekt dus dit eerste mythisch-imaginatief beeld – van de kracht van het denken dat om te beginnen ontwikkelt wordt  doordat het zich aan de gevaren van de zintuiglijke wereld bloot stelt, dat echter de zin van deze gevarenwereld pas ervaart, wanneer het in zichzelf de kracht ontdekt om datgene monstrueuze te overwinnen en terug te dringen dat dit geestelijke op deze gevarenweg voortdurend begluurt. Inherent aan dit denken is de kracht van de terugdringing van ons nauw met de zintuigen verbonden organisme. Op die manier wordt het in de stijl van de Filosofie van de vrijheid  [van Rudolf Steiner] weergegeven.  (Hoofdstuk IX, 4de alinea). Dit beeld spreekt dus van de mogelijkheid ons organisme te overwinnen, terug te dringen. Het vestigt onze aandacht op de belevenissen die we in samenhang met onze lichamelijkheid, vooral met onze fysieke lichamelijkheid hebben.

            Wat drukt de mythe van Boreas (IV,69) uit, wanneer we die weer als station van een zielenweg, als zielengebaar begrijpen? In ons wezen is iets zich wat op natuurlijke wijze kan transformeren – ik bedoel nu niet de geestelijke ik-achtige transformatievaardigheid die we zelf eerst bevatten, versterken en opleiden moeten, maar de natuurlijke transformatievaardigheid die al wat leeft eigen is. Deze treedt als iets elementair bruisends op en wel met een zekere recht waar het om de levende natuur gaat. Daar wendt zich het geestelijke naar hem toe. Het zou het geestelijke willen aangrijpen en met geweld naar zich toe sleuren en moet in ik-achtige wilsoefeningen opgeleid worden met het oog op zijn aanspraak op die hogere verschijning van de transformatiekracht. Als men zich in dit gebaar inleven kan, waartoe de Boreas-mythe wil aansporen, dan zegt ze ons dat de lagere transformatiekracht, die in onze lichamelijkheid ligt, vooral in zover het een levendige lichamelijkheid is, maar ook tot in het zielengebied, in een juiste samenhang moet worden gebracht met de hogere transformatiekracht. Het harmoniseren van de lagere met de hogere transformatiekracht is waar het hier om gaat. Het lagere scheidt ons van de wereld af en werkt als egoïsme in ons, opdat we zelfstandig worden. Dit lagere moeten we op zo’n manier onder de knie krijgen dat het niet tot een overweldenaar wordt, maar dat we uit hem alleen het zelfstandigheidsvermogen binnen het geestelijke, dat onze enge eigenheid overtreft, behouden. Op de transformatievaardigheid van al wat leeft vestigt de mythe onze aandacht, dus op datgene wat met het levenselement, het etherische van doen heeft.

            Evenzo uit Plato’s Phaidrus  stamt het beeld van het span waardoor de ziel wordt getrokken (IV, 70).  Het volgt de menner wel of niet, al naar gelang het koppige of het gewillige ros de bovenhand krijgt. Op de kringloop die de ziel op haar weg beschrijft vormt het koppige ros, dat haar in de lichamelijkheid binnentrekt, makkelijk een hindernis voor haar naarbinnen gaan in de geestelijke wereld. In haar belichaming dient de ziel echter geen van beide richtingen uitsluitend te volgen, waarin de verschillende rossen trekken; de juiste richting  heeft ze telkens per geval zelf te bepalen.  Het is het motief van polariteit en stijging. Steeds weer ziet zich de ziel voor de keus tussen rechts en links gesteld. Maar alleen in het midden van deze polariteiten vindt zij de weg naar het ware zelf dat de menner door de belichamingen is. In de verhoging van de polariteit, in de overwinning van de polariteit, vormt zij datgene wat in haar waarachtig ziel is.

            Daarmee wordt onze blik van het fysieke via het etherische naar het astrale gericht dat in het lichamelijk organisme van de mens het meest met het zielsmatige overeenkomt, datgene principe in ons dat tussen de polariteiten het verhoogde midden vindt. Er is in ons iets als aanleg voorhanden wat naar rechts en links trekt, maar ook de mogelijkheid tussen het naar rechts en links trekkende het midden, de bestuurder te vinden.  Zo richten alle drie mythen de blik op datgene wat we reeds hebben, in ons dragen en wat in gevaar is door datgene wat ons onze eigen egoïstische eigenwezenheid geeft, wat ons echter ook, wanneer we het overwinnen en transformeren kracht kan geven om ons als zelfstandig wezen in het geestelijke te beleven. Anders zouden wij in de geestelijke wereld contourloos binnentreden en zonder zelfstandigheid en eigenheid  versmelten.         

2. Bij de tweede drieheid van deze mythische beelden gaat het minder om de uiteenzetting met datgene wat wij hebben, in ons dragen in onze wezenheid, maar veeleer om wat wij in een aardeleven door werk aan onszelf verwerven kunnen aan krachten die ons in de werkelijkheid, in de geestelijke wereld naarbinnen leiden. Dat wordt reeds duidelijk in de gelijkenis van Boeddha (V, 88-92), waarmee de tweede drieheid van deze mythen-imaginaties begint. Daar gaat het om een man die met de gewaarwordende krachten van zijn gewaarwordingsziel levenservaringen maakt, de gevaren ervan doorstaat en uiteindelijk uit deze ervaringen aan de hand van het gewaarworden van deze levensgebeurtenissen de mand vermag te vlechten die hem over de stroom van het aardse wereldgebeuren heen in de geestelijke wereld draagt. De vier slangen zijn het natuurlijke bestaan met zijn vier elementen, de dreigingen van het natuurlijke. De vijf moordenaars zijn vertegenwoordigers van het zintuiglijk organisme, die om te beginnen in de vijf hoofdzintuigen weergegeven worden die het geestelijke verwurgen willen, omdat ze het geheel voor zichzelf in beslag nemen. De zesde is datgene waaraan ons organisme überhaupt ten grondslag ligt, als vatbaarheid voor de tirannie van het zintuiglijke. Dat wil ons bewustzijn beroven, de kop afslaan. Maar ook daaraan ontsnapt de man. Als hij zich steeds meer uit de verwikkelingen van de lichamelijkheid losmaakt komt hij in de leegte waarin men binnentreedt wanneer men zich uit de klauwen van de lichamelijkheid rukt. Maar een stem waarschuwt voor dieven. Ook daaraan ontsnapt hij, echter nog niet voorgoed. De aardse ontwikkelingsstroom bruist in alle breedte om hem heen. Om daarover aan de oever van de geestelijke wereld te komen, blijven hem alleen de kommerlijke  bestanddelen van de aardse ervaringen. De ziel maakt de ervaring dat zij juist in de omgang met de zintuiglijke wereld kan leren  om door de levenservaringen zichzelf te begrijpen, zichzelf te helpen en een zelfstandig wezen te worden. Als een individueel wezen in de geestelijke wereld binnentredend  is zij niet onzelfstandig, koploos en contourloos, maar dankzij de in de levenservaringen verzamelde kracht een zelfstandig wezen. De mythe van de levenservaringen en haar transformaties leert dat de ziel zich uit de verwikkelingen in de lichamelijkheid moet losmaken en haar verlangen naar de zintuiglijke wereld moet opofferen, dat zij getransformeerd verder kan bestaan als individualiseringskracht binnen de geestelijke wereld.  In zover de ervaringen in de waarnemingswereld de grondslag van de individuele zelfstandigheid  zijn, draagt de ziel, als gewaarwordende ziel, in zichzelf de sleutel tot het geestelijke.

            Ook bij de mythe van Osiris (IV,71;V, 84) gaat het om datgene wat wij verwerven kunnen door middenin een levenslot te staan, in een ons omgevende levenswereld, haar gestalten, wezens en gebeurtenissen, echter nu minder als gewaarwordend-ervarend wezen, maar meer als wezens die met hun verstands- en gemoedskrachten datgene nagaan wat overal in de wereld als spiritualiteit vertekend en betoverd is. Osiris is betoverd in de ons omgevende wereld. Doordat we daarmee als verstands- en gemoedsbegaafde wezen omgaan, beleven wij min of meer onbewust dat het in de wereld betoverde geestelijke zich in ons wil individualiseren en een nieuwe gedaante wil verkrijgen. Waartoe dat leidt, daarvan spreekt de Hercules-sage. Osiris herrijst juist uit de verminking in zijn volle kracht en vermag de boze broeder Typhon-Seth te overwinnen. Deze overwinningskracht valt als stralend licht op zijn zuster-echtgenoot Isis, en uit deze lichtberoering ontstaat de zoon Horus. Dat is een geweldige mythe van het doodsoverwinning- en opstandingsmotief. Het goddelijke is in de natuurlijke wereld uitgebreid en verstrooit, zonder aanvankelijk tot zijn hoogste zelfgestalte te komen. Die ontvangt dit goddelijke pas, wanneer het in de kennis van de mens die op een scholingsweg gaat, uit de verminking in de wereldnatuur herrijst, in de ziel als de Logoskracht van het menselijk-oerbeeldachtige. Pas de doorgang door de dood in de zintuiglijke wereld verleent de ziel de doodsoverwinning- en opstandingskracht. Dat is een nieuwe wending van het motief dat ons de hele tijd bezig houdt, dat de ziel in de overwinning van het zintuiglijk gevaar de zelfstandigheidskracht verkrijgt om in de geest als individueel wezen te leven. Dat is eigenlijk de zielsmatige basisfiguur van de zielenmythen die bij de ziel past. In zover zij verstands- en gemoedsziel is wijdt ze zich voortdurend aan het in de natuur verminkt geestelijke. Wanneer zij echter de zin van deze toewijding onderkent als doorgang door de dood om daardoor de zelfstandigheid te bereiken, verkrijgt ze de overwinningskracht.

                Hercules (IV, 74 f.) is de grote mens, de wereld in haar universaliteit ervarende mens, de grote lijder maar ook de grote overwinnaar die de twaalf werken doorloopt en dan ervaart dat hij een totaalbestaan in het universum heeft. In elk van deze werken ontmoet hij eigenlijk zichzelf als een taak die hem de wereld stelt.  Hij moet zich telkens in een andere verhouding van zijn eigen wezen tot de wereld ervaren en transformeren, dan beleeft hij bewust het opnieuw vinden van het in zijn eigen wezen liggende in de wereld. Van de twaalf zelfoverwinnende werken van Hercules is het laatste het moeilijkst: de helhond naar boven te brengen. Daartoe moet hij zich in de Eleusinische mysteriën  laten inwijden, aldus  aan het eind van zijn inwijdingsweg komen en daaruit de kracht putten het werkzame van het onderwereldse, d.w.z. natuurlijke bestaan te beteugelen, te overwinnen.

            De twaalf werken zijn een gang door de gehele wijdte van de wereld, ook van de twaalf zielsmatige ontwikkelingsmogelijkheden, waarop de ziel die loutering en vervolmakingskracht verkrijgt die naar de doodsoverwinning voert, krachtens welke ze ook begint om in het geestelijke, d.w.z. in het universele van de wereld te existeren. Het geestelijke is immers het alles doordringende. Het is de taal van de Filosofie van de vrijheid, de weg naar het totaalbestaan in het universum.  Want het geestelijke in de mens, het ideeën-denkachtige dat zich uit de ban van het zintuiglijke, de ban aan het organisme en de ons hier bekruipende gevaren rukt, bevat zich in zichzelf als een zodanige dat deelneemt aan het wereld-geestelijke, aan het alles doordringende geestelijke. De bewustzijnsziel,  die van zichzelf waarachtig bewust wordt, weet dat haar lichaam als de eigenlijke grondslag van haar zelfstandigheid de aanspraak  geeft  om door de

3. De derde drieheid van de mythen behandelt wat in de beide voorafgaande drieheden als aanleg voorhanden is. Wanneer ik de in mijn lichamelijke wezenheid bedreigende lagere natuur overwin en transformeer en zodoende in een strevend leven ervaringen verkrijg, dan transformeren zich deze in onsterfelijkheidskrachten. Hoe deze transformatie van de levenservaringen in onsterfelijkheidskrachten geschiedt, dat zeggen de drie laatste mythen:

            Aan de sage van de Argonauten (IV,75 ff.) ligt dezelfde basisfiguur als de behandelde mythen ten grondslag. Alle zijn metamorfosen van een oermythe: dat de mens oorspronkelijk met de geestelijke wereld verbonden was als een onzelfstandig lid, maar dat hij zich echter verder ontwikkelen kan, wanneer hij zich daarvan losmaakt, dus de wereld van het lagere bewustzijn ingaat die hem van de hogere geestelijke wereld om te beginnen scheidt. Maar alleen in deze scheiding kan hij door transformatie en overwinning van het lagere de kracht verkrijgen om zich zelfstandig weer met het geestelijke te verenigen.  Zo is ook het Gouden vlies, het vooreerst verloren hoge geestelijke van het mensenwezen, naar wiens glinsterende goudheerlijkheid ook in de laagten van zijn wezen een oneindig verlangen en moedkracht streeft. Ook herwinnen kan de mens het Gouden vlies, wanneer hij met de toverkracht van zijn bewustzijn de draak bedwingt om zich met het verlorene op een nieuwe wijze te herenigen.  Daarbij moet het hogere bewustzijn echter een tribuut aan de zintuiglijke wereld afdragen: Absyrtas die geofferd moet worden, opdat Aëtes de herwinnaar van het Vlies niet bereiken kan. Het is immers niet de bestemming van de mens om een onzelfstandig lid van de geestelijke wereld, van het geweldig oer-organisme, te zijn, maar een waarachtig geestzelf te worden. Het is de mythe van het geestzelfachtige of ook de mythe van de imaginatie, kan men zeggen: want die is immers juist niet datgene, waarvoor men ze in een misverstand veelal houdt:  het zich passief blootstellen aan beeldbetoveringen. Dat zou slechts iets verleidends zijn. De imaginatiekracht is juist de kracht van het beeldloze dat de beelden vormgeeft. Door het beeldloze actief-zijn in het beeldachtig verbeelden beleven wij ons als zelfstandige individualiteiten die deelname hebben aan een geestelijke wereld, waar we louter ontvangers noch willekeurige actieven zijn. Wij zijn daar in een beeldloos actief weven, waarin wij onszelf blijven, maar tegelijk iets doen wat zijn eigen objectieve continuïteit heeft.  Subjectiviteit en objectiviteit zijn in een wonderlijk gebeuren één en hetzelfde. Maar het gebeuren zelf is tijdloos, oordloos en beeldloos.  Wij vertalen het echter meteen in zintuiglijke beelden, en alleen in zover we dat doen, kunnen wij ons daaraan herinneren. De sage van de Argonauten is de mythe van het geestzelf of de imaginatie. Men kan aan deze mythe werkelijk het imagineren leren.

            Prometheus (IV; 78 ff.): Dat Zeus met een sterveling een zoon zal verwekken die de drager van een nieuwe geestelijkheid dient te zijn, dit geheim spreekt Prometheus pas uit als Hercules hem bevrijdt, dit oerbeeld van een geweldige myste die door het standhouden van twaalf moeilijke taken een totaalbewustzijn van het universum heeft bevochten. Ook moet zich de kentaur Chiron geofferd hebben, dit wezen waarbij zich het menselijke uit het dierlijke losweekt. Het overwinnende van het dierlijke is het waarachtig bevrijdende. Wanneer dat tot een doorbraak is gekomen en het Titanisch-wilsmatige ondergaan en door en door gelouterd is kan datgene gebeuren waar het altijd weer om gaat: dat met het menselijk-individuele  zich iets goddelijks verenigt. Dan is de mens niet een geestzelf, maar een levensgeestelijke die met het geestelijke waarachtig leeft en waarin het geestelijke aanwezend kan zijn, dus een wezen dat niet alleen imagineren kan, iets geestelijks met individueel willens meemaken moet, maar beleeft hoe in dit innerlijk meemaken de adem van het goddelijke intrekt (Inspiratie).

            Odysseus (IV, 79 ff.): De cyclopen beteken de lagere natuur in de mens, het in egoïstische eigenheid afkrakende, naar beneden halende. Kirke, die in een betoverend en verleidend mooi landschap leeft, is de lagere geesteskracht die de mens alleen nog dieper in het dierlijke binnen trekt. Zij transformeert enkele gevaarten in dieren, maar Odysseus overwint Kirke en de overwinning van het lagere juist in het geestelijke stelt hem in staat de vaart in het dodenrijk nog in leven te maken, myste te worden, d.w.z. hoewel nog levend in het fysieke lichaam toch toegang tot de geestelijke wereld te hebben. Ingewijd wordt hij door de ziener Teiresias in de onderwereld, Maar dat betekent nog niet dat hij binnen de geestelijke wereld zeker is. Hij moet nog enkele verzoekingen en gevaren overwinnen. Hij moet de verlokking door de Sirenen standhouden, dat zijn vrij geworden geesteskrachten  en wel  fantasiekrachten die zich makkelijk in het willekeurige, fantasmagorische en illusionaire  verliezen. Hij moet tussen Skylla en Charybdis  door. Dat zijn de grote gevaren die dan en juist dan dreigen, wanneer de mens reeds de weg in de geestelijke wereld heeft betreden. Hij kan dan te diep het materiele ingaan of te zeer in het geestelijke binnengetrokken worden. De juiste middenweg vermag geen enkele van de gevaarten aan te houden, allen komen om. Alleen hij redt zich op de laatste plank naar het  eiland Calypso. Nadat hij daar in grote afgeslotenheid een zeven jaar lange strenge inwijdingsscholing heeft doorgemaakt, treft hij in het land der Phäaken in bekoorlijkste gestalte nog eenmaal datgene wat in de uiterlijke zintuiglijke wereld hem zou willen vasthouden.  Maar de hereniging met het hogere, dat door Penelope is weergegeven, kan alleen door onthouding van elke zweem van  begeerte bereikt worden. Gevoerd door Athene, de wijsheid, komt hij als bedelaar thuis, d.w.z. hij heeft alles afgelegd wat hem van de zintuiglijke wereld aankleeft.  Penelope houdt de opdringerige vrijers weg, doordat wat ze overdag gewoven  heeft ’s nachts weer ontrafelt: Het bewustzijn dat nog in het logische van de zintuiglijke wereld bezig was, moet ook dat afleggen en mag alleen behouden wat als innerlijke oefeningswinst en innerlijke onthoudingskracht overblijft; maar de kandidaten willen dat weer in het zintuiglijke trekken. Na overwinning van de smadelijk om de trouwe echtgenote ijverende vrijers verenigt zich Odysseus als werkelijke geestmens met haar in het huis dat ze om de olijfboom gebouwd hebben dat door het huis groeit. Als werkelijke geestmens heeft Odysseus de intuïtiekracht verworven. Door het afleggen van zijn lagere geestelijkheid kon hij één worden met het hoogste geestelijke in het eigen wezen en in de wereld. 

woensdag 13 oktober 2021

XI. “De verbinding van de Griekse en Egyptische mysteriënimpulsen voert ons op de weg naar het mysterie van Golgotha”

Het 5de hoofdstuk “De Egyptische mysteriewijsheid” wordt in zijn wonderlijke configuratie uit de vijfde trede van de zielsmatige ontwikkelings- en meditatieweg ontwikkeld die we de heilige weg genoemd hebben. De overgang naar het 5de hoofdstuk gaat uit van de mythe van Osiris die oorspronkelijk een Egyptische is, maar  helemaal gelijkvormig  in de Griekse mythologie overgenomen werd. De uitgang van de mythe van Osiris in het 5de hoofdstuk dient ertoe om onze blik op het mysterie van Golgotha te richten, waaraan de hoofdinhoud van dit hoofdstuk is gewijd. Eleusis, het doel van de heilige weg, betekent de grootste wijsheidsimpuls van het Griekendom. Die straalt over het hele Griekendom uit en wordt uiteindelijk afgesloten in de wijsheid van de grote filosofen. Met deze wijsheidsimpuls wordt nu deze impuls verbonden die voor het Egypte bijzonder karakteristiek is en zich dus in de mythe van Osiris uitdrukt. De verbinding van deze beide impulsen voert ons op de weg naar het mysterie van Golgotha. Voor het Egyptendom, waarvan de mysteriewijsheid is samengevat in de mythe van Osiris, is de aanleg van de individualiteitimpuls karakteristiek. De aanleg  van de zelfstandige individualiteit hangt samen met de fysieke lichamelijkheid, deze geeft ons de afgrenzing, de afscheiding van de geestelijke wereld, waarin zich de mens, eer hij zich volledig in zijn lichaam geïncarneerd voelt, als een onzelfstandig lid beleefde. De beklemtoning van de vanuit de fysieke lichamelijkheid uitgaande en tot zelfstandigheid voerende krachten is een van de hoofdimpulsen van de Egyptische cultuur. De aanleg van de persoonlijkheidsimpuls komt ook tot uitdrukking in het streven om het lichaam door balseming zo lang mogelijk te bewaren, en in de kernbeleving van de Egyptenaren voor het dodengerecht met datgene te doorstaan wat hij uit het beleven van de lichamelijkheid de geestelijke wereld  naarbinnen draagt . Men hoeft alleen maar een zinnende blijk over de Egyptische cultuur te laten struinen om steeds weer hetzelfde te merken: dat de goden als brengers van de akkerbouw geprezen worden, het stiersymbool etc. Wat de mens uit een lichaam door de dood draagt, is eigenlijk het onvergankelijke van datgene wat hij in het leven  als (men kan het voor destijds nog niet zeggen) vrije persoonlijkheid, maar als enkele wezenheid beleeft. Dat is de bloedimpuls. De bloedzuiveringsimpuls is eigenlijk datgene wat er uit het Egyptische cultische en mystieke streven uitstroomt.

            Bij de wijsheidsimpuls van de Griekse cultuur daarentegen gaat het om iets anders, gekarakteriseerd onder de hier wezenlijk verschijnende gezichtspunten: Bij de grote wijsheidsimpuls komt her er minder op aan om het gelouterde onvergankelijke element, dat de mens tot een zelfstandige wezenheid maakt, over de dood heen te redden; het dodenrijk is voor de Grieken een schimmenrijk. De Grieken keken in hun oorspronkelijke  aanleg voor wijsheid naar het evolutionaire element dat in de ontwikkeling van de wereld tot uiting komt. De grote mythe is door en door een evolutiemythe. Dat wordt uitgedrukt daardoor de godengeslachten elkaar aflossen, een ontwikkeling waaruit ook de mens in zijn heerlijke aardelichamelijkheid voortkomt. Het oudste godengeslacht vormen Gäa en Uranos. De tweede godengeneratie is vertegenwoordigd door Rhea en Chronos, de tegenwoordige door Hera en Zeus.  Uit deze wereldevolutie komt niet het over de dood heen gered bloedselement van de Egyptische cultuur, maar daar komt het brood eruit, het lichaam van de mens die uit de wereld- godenevolutie  ontstaat. Het dagelijks brood van het menselijke lichaam dat uit de wereld- en godenevolutie vandaan komt is het waarnaar de Griekse mythe verwijst. Dit brood moet zich verbinden met de drank van de menselijke evolutie, de bloedstroom die uit de Egyptische cultuur vandaan komt. Wanneer zich beide verbinden, kan het mysterie van Golgotha ontstaan. Derhalve de heilige weg van Eleusis en, daaruit zich ontwikkelend, het zicht op het mysterie van Golgotha – Het 5de hoofdstuk heeft zeven alinea’s (een kort overzicht over het 5de hoofdstuk, 1ste alinea, V, 84 f.):

1. Het geheim van het getal: Voor het dodengerecht komend (zie beeld) gaat het voor de Egyptenaar, met name voor een ingewijde Egyptenaar, erom dat zo te doorstaan dat hij zichzelf als een Osiris mag beleven (“Osiris N.”). Dat was een belevenis na de dood; door het mysterie van Golgotha kan het in volle geldigheid in het aardeleven worden ervaren. Daarmee wordt naar het geheim van het getal verwezen en überhaupt naar het geheim van gemeenschaps- en cultuurvorming, want het leven en de vorming van een cultuur hangen ervan af of zich de leden als dragers van een bovenpersoonlijke Godsindividualiteit beleven kunnen.  In de Osirisbeleving  had de Egyptenaar deze oerbelevenis van alle cultuurvorming, natuurlijk ook de oerbelevenis van de inwijding. Laatstgenoemde mag men ook als het geheim van het getal uitspreken:  De Ene, het  bovenzinnelijke godswezen, leeft en weest in de velen en de velen in de Ene. Deze vereniging van eenheid en veelheid, die later tot eenheid van vrijheid en gemeenschap wordt, geschiedt door de fysieke lichamelijkheid van de mens, want het fysieke lichaam maakt het de mens mogelijk zich als zelfstandige eigene wezenheid te beleven en zich gelijktijdig uit de overwinning van de lichaamsbelemmeringen vandaan in het bovennatuurlijk-geestelijke als een daarin opgenomen individualiteit te ervaren. Het is het fysieke gezichtspunt dat in de 1ste alinea behandeld wordt.

2. In de 2de alinea (V,84) wordt nog eenmaal de mythe van Osiris beschouwd, aanvankelijk onder het vorige gezichtspunt dat dan later in het macrokosmische verbreed wordt. In het 4de hoofdstuk  waar de mythe van Osiris in de heilige weg wordt ingelijfd, spelen de uitdrukkingen een grote rol die onze aandacht op de verbinding van de Osiriswezenheid met de fysieke wereld  en de fysieke  lichamelijkheid vestigen: Er wordt van een kastje gesproken waarin Osiris zich legt. Isis redt het lijk, Typhon bemachtigd het weer, snijdt het in stukken en begraaft ze. Derhalve bestaan er vele Osirisgraven in Egypte: In de menselijke kennis kan de in de fysieke wereldwezenheid ingestorven god weer opgewekt worden.  Op karakteristieke wijze wordt in aanknoping daaraan beduidende dingen over het wezen van de imaginatie gezegd, want deze opwekking in het kennen voert nu eenmaal naar imaginatie. Dan wordt nogmaal van de mythe van Osiris gesproken, maar nu niet vanuit het aarde- en mensheidsgezichtspunt, maar het kosmische gezichtspunt. Daar treedt voor het eerst in een grandioze metafoor dit boek het beeld van het kruis op: De wereldziel is in kruisvorm op het wereldlichaam gespannen en in de initiatie van de initiant wordt de wereldziel losgemaakt van deze verbinding van haar met het wereldkruis. Dus, de verlossing van het in kruisvorm op het wereldlichaam gespannen, dat is nu het gezichtspunt waaronder de mythe van Osiris gezien wordt. De Osirisbeleving is het microkosmisch meemaken van dit macrokosmische proces: “Het macrokosmische Osiris-wereldproces moet de naar het hoogste bestaan strevende mens in zichzelf herhalen.”(V,86)

            Het is de ene keer de blikrichting van onder naar boven, van het aards-lichamelijke naar het geestelijke toe, dan (tweede punt) die van het geestelijke naar het aards-lichamelijke. Aan het kennisproces deel te nemen is eigenlijk het levenselement van de initiant.

Toevoeging: Over het “herhalen van het Osiris-wereldproces” in ons kunnen wij uit eigen ervaring iets zeggen en begrijpen. Daartoe worden we aangezet door de Filosofie van de vrijheid. Wij onderkennen dan dit hoogste cultisch feit van het Osiris-mysterie voortdurend plaats vindt in onze ziel, zonder dat we er aandacht aan schenken.  Kennis is toch werkelijk de herhaling van het kosmisch feit. Met goede wil kunnen we observeren hoe in ons individueel kennisbeleving zich iets voordoet wat met de macrokosmische ontwikkeling overeenkomt. Want deze macrokosmische ontwikkeling, die we dan vanuit onze kennisbeleving wat betreft haar betekenis pas juist begrijpen, is volgens de weergave van de Filosofie van de vrijheid het volgende: Uit het oergoddelijke voortgekomen ongeordende stoffelijkheid wordt door het steeds opnieuw onderduiken van goddelijk-geestelijke hiërarchische wezens geordend en stapsgewijs opgebouwd (aardwaarts). Bij de observatie van ons kennisproces nemen wij werkelijk waar dat wij hier van het Osiris-mysterie op een moderne wijze bewust worden; want datgene wat we door onze zintuigen ervaren is immers ongeordende stoffelijkheid.  We hebben het vaak voor ogen gehaald: boven, onder, rechts, links, voorheen, achteraf, deze primitiefste ordeningsbegrippen worden aan ons niet door de zintuigen gegeven, ze kunnen niet waargenomen worden, maar ze ontstaan pas doordat ons denken de ongeordende waarnemingswereld doordringt. Ook de ordening daarvan volgens ruimte en tijd ontstaat pas door de ingreep van ons denken in de ongeordende stoffelijkheid van onze zintuiglijke waarnemingen die, wanneer  we daarvan juist bewust worden, op zich ruimtelijk noch tijdelijk zijn, we staan daar in eerste instantie tegenover een oertoestand.  Alleen zien we over het hoofd wat onder de bewustzijnsdrempel zich bij de ordende ingrepen van het denken in de waarnemingswereld afspeelt en hoe door ons denken de werkelijkheid in bepaalde stappen opgebouwd wordt die zich differentiëren volgens de rijken van het minerale, plantaardige, dierlijke en menselijke. Dat is het Osiris-mysterie dat wij op moderne wijze naleven, wanneer we zielsobservatie, introspectie verrichten, waartoe ons de Filosofie van de vrijheid aanzet.  Het komt erop neer zulke dingen niet gelovig te aanvaarden, maar door eigen observatie werkelijk te ervaren. In de kennisbeleving voordoet zich voortdurend onder e drempel van ons bewustzijn het Osiris-mysterie, en we vermogen door bewust observeren de dramatiek van onze ziel in het bewustzijn te verheffen. Nogmaals:

            “Het macrokosmische Osiris-wereldproces moet de naar het hoogste bestaan strevende mens in zichzelf herhalen.  Dat is de zin van de Egyptische ‘inwijding’, de initiatie. Wat Plato beschrijft als kosmisch proces,  dat de schepper de wereldziel in kruisvorm op het wereldlichaam heeft gespannen en dat  het wereldproces een verlossing van deze aan het kruis geslagen wereldziel is, dat moest met de mens in het klein gebeuren wilde deze zich in het Osirisschap bekwamen” (V,86)

            Hier komt de hele grootsheid van het macrokosmische gezichtspunt, dat ten opzichte van het vorige hoofdstuk voor het Osiris-mysterie nieuw is, tot zijn recht. Hier verschijnt ook het kruisteken voor het eerst: De wereldziel is op het wereldlichaam in kruisvorm gespannen, in zover de geestelijke krachten en grondslagen, waarop zich de menselijke wezenheid opbouwen kan, zogezegd op geheime wijze in kruisvorm in de wereld zijn verweven en op de verlossing in de individuele mensenziel wachten.

            De richting van de plant gaat zonwaarts, naar boven,  die van het dier in wezen parallel aan het aardoppervlak en de mens heeft een richting van boven naar beneden: Uit de geestelijke wereld laat hij zijn spiritualiteit in zijn organisme instralen. Deze drie wereldrichtingen, uit de overeenstemming en ontwikkeling waarvan de individuele onsterfelijkheid van de mens voortkomt en de voortgang van de wereldontwikkeling, treden in die basismeditatie op die Rudolf Steiner als oerbeeld van alle meditatie heeft gegeven: in de Rozenkruisermeditatie. Daarin wordt ons eerst die richting van onder naar boven getoond. We dienen ons in het innerlijk beleven te verzinken in de ontwikkeling van een plant van de zaad tot aan de bloesem: beweging vanonder naar boven.  die ons in het midden van het kruis voert. Dan komen we bij de plaats waar we beleven dat we onze vooruitgang tot menselijkheid alleen maken, doordat we iets innemen wat ons bovenuit  het plantenbestaan voert, maar ook onder  het begeerteloos bestaan daarvan.  Door het begeerte-element wordt ons bloed verduisterd. In de horizontale richting waarin we onze handen los moeten laten uit de richting waarin ze aan het kruis geslagen zijn, naar de richting van het bidden, gaat het om de loutering van onze aandriften en begeerten, om het wilsoffer waar het geestelijke instroomt in ons wilsleven. Door het offer van onze zelfzucht kan de wil tot drager van het echte wezenswillen van andere wezens worden. Dat zijn de drie richtingen die het wereldkruis en onze eigen wezenheid  kentekenen. Het kruis verschijnt voor de eerste keer op deze plaats in de tekst. Het Rozenkruis schittert door het hele hoofdstuk.

            “Wat Plato beschrijft als kosmisch proces,  dat de schepper de wereldziel in kruisvorm op het wereldlichaam heeft gespannen en dat  het wereldproces een verlossing van deze aan het kruis geslagen wereldziel is, dat moest met de mens in het klein gebeuren, wanneer deze zich in het Osirisschap diende te bekwamen. De initiant moest zich zo ontwikkelen dat zijn zielenbelevenis, zijn Osiris-wording, met het kosmisch Osirisproces in het Ene samensmolt.”(V,86).

            Dat geschiedt in de kennisbeleving als navoltrekken en in het navoltrekken als hervoltrekken van het kosmisch wordingsproces.  De moderne Osiris-mysterie is de inhoud van de Filosofie van de vrijheid die ons  ertoe voert om in eigen zielsmatige levenservaringen deze Osiriscult voortdurend te begeven, als voortdurend gebed in de zin van de uitspaak van Paulus: “Bidt zonder ophouden”.

            “Als wij een blik zouden kunne werpen in de inwijdingstempel waarin e mensen aan een Osiris-transformatie werden onderworpen, dan zouden we zien dat de gebeurtenissen microkosmisch de wording van de wereld weergeven. De mens die van ‘de Vader’ afstamt diende in zichzelf ‘de Zoon’ voor te brengen. Wat hij werkelijk in zich draagt, de onzichtbare god, diende  zich in hem te openbaren. Door de macht van de aardse natuur wordt deze god in hem onderdrukt. Deze lagere natuur moet eerst ten grave worden gedragen, opdat de hogere natuur kan verrijzen. Wat van de inwijdingsprocessen verteld wordt, kan daardoor begrepen worden. De mens wordt aan geheimzinnige  procedures onderworpen. Hierin wordt het aardse aan hem gedood en zijn hoger wezen gewekt. Het is niet nodig al deze procedures afzonderlijk te bestuderen. (V,86 ff.) Ze zouden niet van toepassing zijn op huidige mensen.

            “Men moet alleen om de zin ervan te vatten. En deze zin ligt in de getuigenis die een ieder die door de inwijding is gegaan kon afleggen. Diegene kon zeggen: ‘Mij zweefde voor de geest het oneindige perspectief  aan het einde waarvan de volmaaktheid van het goddelijke ligt. Ik heb gevoeld dat de kracht van dit goddelijke in mijzelf ligt. Ik heb wat in mij deze kracht onderdrukt ten grave gedragen. Ik ben voor het aardse gestorven. Ik was dood. Als lagere mens was ik gestorven; ik was in de onderwereld. Ik heb verkeerd met de doden, dat wil zeggen met diegenen die reeds zijn ingevoegd in de ring van de eeuwige wereldorde. Ik ben na mijn verblijf in de onderwereld opgestaan uit de doden. Ik heb de dood overwonnen en nu ben ik een ander mens geworden. Ik heb niets meer te maken met de vergankelijke natuur. Die is bij mij doordrenkt door de Logos. Nu behoor ik tot degenen die eeuwig leven en die aan de rechterzijde van Osiris zullen zitten. Ik zal zelf een ware Osiris zijn, verenigd met de eeuwige wereldorde, en het oordeel over leven en dood zal in mijn handen zijn gelegd. De initiant moest zich onderwerpen aan een ervaring die hem tot zulk een getuigenis kon voeren. Wat de mens op deze wijze doormaakte was een belevenis van de hoogste orde’ (V,87), doordat zich het macrokosmische in het microkosmische, het wereldse in het menselijk-zielsmatige opnieuw begeeft.

            Wij kunnen enerzijds als meest fantastische meditatie, die uit deze alinea voor ons geestesoog is geplaatst, de zojuist voorgelezen bekentenis van een ingewijde kiezen. Hoewel het niet voor ons geldt kunnen wij daaraan eerbiedig deelnemen, omdat immers de mensheid een eenheid vormt en allen aan datgene wat de mensheid aangaat deelnemen kunnen, indien ze het met de juist eerbied doen.  Men zou de alinea echter ook eenvoudig kunnen samenvatten in de woorden, door wat hier over de weg van de ingewijde gezegde zo mocht klinken: De aan het wereldkruis geslagen wereldziel wacht op de verlossing in mijn ziel.

            De eerste alinea die over het geheim van het getal gaat, is eigenlijk met het oog op de fysieke wezenheid van de mens geconcipieerd, want juist met de fysieke wezenheid hangt immers de verveelvoudiging van de individualiteiten en hun opstanding samen.  Aan de tweede alinea ligt het etherische geheim van de kruisiging en de verlossing van het kruis ten grondslag. De duidelijk tegenover elkaar afgezette gedachtenschreden zijn steeds precies in een alinea weergegeven. Hier wordt van het wonder van de inwijding gesproken, dat de levensloop van een ingewijde een typische is en dat zijn persoonlijkheidsbelevenis daarin bestaat dat hij het algemeen geldige, dat voor ieder ingewijde geldt, in zijn beleven verwerkelijkt, lijdt en doet. Voor elke ingewijde gelden typische fasen van beleven en het bereiken. Juist door dit beleven in een eeuwige wereldwetmatigheid beleeft de ingewijde zichzelf als een persoonlijkheid doordat hij de subjectieve belemmeringen ervan aflegt. Dus in de derde alinea volgt de typische levensloop van een ingewijde.  Men kan nu vragen: Er wordt toch steeds van gesproken dat de mensheidsontwikkeling culmineert in de ontplooiing van de vrije individualiteit, hier zou het kunnen lijken alsof het individuelle als een bijkomstigheid afgelegd wordt. (Daarop wordt in wat volgt beantwoord.)

            De vierde alinea laat zien door de vergelijking van Boeddha en Christus dat de levenslopen van ingewijden typisch zijn, doordat alle waarachtig grote ingewijden aanverwante treden van hun inwijdingsweg doorlopen.  Dit wordt aan het parallel van de inwijdingsweg van Boeddha en Christus weergegeven en wel zijn het zeven treden in het leven van een ingewijde waarnaar verwezen wordt. Nu is het vijfde hoofdstuk zelf zevenvoudig en uit het midden, dus de vierde alinea, licht deze zevenvoudigheid nog eenmaal op; het hoofdstuk verinnerlijkt zich in het midden nog eenmaal en laat uit zijn verinnerlijking nog eenmaal de ontplooiing van de zevenvoudigheid uitstralen:

1. Aan de Indische Maja en de Hebreeuwse  Maria wordt de komst van een ingewijde verkondigd: in het Indisch door een witte olifant, in het Hebreeuws door een verkondigingsengel. Een hoge individualiteit nadert de belichaming.

2. Profetie: De Indische Brahmaan, de Hebreeuwse priester en Schriftgeleerden zeggen dat een hoge individualiteit begint on de volksaura onder te duiken.

3. De Brahmaan Asita en de vrome Simeon onderkennen dat hier een goddelijk wezen begint zich te incarneren. Dat is de ontmoeting van ziel tot ziel. Beiden prijzen zich gelukkig dat zij de belichaming van het hoge wezen nog konden zien.

4. Nadat het hoge wezen in het fysieke en astrale is gezien, wordt het in het eigenlijk lichamelijke weergegeven. Dat is de uitwisseling in het 12de levensjaar. Met Boeddha alsook met Jezus geschiedt in het 12de levensjaar een soort uitwisselingsproces. Het wordt zo uitgedrukt dat ze verloren raken en men ze eerst zoeken en weervinden moet. Bij het weervinden vertonen ze zich als anderen,  als uitstralers van een wonderbaarlijke wijsheid.

5. De vijfde trede is die van de zelfloze, geest-zelfachtige  zaligheid. Van Boeddha en Christus wordt gezegd: “Zalig is de moeder en zalig de vader die aan de belichaming van dit wezen deelnemen kunnen.” Boeddha en Christus antwoorden: “Deze zaligheid  is niet een lichaam-zelfachtige, maar een geest-zelfachtige, een in fysieke zin zelfloze zaligheid.

6. Zowel Boeddha alsook de drager van Christus worden door de verzoeking benaderd. De ingewijde leeft juist niet in een verhoogd zelfgenot, in het genieten van de persoonlijkheidskracht die hij verwerft op de inwijdingsweg, maar in de zelfloze toewijding van deze lichaamskracht aan de geestelijke wereld.

7. Beide individualiteiten, Boeddha en de drager van de Christus ondergaan de toestand van het verheerlijkt, van het stralend lichaam. Maar de Cintámani, het verheerlijkt lichaam van Boeddha, de geestelijke doorlichting van zijn hele wezen die de tot deze trede zich ontwikkelende geest-zelfheid ervaart, is de laatste trede van Boeddha en voert naar de verlossing van de aardse lichamelijkheid: Boeddha gaat het Nirwana in, terwijl de verheerlijking van Christus naar de belangrijkste fase van zijn grote inwijding leidt: van het lijden, van de dood en van de opstanding. Hier verschijnt het kruis een tweede keer.

            De vijfde alinea is niet een herhaling maar een nieuwe weergave onder het gezichtspunt van de vleeswording van het Woord. Het midden van het hoofdstuk is in zekere mate een weerspiegelend vlak, waarvan zich de voorafgaande en volgende alinea’s weerspiegelen. Boven en onder het spiegelvlak wordt hetzelfde thema aangehaald, maar onder een nieuw gezichtspunt. In de derde alinea, waar reeds sprake was van een typische levensloop van een ingewijde, was het gezichtspunt dat de ingewijde het ware gehalte van zijn persoonlijkheid beleeft doordat hij zich in het bovenindividuele, het Goddelijke inleeft. Hier is het gezichtspunt de omgekeerde vleeswording van het Woord, het zich-inleven van het bovenindividuele in het individuele. Doordat zich het eeuwig-individuele steeds opnieuw belichamen kan (ingewijde), kan het nieuwe cultuurvormende, zielsopwekkende impulsen ontplooien. De blikrichting voert van boven naar beneden, in de derde alinea omgekeerd: uit het graf in de opstanding. De typische levensloop voert niet alleen naar de verheerlijking en opstanding, is niet alleen typisch onder het gezichtspunt van transsubstantiatie, maar ook onder het gezichtspunt van incarnatie: Het Woord werd vlees.

            Zesde alinea: De weg op aarde van Christus behelst meer dan die van Boeddha, want na de verheerlijking begint pas de belangrijkste fase van die grote inwijding (het wordt uitdrukkelijk als de grote inwijding gekenschetst).  Ze wordt aan de kleine inwijding van Boeddha toegevoegd. Met de verheerlijking beëindigt deze zijn toenmalige aardse levensweg. Met de verlichting door het oerlicht lost hij zich weer in het universele op, terwijl voor Christus Jezus de grote inwijding pas hier begint. Deze staat in een verhouding tot de tweede alinea, waar gezegd werd dat de eigenlijke essentie van de Osiris-mythe de verlossing van de wereldziel van het wereldkruis is. Dit is precies de inhoud van de grote initiatie die tegenover de inwijding van Boeddha een geweldige wereldvooruitgang is. Ze is niet alleen vol van betekenis voor de betreffende individualiteit en de mensheid, die haar toebehoort, maar van kosmische betekenis. De losmaking van de wereldziel van het wereldkruis kan alleen door de grote inwijding ingeleid worden, door het lijden, de dood en de opstanding van de hoogste individualiteit, van het Godswezen. Wat het de mensen aangaat is et feit dat in hen worden heel nieuwe zielenmogelijkheden worden ontsloten.

            In de zevende alinea wordt over de eerste van deze geweldige gevolgen gesproken als de vorming van de christelijke gemeenten.  Het gaat hier weer om het geheim van het getal, zoals in de eerste alinea. Want de belevenis van de Christusgemeente is immers die: De velen als de Ene en de Ene als de velen. Daarmee is een wereldhistorische fase bereikt, doordat wat verborgen was in een nieuwe metamorfose openbaar wordt: de openbaarmaking van het mysteriewezen, de deelname aan het voortdurend groot mysterium, de deelname daaraan door de gelovigen, aanvankelijk nog in een zekere onbewustheid  en daardoor de voorbereiding van datgene wat pas in onze tijd kan ontstaan: de kennisgemeente. Het hoofdstuk eindigt met de vorming van de christelijke oergemeente, waarvoor de uitspraak geldt: “Ik ben met U alle dagen tot aan de voleinding van de wereld.” 

AANKONDIGING REEKS LEZINGEN EN GESPREKSRONDEN OVER HET CHRISTENDOM ALS MYSTIEK FEIT EN DE MYSTERIËN DER OUDHEID

Tijdens het ochtendgedeelte van de ledenvergadering van de AViN op 29 september in Driebergen/Zeist werd de 13-delige inleiding van Herbert ...