Posts tonen met het label Christus Jezus. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Christus Jezus. Alle posts tonen

donderdag 14 oktober 2021

I. “Van het kennen van de eeuwigheidsgrond in de mens en in de wereld spreekt Rudolf Steiner in zijn antroposofie. Hoe het vergankelijke en het eeuwige in de mens zich ontmoeten is de vraag naar een nieuwe mogelijkheid van gemeenschapsvorming die Rudolf Steiner ontwikkelt.”[1]

Een van de grote thema’s die door de hele tekst lopen is het merkwaardige, geweldige wisselspel van het eeuwige en het vergankelijke. Juist op grond van zijn vergankelijkheid, d.w.z. omvormings- en ontwikkelingsvaardigheid wordt zich de mens steeds inniger en glanzender van het eeuwige bewust. Men kan nooit van iets vergankelijks spreken zonder zich af te vragen: Welk eeuwig iets staat daarachter? en nooit van iets eeuwigs zonder te vragen:  Wat voor vergankelijk iets wil het worden? Verder: De enkeling en de gemeenschap (het thema dat ook met het geheim van het getal samenhangt); en het grote grondende thema is ja de werelddramatiek die zich in het individuele mensendrama herhaalt. Het boek is een soort mysteriedrama: het in stukken snijden en onderduiken van het goddelijke in het vergankelijke en weer opduiken van het eeuwige in het vergankelijke, nadat het voor datgene wat het uit het vergankelijk tegemoet komt, een nieuwe mogelijkheid heeft gekregen. Dit kosmisch drama herhaalt zich in het microkosmisch gebeuren, in het kennis- en ontwikkelingsgebeuren – dit halen van de eigen hogere natuur uit het graf van het vergankelijke bestaan, waarin het hogere aanvankelijk verzonken is, om door het opblazen van deze grafkist voor zijn eigen activiteit nieuwe mogelijkheden te krijgen.

            Reeds de titel van het hoofdstuk “De Egyptische  mysteriënwijsheid” doet een vraag stellen, namelijk of het niet volledig gemaakt kan worden, omdat er nog van andere en beduidendere dingen sprake is. In elk hoofdstuk zal er door de grondende thematiek een nieuw uitzicht op het wezen van het christendom  gevonden worden.

            Door welke gebeurtenis van de Egyptische mysteriënwijsheid zal dan nu naar  iets beduidends in het wezen van het christendom worden verwezen?

            “Wanneer gij bevrijd van uw lichaam opstijgt naar het vrije ether, zult ge een onsterfelijk God zijn, aan de dood ontkomen.” (V,84)[2]   

            De mens wordt al naar gelang van het doorstaan van het dodengericht zelf  een Osiris.

            Vergelijke dat niet beeldend maar begripsmatig met het door Aristoteles uitgedrukte: De mens wordt een waar mens doordat hij met andere mensen aan de hoogste mens, aan de goddelijke mens deelneemt; en deze goddelijke mens kan zelf zijn opdracht en zijn wezensvolheid alleen voleindigen doordat hij door de velen heen leeft en uit hen verrijst. Dus: de velen in de ene en de ene in de velen, de samenhang van het individuele en het gemeenschappelijke.

            Dit motief ligt in het christendom op een nieuwe wijze weer op – individuele religieuze ontwikkelingsweg en gemeenschapsvorming. De Osiris-wording is de weg van de mens, maar werkelijke tot Osiris worden kan in de zin van de Egyptische mysteriënwijsheid de mens, tenzij hij niet een hoge ingewijde is, pas na het doorstaan van het dodengericht, uiteraard op grond van een zekere voorbereiding in de voorafgaande incarnatie. De belevenis van de ene in de velen is voor de Egyptenaar alleen weggelegd na de dood. Osiris wordt door Typhon in stukken gesneden in de wijdte van de kosmische wereld en verrijst uit het graf van de menselijke enkelziel, waarbij zich het kosmische en het individuele doordringen. Het typische van de Egyptische inwijdingsweg keert in alle tijden in elke inwijdingsweg terug. Elke ingewijde schrijdt op individuele en tegelijk voorbeeldig geldige wijze door dit dramatisch wereldgebeuren van het onderduiken en weer opduiken uit het vergankelijke. De verheerlijking is bij Christus Jezus niet zoals bij Boeddha een voltooiing, maar pas de inleiding van een volgende grotere inwijding (die bij Boeddha niet gebeurt), die tegelijk de grondlegging van een gemeenschapsvorming is.

            Verpersoonlijking van de Logos in het individuele wezen [van de mens] – dit gaat boven de Boeddha-inwijding uit die ja met het weer-eens-worden met de goddelijke-geestelijke oergrond voltooid wordt. Het is deze verbinding van het hoogste goddelijk-geestige met het volledig individueel-persoonlijke dat in het christendom in een historisch beslissende nieuwe fase verschijnt. Het is eigenlijk ook het thema van de Egyptische cultuur, omdat deze op beslissende wijze met belichaming te maken heeft, die wederom in beslissende wijze met individuatie  samenhangt. Want door ons lichaam hebben we immers het element in ons dat ons een afzonderlijk bestaan verleent.  De hereniging van hetgeen uit ons lichaam is gehaald met het hoogt goddelijke geschiedt in de zogenoemde Egyptische cultuur òf achter de sluier van de mysteriën dan wel na de dood.

             “Wat zich dus voor de oude mysteriecultus in het binnenste van de mysterietempel heeft afgespeeld, dat is door het christendom als een wereldhistorisch feit opgevat. De gemeente heeft zich tot Christus Jezus, de geïnitieerde, de op uniek-grootste wijze geïnitieerde bekend. Haar heeft hij bewezen dat de wereld een goddelijke is. De mysteriewijsheid werd  voor de christelijke gemeente onverbrekelijk verbonden met de persoonlijkheid van Christus Jezus.  Dat Hij geleefd heeft en dat Zijn belijders Hem toebehoorden: dat geloof trad in de plaats van hetgeen men vroeger met de mysteriën wilde bereiken. Voortaan kon een deel van datgene  wat eerder slechts door mystieke methoden was te bereiken, vervangen worden door de overtuiging dat in het op aarde aanwezig geweest Woord het goddelijke is gegeven. Niet datgene waartoe de geest van iedere enkeling lang moest worden voorbereid, was voortaan alleen doorslaggevend, maar wat diegenen gehoord en gezien hebben die om Jezus heen waren; en wat door hen is overgeleverd.  ‘Wat vanaf het begin is geschiedt, wat wij gehoord, wat wij met handen beroerd hebben van het Woord des levens … wat wij zagen en hoorden, dat verkondigen wij ook aan jullie, opdat jullie ook deelnemen aan onze gemeenschap.’ Zo luidt de eerste zendbrief van Johannes.  Een deze onmiddellijke werkelijkheid dient als levendige band alle generaties te omvatten; het dient zich als kerk mystiek van geslacht tot geslacht verder te strengelen. Zo zijn de woorden van Augustinus te verstaan: ‘Ik zou het evangelie niet geloven, als de autoriteit  van de katholieke kerk mij niet daartoe zou bewegen.’ Niet in zichzelf dus hebben de evangeliën een herkenningsteken voor hun waarheid, maar men dient ze geloven, omdat ze gegrond zijn op de persoonlijkheid van Jezus en omdat de kerk van deze persoonlijkheid op geheimzinnig wijze de macht afleidt de evangeliën als waarheid te doen verschijnen.  De mysteriën hebben door traditie de middelen overgeleverd om tot de waarheid te komen; de christengemeenschap plant deze waarheid zelf voort. Bij het vertrouwen tot de in het innerlijke van de mens oplichtende mystieke krachten tijdens de inwijding moest het vertrouwen kommen in de Ene, de Oer-initiator. Vergoddelijking hebben de mysteriën gezocht; ze wilden die beleven.  Jezus was vergoddelijkt, aan Hem moest men zich houden; dan is men binnen de door hem gestichte gemeenschap zelf deelnemer aan de vergoddelijking: dat werd christelijke overtuiging. Wat in Jezus vergoddelijkt was, is voor zijn hele gemeenschap vergoddelijkt. ‘Zie, Ik ben met jullie al de dagen tot de voleinding van de wereld.’” (Matth. 28:20)   

            Dit is het doel waarnaar dit hoofdstuk streeft:  een nieuwe verhouding van het individuele en daardoor een nieuwe verhouding tot de goddelijk-geestelijke wereld. Door de kleine inwijding ervaart het eigen innerlijk van de initiant een geestelijke verlichting die ook voor zijn leerlingen verschijnt. De grote inwijding is veel minder belangrijk voor de initiant dan de anderen die naar hem opzien, die met hem leven en waarmee hij leeft. De grote inwijding dient hen een nieuwe mogelijkheid van de eigen ontwikkeling te geven. Christus Jezus openbaart Zich aan de Zijnen in de opstanding die Hij niet voor Zichzelf in de eerste instantie doormaakt, maar voor Zijn gemeente.  De grote inwijding is eigenlijk een inwijding van de gemeente, niet eenvoudig in de zin dat de gemeente door het voorgaan van de geïnitieerde een groot voorbeeld gegeven en voor het overige alles afgenomen wordt, maar op die manier dat een nieuwe reële basis voor de gemeente geschapen wordt.

            “In Jezus is de Logos zelf persoonlijk geworden.” (Hfdst. 5,6)

            Deze zin staat eigenlijk in het midden van het betoog. Hij heeft de verschijningsvorm van het persoonlijk menselijke aangenomen, zoals zich dat alleen voordoet in het incarneren in de uiterlijke zintuigelijke wereld en daarmee was datgene wat zich oorspronkelijk in het geheim van de mysteriën afgespeeld heeft op het podium van de wereldgeschiedenis getreden, doordat een mysteriegebeuren openbaar gemaakt werd. 

            Maar deze openbaring betekent niet alleen dat men ervan weten kan, maar dat er daardoor een nieuwe reële basis van gemeenschapsvorming werd gegeven. Wat de Egyptenaar normaliter alleen na de dood kan beleven, dit eens-zijn van het individuele en gemeenschappelijke, kan de christen sinds de grote inwijding van Christus Jezus in het zich in de zintuiglijke wereld afspelende leven door gemeentevorming ervaren en nu uiteraard door de kracht van het geloof door iets wat met de bewustzijnshistorische ontwikkelingsstand van de toenmalige mensheid in overeenstemming was. Gelovige toewijding aan het geopenbaarde mysteriegebeuren kan ervaren worden: Elk individueel menswezen is op weg naar het hoogst goddelijke en daarmee op weg naar de hoogste gemeenschap, gelijktijdig met de hoogste vervulling van de eigen persoonlijkheid.

            Dit hoogste mysteriegebeuren is iets waarnaartoe de gemeente kan opkijken en geloven. En door dit geloof aan het openbaar gemaakte  mysteriegebeuren, dat een feit in fysieke lichamen levende mensen is, ontstaat in de gelovige zielen iets wat in de gemeenschap boven hun persoonlijkheid uitstijgt. In de geloofsgemeenschap kan zich een aanwezigheid van het geestelijke voordoen, zoals die anders alleen op de inwijdingsweg in de mysteriën mogelijk was. De mensen kunnen in hun gelovig gemeentebestaan zich bewust worden van de ervaring van het hoogste goddelijke, die vroeger alleen de initiant in de mysteriën of de overledene pas na het dodengericht had.

            Gemeentevorming als vooruitzicht en daarmee tegelijk ook voorbereiding van de inwijdingservaring wordt hier als de eigenlijke zin van het Christusmysterie weergegeven. En met deze gemeenschapsvorming, die dus in de diepste kern van het beleven leidt, is tegelijk een stap in de uiterste openbaarheid verbonden. Want voor alle ogen geschiedt in het leven van Jezus wat anders alleen in de mysteriën geschiedt. Maar alleen de samenhang van gemeentevorming als voorwaarde van de hoogste geesteservaring enerzijds en de openbaarmaking van het mysteriegeheim anderzijds, alleen beide tezamen als de twee kanten van dezelfde zaak heeft een zin.

            Alleen onder de bescherming van de gemeentebeleving is überhaupt de openbaarheid van de christelijke religie in haar spirituele gehalte existent en bestaansvaardig. “Doe dit tot Mijn herinnering, gedenk Mijn naam, scheidt deze nooit van de in de openbaarheid verrichte daad, opdat jullie in jullie onvolmaaktheid bewust kunnen worden van het hoogste goddelijke” Wat de mens van zijn eigenlijk wezen en van het doel van zijn weg scheidt is de zonde. De zonde van de enkelingen in de geloofsgemeenschap neemt Christus in Zich op. Het hoogste geestelijke zou in een gemeenschap niet tot een belevenis kunnen komen, indien ervoor niet een reële basis gegeven is om deze zondewerking te overwinnen. Daarom draagt de initiant die in de openbaarheid treedt met zijn mysteriebeleving de zonden van degenen waarvoor hij in hun gezamenlijk geloof de hemel ontsluit.  Daarom dragen de schuld aan Zijn lijden en wonden degenen die niet onderkennen hoe dat in het gemeentegebeuren samen hoort.

            “Maar het leven van Jezus bevat meer dan het Boeddhaleven. Boeddha’s leven besluit met de verheerlijking. Het belangrijkste in het Jezusleven begint na de verheerlijking. In de taal van de ingewijden zou men dat als volgt moeten vertalen: Boeddha is tot het punt gekomen waarop in de mens het goddelijke licht begint de glanzen.  Hij staat voor de dood van het aardse. Hij wordt het wereldlicht. Jezus gaat verder. Hij sterft niet lichamelijk op het ogenblik dat het wereldlicht Hem doorstraalt. Hij is op dat ogenblik een Boeddha. Maar Hij betreedt ook op dat ogenblik een stap dat in een hogere graad van inwijding uitgedrukt wordt. Hij lijdt en sterft. Het aardse verdwijnt, maar het geestelijke, het wereldlicht verdwijnt niet. Zijn opstanding geschiedt. Hij onthult Zich als Christus voor Zijn gemeente. Boeddha vervloeit op het ogenblik van zijn verheerlijking in het gelukzalige leven van de Algeest. Christus Jezus wekt deze Algeest nog eenmaal op in menselijke gestalte in het tegenwoordige bestaan. Zulks werd met de initiant bij de hogere wijdingen voltrokken op een wijze die beeldend was.  De in de zin van de Osirismythe ingewijden waren tot een dergelijke opstanding in hun bewustzijn gekomen als in een beeldbelevenis. Deze grote inwijding, niet als beeldbelevenis maar als werkelijkheid, werd dus in het Jezusleven aan de Boeddha-inwijding toegevoegd. Boeddha heeft met zijn leven bewezen dat de mens de Logos is en dat Hij in deze Logos, in het licht terugkeert, wanneer het aardse aan Hem sterft. In Jezus is de Logos zelf persoonlijk geworden. In Hem is het Woord vlees geworden.” (5,6)

            Wat in het hoofdstuk weergegeven wordt over de betekenis van de grote inwijding voor de gemeenschapsvorming en over het ervaren van het geestelijke door de gemeenteleden is weergegeven met het oog op die bijzondere historische situatie, waarin deze gemeenschapsvorming door de kracht van het geloof  (niet door het kennen) voltrokken werd. Zijn er metamorfosen, een voortzetting van dit gebeuren, dat zich destijds door de geloofskracht voltrok, naar onze tijd toe waar de mensen vanuit kenvermogens leven? Rudolf Steiner heeft zich in zijn werken de opgave gesteld en opgelost om deze belevenis, die voor de geloofsgemeente een beslissende was, voor de kennisgemeente te vernieuwen.

            De van de aanschouwelijke feiten uitgaande opvatting van het tijdverloop verwikkelt zich volgens Aristoteles (4de boek van zijn Fysica) in tegenstellingen: Men gelooft de tijd in verleden, heden en toekomst te kunnen indelen. Maar dat is niet zo vanzelfsprekend. Het verleden is immers niet meer, heeft geen Zijn meer. Toekomst is er nog niet, heeft dus ook geen Zijn. En het heden is de blote grens tussen beide niet-zijnde bestanddelen van de tijd. Een grens heeft immers ook geen eigenzijn, maar ontstaat door de samenhang van het niet-Zijn van het verleden en het niet-Zijn van de toekomst. Beide hebben  geen Zijn, het heden heeft zelfs een gepotentieerd niet-Zijn. Niet-Zijnden  kan alleen een gepotentieerd niet-Zijn baren.

            De tijd wordt ook als een geweldige stroom opgevat die in zijn bedding het puin van alle zijnde dingen met zich mee wentelt. Maar deze zijnde dingen hebben weder een Zijn in het verleden (dat immers voorbij is) noch in het verleden, maar alleen in het heden dat slechts een grens tussen twee niet-Zijnden is. Wat blijft er dus van het Zijn van het in de tijd optredende dingen over? Oplossingsverzoek van Augustinus (Confessiones): In plaats van één heden dienst men van drieërlei te spreken. Wanneer we ons aan het verleen herinneren, dan is op het ogenblik van de herinnering toch het verleden tegenwoordig; er is dus (in de herinnering) een verleden-heden. En omdat in de verwachting iets toekomstigs tegenwoordig wordt, is er ook een toekomst-heden. Bovendien is er een heden-heden. Daarmee meent Augustinus  van de moeilijkheid verlost te zijn. Maar: in het heden van het verleden wordt toch alleen een niet-Zijnde tegenwoordig, in het heden van de toekomst eveneens. En omdat het heden van het heden alleen door de botsing van het verleden en de toekomst  gevormd kan worden, is het met het in drie gedeelde heden van Augustinus niet beter gesteld dan het ene heden van Aristoteles.

            Wanneer men de tijd alleen onder het gezichtspunt van de tijdelijkheid beschouwt, dat wil Aristoteles aantonen onder het gezichtspunt van het vergankelijk verschijnende, verwikkelt men zich in onoplosbare tegenstellingen. Deze worden pas opgelost, indien men ziet dat immers in werkelijkheid het vergankelijk verschijnende altijd door iets eeuwigs wordt doorlicht. De vertijdelijking van het eeuwige, dat is de tijd; het is niet dit voortwentelen van het verleden in het heden en in de toekomst. Tijdelijk kan iets Zijnsbestand alleen hebben op grond van het eeuwige in de wereld in de mens dat al het verschijnende grondt en draagt.

            Van het kennen van deze eeuwigheidsgrond in de mens en in de wereld spreekt Rudolf Steiner in zijn antroposofie. Hoe het vergankelijke en het eeuwige in de mens zich ontmoeten is de vraag naar een nieuwe mogelijkheid van gemeenschapsvorming die Rudolf Steiner ontwikkelt.


[1] Het idee om een citaat uit het hoofdstuk als titel of motto toe te voegen, dat hier bij elk hoofdstuk wordt doorgevoerd, stamt van de vertaler.

[2] In de Duitse uitgave van deze inleiding wordt wat betreft de citaten  met getallen naar de hoofdstukken van Het christendom als mystiek feit en de mysteriën der oudheid verwezen en op welke pagina deze citaten staan.  Hier zal alleen naar het hoofdstuk met Romeinse cijfers en de bladzijde met Arabische nummers verwezen worden, want  de  Nederlandse vertaling heeft zich niet aan de alineavolgorde van het Duitse origineel gehouden. De citaten heb ik overigens deels zelf vertaald uit het Duitse origineel c.q. gecheckt en vergeleken met de mij beschikbare Nederlandse vertalingen en de nieuwe en oudere Nieuwe Testament vertalingen van de Christengemeenschap.


IV. “Met de Kerstbijeenkomst, die gekenmerkt kan worden als een metamorfose van de oerchristelijke geloofsgemeenschap, hangt de onbeperkte openbaarmaking van het geestesgoed samen dat Rudolf Steiner aan de leden heeft gegeven en dat aanvankelijk nog in het omhulsel van een afzonderlijk bewustzijn gehouden was.”

  


“…Maar wij doen ons in allen kennen als Godsdieners – door veel dulden, onder verdrukking, in nood, in angst, in het ondergaan van slagen, in gevangenschap, in vervolgingen,  in zware arbeid, in doorwaakte nachten,  in vasten, in lankmoedigheid en vriendelijkheid, in de heilige geest, in ongeveinsde liefde, in het woord van de waarheid, in de kracht van God, met de wapens der gerechtigheid in rechter- en linkerhand, in eer en schande, in kwade geruchten en goede geruchten, als verleiders en toch waarachtig, als de onbekenden toch bekend, als stervenden en zie: wij leven; als de getuchtigden en toch niet gedood, als bedroefden, maar altijd vrolijk; als armen, maar die toch velen rijk makend, als niets hebbenden en toch alles hebben. (2de Kor. – 6:4-10)

            Dit boek is een boek over het openbaar worden van het geheim, van de mysteriegeheimen die op een grandioze wijze in de openbaarheid werden gebracht door het mysterie van Golgotha. Wat vroeger verraad gewezen was, is dat nu niet, omdat door deze openbaarmaking een heel nieuwe, nooit eerder bestaande mysteriestroming ingeluid werd en wel door twee feiten:  Het wordt voor de mens die zich bij deze mysteriestroming wil en kan aansluiten (en dit zijn nu allen en niet alleen degenen die uitgekozenen en voorbereid zijn) mogelijk worden door een nieuwe zielskracht, die er voorheen nog niet in die zin bestond, hoewel ze natuurlijk ook voorbereid werd: de individuele onsterfelijkheidskracht.

            De weg door de mysteriën heeft niet daartoe geleid, maar naar een eenwording met het bovenindividuele eeuwig-goddelijke in de ziel. Dit bovenindividueel goddelijke werd van de ziel eerst ontnomen en de openbaarheid binnengedragen; dat is eerst het doorheengaan door de dood. De ziel komt daardoor in een situatie van verarming en vereenzaming, wordt echter met het hoogste in verrukking gebracht: met het individuele onsterfelijkheidskracht; dat kan alleen vanuit de vereenzaming ontstaan, uit de belevenis van het-afgesnoerd-zijn van het geestelijke, waar de individuele ziel eerst sterft. De geloofsgemeenschap die uit de samenstromende individuele onsterfelijkheidskracht ontstaat vormt een nieuwe mysterieplaats – beide mogelijk gemaakt door het mysterie van Golgotha.

            De oude mysterieweg veronderstelde het louteren van individuele onvolkomenheden, de nieuwe betrekt deze erbij. Hiertoe is uit de uiteenzettingen over de Apocalyps de volgende passage te beschouwen:

            “En de mensenzoon ‘had zeven sterren in Zijn rechterhand.’ (Op. 16). ‘De zeven sterren zijn de engelen van de zeven gemeenschappen.’(Op. 20). De uit de mysteriewijsheid bekende ‘leidende geesten’ (diamonen) zijn hier de leidende engelen van de ‘gemeenschappen’ geworden. Deze gemeenschappen worden daarbij als lichamen voor geestelijke wezenheden voorgesteld. En de engelen zijn de zielen van deze ‘lichamen’, zoals de mensenzielen de leidende machten van de menselijke lichamen zijn. De gemeenschappen zijn de wegen naar het goddelijke in de onvolkomenheid; en de gemeenschapszielen dienden de leiders te worden op deze wegen.”(VIII)

            De individuele onvolkomenheid is erbij betrokken, omdat de onsterfelijkheidsbelevenis juist in de individuele onvolkomenheid haar uitgangspunt vindt.

            De onsterfelijkheidsbelevenis van de oerchristelijke geloofsgemeenschap met haar hartelijkheid heeft in onze bewustzijnstijdperk door de antroposofie een met de natuurwetenschap overeenkomende vorm gekregen: In plaats van geloofsintimiteit heet het daar zeer nuchter, maar niet minder geweldig “terugdringing van het organisme” (De Filosofie van de vrijheid, hfdst. IX, 4). De Filosofie van de vrijheid leert namelijk de mensen iets was gelijk staat aan de evenwichtszin. Die kunnen we al lang gebruiken, maar zonder te weten hoe die functioneert.  (De evenwichtszin heeft zijn orgaan in het oor.) Denken konden mensen ook minstens binnen zekere grenzen; hoe en wat echter daarbij omgaat, heeft men vóór De filosofie van de vrijheid niet geweten.[1]

            Het naarbinnen kijken van het denken in zichzelf en daarmee het oppakken van een geheel nieuwe nuance binnen het denkbewustzijn leert men pas op de observatieweg van De filosofie van de vrijheid. Men gaat van eenvoudige observaties uit. Een zodanige, die zich altijd nieuw bewaarheiden moet, is die dat alles wat onze zintuigen ons ter beschikking stellen ons gegeven is.  Daar zijn wij ontvangend, daar kunnen wij niets voortbrengen, niet het kleinste stofkorreltje in de wereld van de waarneming.  Geen kleur, geen klank kunnen wij in zijn oorspronkelijkheid voortbrengen.  Als we bv. kloppen dan is dat alleen de aanleiding; maar het is de zonder ons toedoen voorhanden configuratie van de wereld waaraan de klank eigenlijk ontspringt in zijn klankgehalte; we kunnen op het toetsenbord van de wereld spelen dat we niet geschapen hebben.

            In zijn grondsubstantie is alles wat we waarnemen ons zonder ons toedoen gegeven, maar volledig ongeordend. We  hebben dit dagelijks brood niet alleen nodig voor tanden, tong en gehemelte, maar voor ons hele organisme, dat niets meer is dan een samengesteld-zijn uit zintuigen die de wereld waarnemen maar zonder de samenvoeging en ordening ervan. Ter onderscheiding van recht en links bv. helpt ons geen tasten; rechts en links zijn geen tastgewaarwording maar begrippen. Geen waarnemingen vormen zich uit ordeningskaders en structuren. Tot het ordenen en vormgeven van de waarnemingen zijn wij alleen in staat indien ons organisme zwijgt. Dit organisme behoeft steeds de waarnemingen en verwelkt onmiddellijk, wanneer het uit deze stroom niet gevoed wordt. Maar een ding voedt zich uit zichzelf: dat is het denken dat in ons opvlamt zodra we onze eigenste activiteit aansteken.

            Wanneer we ons organisme, het sterfelijke en voedingsbehoeftige terugdringen, komt het tot een opstanding uit de graf van dit organisme. Het is deze opstandingskracht waarmee we deelachtig worden van het denken. Zij is aanvankelijk nog inhoudsarm. Maar haar maakt zich het denken in zijn hemelse universaliteit eigen. Het denken laat zich willens tevoorschijn brengen, maar zijn ordeningen bestaan onafhankelijk van onze willekeur. Wanneer we met de opstandingskracht ons organisme terugdringen en overwinnen, dan treden we een bepaald rijk binnen, wiens lichtende schepsels zichzelf dragen. Ze hoeven niet door iets ergens vandaan gesteund te worden zoals de zware dingen van de aarde. De begrippen dragen zichzelf en vormen een rijk dat zich onbedwingbaar tot een steeds grotere totaliteit aaneensluit en waartoe wij behoren door onze onsterfelijkheidskracht, maar zodanig dat wij niet als gewaarwordenden maar als co-actieven met dit rijk verbonden zijn. Iets wat men zelf, hoewel het op zijn eigen wetten gebouwd is, co-creërend beleeft, is uiteraard niets wat het eigen wezen tegenovergesteld is, veeleer is dat wat wij waarachtig doen, waarin wij als doeners levendig zijn, niets wat zich van ons wezen onderscheidt, maar iets wat zich met ons in wezenswisseling bevindt. Doordat wij zodoende daarin staan, worden wij zelf door de geestelijke wereld gedaan. De terugdringing van ons organisme door de opstandings- en onsterfelijkheidskracht laat ons van de uitwisseling met het eeuwige in aanduidende belevenissen bewust worden, omdat zich met de onsterfelijkheidsbelevenis van de terugdringing van het organisme de belevenis van de wezenswisseling noodzakelijk verbindt. Derhalve is het hier tot een volledig duidelijk inzicht geworden dat twee dingen, die als de twee grootste tegenstellingen tegenover elkaar lijken te staan, slechts twee kanten van dezelfde zaak zijn: het onsterfelijkheid verkrijgende individueelste en het universeelste, de kosmische samenhang van de geestelijke wereld. Want het beleven van de uitwisseling is juist datgene waardoor wij definitief  boven onszelf  uit komen en ons met andere wezens verbinden.

            En omdat met de moderne onsterfelijkheidsbelevenis als de opstanding uit het overwonnen organisme de belevenis van de wezenswisseling is, is daarin de kiem van de nieuwe mysterieplaats aangelegd, zodat we zeker kunnen  zijn: wanneer we met de onsterfelijkheidskracht van het heldere, duidelijke denken ons inspannen, dan krijgen wij een gezamenlijk aandeel aan een spirituele inhoud en doen dit met de krachten waardoor wij van oorsprong in het ons allen oneindig overtreffende zijn. Wij leven ons in een gezamenlijk, ons allen overtreffend bewustzijn in. Derhalve staat in het middelpunt van de Kerstbijeenkomst de heroprichting van de Antroposofische Vereniging. De gemeenschap is gegrond op de gemeenschappelijke belevenis van onsterfelijkheid en de belevenis van het ethisch individualisme.     

            Daartoe behoort wederom een nieuw wereldhistorisch gebeuren van het openbaarmaken, want met de Kerstbijeenkomst, die gekenmerkt kan worden als een metamorfose van de oerchristelijke geloofsgemeenschap, hangt de onbeperkte openbaarmaking van het geestesgoed samen dat Rudolf Steiner aan de leden heeft gegeven en dat aanvankelijk nog in het omhulsel  van een afzonderlijk bewustzijn gehouden was.  Voor iedereen is het toegankelijk, hoewel dit openbaarmaken alleen een zin heeft als uitdrukking van een nieuwe mysterievorming, zoals ik die gekenmerkt  heb als metamorfose van de oerchristelijke geloofsgemeente die nu juist tot een kennisgemeenschap wordt. Alleen in samenhang met een nieuwe mysterievorming heeft het openbaarmaken een zin. Dit stelt u zich op duidelijk wijze voor, wanneer u bedenkt dat nu bij het betrekken van de individuele onvolkomenheden in de oerchristelijke geloofsgemeenschap er een nieuw te betrekken iets bijkomt. In de oerchristelijke geloofsgemeente was een pinksterlijk uittreden van het bewustzijn boven de directe aanwezigheid ervan in de afzonderlijke individualiteiten gegeven. In samenhang met de vorming van de kennisgemeenschap en het in haar schoot liggende eenvormige bewustzijn is nu wederom iets nieuws gegeven, namelijk de toegankelijkheid van de geestelijke wereld en spirituele feiten vanuit het bereik van het gewone dagbewustzijn. Hierbij moeten wij tweeërlei onderscheiden: het bereik van het gewone dagbewustzijn en de zielenhouding van het gewone dagbewustzijn. Laatstgenoemde is natuurlijk voor de huidige mensheid een verregaand onspirituele, maar ze is op zich zodanig transformeerbaar dat daarvan de weg in de geestelijke wereld geopend kan worden. Rudolf Steiner heeft aangetoond dat het vatten van de denkbelevenissen direct uit  gebied van het gewone dagbewustzijn de weg in de geestelijke wereld opent. Dat is het nieuwe grote wat erbij betrokken wordt, dat wederom de grandioze metamorfose kenmerkt, waarin niet alleen de individuele onvolkomenheden erbij betrokken zijn in het grote mysteriegebeuren, maar ook het gewone dagbewustzijn, zodat vandaaruit de eerste stappen in de geestelijke wereld gemaakt kunnen worden. Dat is de grandioze daad van Rudolf Steiner.

            Voor de openbaarmaking bestaan er natuurlijk veel redenen; het hier gezegde bevat echter een innerlijke interpretatie voor de betekenis van de openbaarmaking. Een krachtige wijsheid ligt daarin dat de stap in de geestelijke wereld vanuit het gewone dagbewustzijn  kan en gemaakt moet worden. Maar die is ook alleen weer waarheids- en werkelijkheidsgeldig, indien die met het interpreterend feit van de vorming van een nieuw mysteriegebeuren vanuit het gewone dagbewustzijn in samenhang blijft staan. De openbaarmaking heeft juist met het oog op de Kerstbijeenkomst een allerbelangrijkste interpretatie. Wat is dan de wereldhistorisch beduidendste openbaarmaking, de meest grandioze die er ooit in de wereld- en mensheidsgeschiedenis heeft bestaan? Natuurlijk de openbaarmaking van het mysteriewezen,  waarbij deze openbaarmaking tegelijk een metamorfose is: het naarbuiten treden van het mysteriewezen voor de voorhang van de tempel in het mysterie van Golgotha. Wat voorheen verborgen wijsheid was, werd nu openbare wijsheid die echter meteen weer als geheim teruggenomen werd, daardoor dat ze alleen zin en betekenis heeft, indien ze in samenhang blijft met de vorming van een nieuwe mysterieplaats die uit het samenwerken van de onsterfelijkheidskrachten ontstaat. De wijsheid die verborgen was in de geestelijke wereld treedt op het plan van de fysieke wereld voor de ogen van de mensen met hun individuele onvolkomenheden en wordt in menselijke gedaante zichtbaar. Wat voorheen met sterrenscript in de hemel was ingeschreven, treedt nu voor de mensen, in zekere mate ingehuld in de substantie van de uiterlijke wereld, in een vergankelijk lichaam. Derhalve kan Philo zeggen, dat daarmee eigenlijk het feit van het boek op grandioos oerbeeldende wijze voor de mensen is neergezet, want het boek is niet in het geheim afgesloten, maar allen toegankelijk. 

            “Als de ‘Zoon van God’ noemde Philo,  van wie men zei dat hij de herboren Plato was, de uit de mens geboren wijsheid die in de ziel leeft en de in de wereld aanwezige rede als inhoud heeft. Deze wereldrede, de Logos, verschijnt als het boek waarin ‘al het bestaan van de wereld is ingeschreven en opgetekend.’ De Logos verschijnt verder als de Zoon Gods ‘de wegen van de Vader navolgend, de oerbeelden schouwend, vormt Hij  gestalten.’” (III, 61)

            De openbaarmaking van de wijsheid in het mysterie van Golgotha is eigenlijk het oerfeit van het boek. De inhoud van het verborgen boek treedt in de openbaarheid, wordt voor degenen leesbaar die de zin van deze openbaarmaking, door hun eigen gedrag verwerkelijken en levendig houden. Deze openbaarmaking is reeds in het geheimenis van de voorchristelijke mysteriën aangelegd, in zekere mate voorbereid, hoewel ze in hun essentie het tegendeel zijn (ze berusten immers op het geheim). 

            “Als we in de inwijdingstempel zouden kunnen kijken, waarin de mensen aan de Osiris-metamorfose werden onderworpen, dan zouden we zien dat de gebeurtenissen microkosmisch de wording van de wereld weergeven.” (V, 86).

            Dat is de voorbereiding van het naarbuiten treden op het fysieke plan, het microkosmisch-worden van macrokosmische. Maar dit is pas dan tot een afsluiting gekomen wanneer het in individueel wezensgestalte op het fysieke plan naarbuiten treedt.

            “Man neme toch letterlijk wat Jezus in het Johannes-evangelie is. Hij is het ‘Woord’ dat vlees geworden is. Hij is het eeuwige dat in het oerbegin was. Is Hij werkelijk de opstanding, dan is het ‘eeuwige, oorspronkelijke’ in Lazarus herrezen. Men heeft het dus met een opwekking van het eeuwige Woord te doen. En dit ‘Woord’ is het leven waartoe Lazarus is herrezen. Men heeft hier dus met een ziekte te doen. Maar met een ‘ziekte’ die niet tot de dood voert, maar die ter ‘eer Gods’, d.w.z. tot de openbaring van God dient. Is in Lazarus het ‘eeuwige Woord’ herrezen, dan dient werkelijk het hele proces ertoe om God in Lazarus te doen verschijnen. Want Lazarus is door het hele proces een andere mens geworden. Voorheen leefde niet het ‘Woord’, de Geest in hem, nu leeft deze Geest in hem. Deze Geest is in hem geboren.”(VII, 105, 106)

            Vanuit de ziekte van het sterfelijke leven en uit het intrekken in dit sterfelijk lichaamsomhulsel  ontstaat juist de opstandingskracht van de individuele onsterfelijkheid. Deze kracht komt tot uitdrukking in een boek dat in de fysieke wereld ervaarbaar en leesbaar is.

            (Zie VIII, 114) De zeven sterren zijn de zielen van de mensengemeenschappen die van hun kant pas weer op de weg naar de hoogste gemeenschapsvormers, naar de christengemeenschap zijn.  Het “tweesnijdend” zwaard betekent: De mensen  en de gemeenschapszielen zijn voor de beslissing geplaatst of ze de “voortreffelijkste liefde” willen  oefenen of die “voortreffelijkste liefde” verlaten  die nooit vergeet dat ze alleen zin en betekenis heeft in samenhang met het ontstaan van een nieuw mysteriewezen. Van deze zin beroofd wordt de openbaarmaking een lijdensweg.

            “In de rechterhand van Hem die op de troon zat, bevindt zich het boek waarin de weg naar de hoogste waarheid is opgetekend (Op. 5:1). Slechts één is waardig het boek te openen: ‘[…] zie, de Leeuw uit de stam van Judea, de Wortel Davids, heeft overwonnen om de  boekrol en haar zeven zegels te openen.’(Op. 5:5) Zeven zegels heeft het boek. Zevenvoudig is de wijsheid van de mens.  Dat deze als zevenvoudig wordt gekenmerkt, hangt weer samen met de heiligheid van het getal zeven. Als zegel kenmerkt de mystieke wijsheid van Philo de eeuwige wereldgedachten  die in de dingen zich tot uitdrukking brengen. Mensenwijsheid zoekt deze scheppingsgedanken.  Maar pas in het boek dat daarmee is verzegeld staat de goddelijke waarheid. Eerst moeten de grondgedachten van de schepping worden onthuld en de zegels gebroken, dan wordt openbaar wat in het boek staat. Jezus, de leeuw, vermag de zegels te verbreken. Hij heeft de scheppings-gedachten een richting gegeven die door hen heen tot wijsheid voert. - ”Het lam, dat geworgd werd en dat God met zijn bloed kocht, Jezus, die de Christus in zich gebracht heeft, die dus in de hoogste zin van het woord door het mysterium van leven en dood is gegaan, opent het boek (Op. 5:9-10)” (VIII, 116)

            Het openen van het boek is eigenlijk het zelf-boek-worden van de voorheen kosmische wijsheid in een individueel  wezensgehalte dat op het fysieke plan treedt. En juist dit openen van het boek, het zichzelf-tot-openbaar-boek-maken heeft zijn zin alleen daarin omdat daardoor in de mensen een nieuwe kracht ontstaat om de geestelijke wereld te vinden, deze individuele onsterfelijkheidskracht die de eerste en grondkracht van de geloofskracht is en het eerste kenvermogen van de kennisgemeenschap. En wederom is deze openbaarmaking alleen zinvol in samenhang met de vorming van een nieuwe mysterieplaats, die als gemeenschapsvorming aanvankelijk de individuele onvolkomenheden in zich betrekt, dan de vorming van de kennisgemeenschap die vanuit het gewone dagbewustzijn de weg in de geestelijke wereld vindt.

            “En nadat getoond is hoe alles wat te zeer aan het vergankelijke hangt om tot het waarachtige christendom te komen de dood heeft gevonden, verschijnt de sterke engel met het geopend boekje en geeft het aan Johannes (Op. 10:9):: ‘En hij zeide tot mij: Neem het en verslind het, en het zal bitter worden in de maag, maar in uw mond zal het zoet zijn als honing.’ Johannes dient niet alleen in het boekje te lezen, hij dient het helemaal in zich op te nemen, hij dient zich met de inhoud ervan te doordringen.” (VIII, 119)

            Dit helemaal-in-zich opnemen betekent pijn voor het met de dood doordrongen organisme. Maar dit verandert  in de smaak van honingzoetigheid, in de smaak van de eenwording met de geestelijke wereld en het één worden met degenen die  zich in de gemeenschap met de geestelijke wereld willen verbinden. Het boek neemt op een regelrecht schokkende  wijze een standpunt in tegenover de allermodernste  problemen.  Wat zou actueler zijn dan de vraag: Hoe leeft in deze wereld een ongeremde en schaamteloze openbaarmaking van datgene in de mensen wat ze vanuit het innerlijkste van hun wezen hun onsterfelijkheid zodanig doet ervaren dat deze individuele ervaring tegelijk gemeenschaps-ervaring is? Op deze vraag wordt een verbazingwekkend duidelijk antwoord gegeven:  Deze bevat het feit van de openbaarmaking, die luidt dat de weg in de geestelijke vanuit het gewone dagbewustzijn begint. En de openbaarmaking heeft alleen zin als de uiterste kant van iets dat het allergeheimste is, namelijk het ontstaan van een nieuwe mysterieplaats en een nieuw mysteriebewustzijn.



[1] ) Herbert Witzenmann is ook de schrijver van een congeniaal commentaar op De filosofie van de vrijheid van Rudolf Steiner dat ik bijna volledig in het Engels vertaald heb onder de titel The Philosophy of Freedom as a Basis of Artistic Creation (zie http://freedom-and-creation.blogspot.nl)

AANKONDIGING REEKS LEZINGEN EN GESPREKSRONDEN OVER HET CHRISTENDOM ALS MYSTIEK FEIT EN DE MYSTERIËN DER OUDHEID

Tijdens het ochtendgedeelte van de ledenvergadering van de AViN op 29 september in Driebergen/Zeist werd de 13-delige inleiding van Herbert ...