Posts tonen met het label Mysterie van Golgotha. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Mysterie van Golgotha. Alle posts tonen

donderdag 14 oktober 2021

III. “In de kennisgemeenschap, die door de antroposofie onder mensen mogelijk wordt, ligt de bewustmaking van wat er aan het begin van onze jaartelling gebeurde.”


De initianten van de voorchristelijke tijd zochten het goddelijke in hun ziel door innerlijke transformatie te herwinnen en zich met het verloren Eeuwig-ene te verenigen.  De bewustzijnstoestand van deze vereniging is niet in die zin een individuele, zoals die door het christendom mogelijk wordt. Bij deze retrotransformatie in het eeuwige in de ziel worden wel de opbrengsten van de individuele persoonlijkheid in dit eeuwige naarbinnen gedragen, maar zij beleeft zich toch alleen vanuit het eeuwige en niet vanuit datgene wat zij op haar aardse weg in de vereenzaming doormaakt. Dat wordt nu juist gewist.

            Wat in de voorchristelijke tijd als later te vervullende aanleg, alleen als mogelijkheid aangelegd werd, dat wordt pas in de christelijke tijd de eigenlijke drager van de zielsontwikkeling. Het beduidende onderscheid ligt daarin dat met de stichting van het christendom voor de zielsontwikkeling niet de permanente transformatie doorslaggevend is, maar de nieuwe individuele onsterfelijkheidsbelevenis. Het tragische is dat het nieuwe individuele onsterfelijkheidsbelevenis, dat met de stichting van het christendom mogelijk werd, pas vanaf de 15de eeuw eigenlijk tot zijn recht komt en alleen intrekken kan doordat zij het eeuwig-goddelijke, dat zij voorheen in zich gedragen heeft, nu vergeven moet. De voorchristelijke inwijdingswegen waren alleen mogelijk doordat de ziel het goddelijke als in haar inwonend wist; zij had het alleen voor zich verborgen door haar onvolkomenheden. Hoe meer ze deze opruimde, hoe meer ze zichzelf werd. Nu echter werd met de stichting van het christendom dit eeuwige als onverliesbaar bezit eigenlijk van de ziel ontrukt, treedt uit op het plan van de wereldgeschiedenis en trekt in bij een menselijk lichaam, in het lichaam van Jezus van Nazareth. Daarmee blijft voor de ziel nog meer een ding: deze impuls van vereenzaming, ze is alleen gebleven met haar innerlijkste zielenbehoeften, daar haar kostbaarste bezit naarbuiten ontrukt is.  Een omdat haar innerlijkste behoefte tot vervulling in datgene komt dat ze gelovig nastreeft als een in de openbaarheid van de wereldgeschiedenis getreden wezenheid, beleeft ze de individuele onsterfelijkheid.

            Deze geloofskracht, waarin de ziel zich individueel onsterfelijk beleeft als een eenmalig, in zichzelf gecontoureerd wezen en niet als het wezen dat zich herenigen kan met het oer- en al-goddelijke, maar in zijn eenmaligheid en eenzaamheid bij zijn doorgang door het aardse tranendal, deze gelovige kracht is tegelijk de kracht van gemeenschapsvorming. Het nieuwe individuele en het nieuwe gemeenschapsvormende horen samen. De geloofskrachten kunnen samen streven in het geloven in het ene voortreffende wezen waarin ze pas de vervulling vinden in datgene wat deze individuele geloofskracht voor ogen heeft. Uit de individuele kracht van het onsterfelijkheidsbewustzijn ontstaat een nieuwe inwijdingservaring, maar juist een zodanige die niet de enkeling op een zielenweg van transformatie maakt, maar die de vergevende gemeenschap kan hebben in het samenstromen van geloofskrachten, waardoor de vervulling van haar wezen aanwezig kan worden. Van wat zich daar voordoet als grootse nieuwigheid, als nieuwe individualisering en gemeenschapsvorming tegelijk, zijn zich de toenmalige mensen in de innigheid van de belevenis weliswaar bewust, maar ze kunnen zich geen bewuste rekenschap geven over de betekenis en samenhang van de vervulling van die belevenis. De interpretatie, het bewuste doorzien van datgene wat zich in de geloofsgemeenschap voordoet, is in de moderne kennisgemeenschap gegeven.

            In de kennisgemeenschap, die door de antroposofie onder mensen mogelijk wordt, ligt de bewustmaking van wat er in het begin van onze jaartelling gebeurde.

            Dit nieuwe gemeenschapsbelevenis berust op de ontdekking en ontsluiting van geheel nieuwe bewustzijnsvelden.  De kenniswetenschap van Rudolf Steiner maakt de bewustzijnsafloop die zich bij het kennen afspeelt, voor het eerst volledig transparant. Wij kunnen geen stap doen, geen hand naar een onderwerp bewegen zonder alles datgene wat ons in de zintuigelijke wereld omgeeft steeds met structuurvormende en samenhang tot stand brengende ordeningselementen te doordringen. Wij maken die voor ons door geestelijke activiteit beschikbaar uit een geheel van ideële ordeningselementen waarmee wij voortdurend door zelfwerkzaam deelnemen in verbinding staan. Alleen is dit zelfwerkzame meebeleven van dit geestelijke in het gewone bewustzijn iets wat gedroomd is.  Het ordening scheppende element dromen we in de zintuigelijke wereld naarbinnen.  Wat we slechts met de zintuigen waarnemen, tasten, horen etc. is aanvankelijk zonder structuur en ordening, dus geen volle werkelijkheid. In dit nog ongeordende kan van kleuren, vormen etc. niet gesproeken worden: deze worden door ons niet gezien, getast etc., maar gedacht! Pas door de ideële ordeningselementen van het denken krijgt de zintuigelijke wereld structuur en werkelijke objectiviteit.

            De in de werkelijkheid liggende ordeningen stromen daardoor in dat we met het ideële ordenings-gehalte van de wereld ons door eigen dromend volbrachte activiteit verbinden. Wat onder deze droom in “zuivere waarneming” ligt is volledig ongeordend en ongecontureerd, blijft in diepe slaap en wordt pas daardoor helder dat we door ons denkactiviteit samenhangen en betrekkingen, relaties toevoegen die we voor een groot deel in de zintuigelijke wereld slechts naarbinnen dromen.  Wakkerbewust zijn dan de conglomeraten uit diepe slaap en dromen die we dingen en voorwerpen noemen.  Rudolf Steiner heeft voor het eerst de mogelijk aangetoond om het ontstaan van dit wonderbaarlijke  weefsel van diepe slaap, droom en waken volbewust te observeren.  Te zien dat we met het denken, dat het samenhangvormende in de wereld is, niet door passieve ontvangst maar door innerlijke activiteit verbonden zijn, is een van de geweldigste observaties die we kunnen maken. Het is onze innerlijkste bron van activiteit, waardoor we tot de gedachten komen, maar niet tot de gedachtenverbindingen.  Want wanneer we de begrippen en ideeën uit onze activiteit denken, schommelen we ons met innerlijkste activiteit steeds in een rijk naarbinnen dat op eigen wetten is gegrond. We kunnen het doen, ja moeten het doen, kunnen echter de wetten niet veranderen.  Wanneer we “geheel” en “deel” denken, dan ordenen zich deze begrippen zelf volgens de hen toekomende samenhang, zodat we juist niet zouden denken als we zegden: het deel is groter dan het geheel; dan zouden het  slechts “woordklanken” zijn. Wanneer we echter de begrippen  “geheel” en “deel” werkelijk denken, dan zien we hoe ze zich volgens de hen inwonende logische relatie ordenen. Maar tot dit perspectief komen we alleen daardoor dat we zien: we zijn met hen door onze activiteit verbonden; alleen wanneer we ze actief doordringen, staan we in het licht en de helderheid die hen eigen is, zodat ze zich onaanraakbaar door onze willekeur met elkaar verbinden.

            Wij verbinden begrippen op grond van ons inzicht in hun eigen onwankelbare wetten, doen dit dus nooit dwangmatig. Men spreekt uiteraard van “dwingende logica”, maar we zijn toch met ons eigenste wezen met datgene wat in het denken voor ons verschijnt, door onze intensiefste activiteit verbonden. Met de innerlijkste kern van ons wezen zijn wij met een eeuwige ordeningswereld verbonden, en dat is juist zo, omdat die op haar eigen wetten opgebouwd is, hoewel ze alleen voor onze eigenste individuele activiteit toegankelijk is. Deze wereld, waarvan wij  ons aanvankelijk in de vorm van begrippen en ideeën bewust worden, is niet verschillend in de verschillende koppen, maar heeft haar wezen in zichzelf als het ware boven de koppen. Natuurlijk bestaan er verschillende provincies van dit reusachtig rijk die voor de enkelingen min of meer toegankelijk zijn, maar een grondstroom  van de samenhang en de hemelse ordening doordringt toch alle sectoren die voor alle aparte provincies gelijk is. Ook deze staan op zich in een intieme samenhang die bij de ideële hemel van het geestelijk hoort. In onze innerlijkste, individuele activiteitsvermogen horen wij bij dit op zichzelf gebouwd eeuwig ordeningsrijk. Wat in ons bij dit eeuwigheidsrijk hoort, dat zijn wij.

            Wanneer wij de aan ons getoonde weg van innerlijke observatie betreden, maakt men de wonderbaarlijke in de denkbelevenis mogelijke ervaring dat men tot zichzelf zegt: Wat in individueelste activiteit met dit eeuwigheidsrijk verbonden is, dat ben ik. Dit innerlijkste actieve komt natuurlijk in ons pas tot uiting , indien wij alles in ons overwinnen en terugdringen wat ons van de vereniging met dit eeuwigheidsrijk wil  verdringen. Terugdringen moeten we onze lichamelijk organisme,  die ons door de zintuigen alleen samenhangsloze, incoherente snippers van een ongeordende waarnemingswereld ter beschikking stelt. We hebben de kracht voor deze terugdringing, omdat we altijd door individueel beleven binnen in het universele  van het eeuwig geestelijke kunnen staan. Dat is de moderne metamorfose van de christelijke geloofsgemeenschap. Daarin leefde ook de individuele onsterfelijkheidskracht. Deze keek op naar de geopenbaarde Logos, de tot individualiteit geworden wereldwijsheid en werldgeestelijkheid. De overtuiging en onderbouwing, dat wij door ons innerlijkst individueel wezen met een universeel, ons ver overtreffend wezen verbonden zijn, kan men pas op de weg van de innerlijke zielenobservatie verkrijgen.

            Deze belevenis dat ik met mijn individueelste kracht bij een universeel wezen behoor, verschaft mij tegelijk het bewustzijn dat een wezen te zijn niet betekent daarin afgesloten en van andere wezen gescheiden te zijn, zoals men dat over het algemeen gelooft, inden men het begrip wezen van het beleven van het zenuw- en zintuigstelsel neemt: Daar is een wezen dat door zijn lichaamsmuur afgesloten is; dat is een wezen dat de grondslag van zijn wezenlijkheid nog niet uit zichzelf in uitwisseling en verenigingsproces met het universele schept. De eigenlijke wezensvervulling is juist de uitwisseling en niet de afsluiting. Deze wisselingsvaardigheid is het tweede dat ik op het pad van zielenobservatie beleef. Het eerste: dat wij in onze innerlijkste individueelste kracht bij een eeuwig op zichzelf gebouwd wezen behoren en daardoor een zekerheid van de onsterfelijkheidsvonk hebben die in onze wezenheid fonkelt; het omvangen-zijn van het universele.  Het derde: De uitwisseling treedt eigenlijk in twee fasen, twee metamorfosen op. Er is een grote en een kleine wezenswisseling. De grote speelt zich daardoor af dat de innerlijkste onsterfelijkheidskracht zich met de universele kracht uitwisselt. Maar in deze uitwisseling is juist als het wezen van onze wezenheid het uitwisselingsvermogen  als zodanig aangelegd, want overal waar dit wezen uit dit universeel iets scheppend, zich naarbinnen in de wereld plaatst en iets geestelijks in de zintuigelijke wereld naarbinnen draagt, daar draagt het iets geestelijks naarbinnen in de zintuigelijke wereld met dit uitwisselingsvermogen waarmee het oorspronkelijk toegang tot dit geestelijke vond. 

            Wanneer we een nog zo eenvoudig of complex ding in de buitenwereld begrijpen, begrijpen we het daardoor dat we van het geestelijke dat daarin ligt min of meer volkomen duidelijk bewust worden.  Wij ontwikkelen dan in ons, wat daarin als geestelijke scheppingskracht buiten ons ligt, ook wanneer we slecht inzien dat een cirkel een lijn is die vanaf een middelpunt overal dezelfde afstand heeft. Dat zeggen ons niet onze ogen; geen oog kan zien dat overal de afstand hetzelfde is; want “afstand” is een ruimtelijke relatie; men kan die niet zien maar alleen denken.  Wanneer we zoiets met het denken inzien, in ons geestelijk ontwaren, dan vinden we het aan het wezen van de buitenwereld, waarop het past, weer en verenigen ons daardoor  met datgene wat in het wezen van de zintuigelijke wereld sluimert, maar door diens eigen mond niet uitgesproken kan worden. Dat moet door de mond van onze kennis gebeuren.

            Het “creatuur zucht” ernaar om van zijn wezen zodanig bewust te worden dat het in ons spreken kan. Het uitspreken gebeurt door de mond van de mens. Diens kennis lost “het zuchten van het creatuur” in het klankrijke woord op. Dat is de derde ervaring op het innerlijke pad van de zielsontwikkeling in zielsmatige zelfobservatie: Verbinding van ons onsterfelijkheidskracht met de universaliteit van het geestelijke, dat is de grote belevenis van de uitwisseling en daarin ingesloten de vaardigheid van de wezenswisseling met alle andere wezens en vooral met onze medemensen. Dus wederom de ervaring van iets aller-individueels en de ervaring van iets gemeenschappelijks, namelijk  van het universele, waarmee dit individuele intiem verbonden is vanaf het begin, maar ook de ervaring van de uitwisseling met alle andere wezens die in zekere mate onder de hoede van het universele leven.

            In zekere mate met de blik van onze onsterfelijkheidskracht, die onze innerlijkste activiteitsvermogen is, kijken we naar de wezenshorizonnen of wezensvormende gemeenschappen: naar een overtreffend universele, waarin alle samenkomen, en naar een kleine gemeenschapsgestalte, waarin de grotere en kleinere gemeenschappen door het gebruik van gemeenschappelijke kennisvormen samenkomen. Deze kleine is door de universele gemeenschapsgestalte overtroffen en overstraalt.  Juist hier wil ik nog eenmaal bij iets aansluiten wat in de tweede lezing beschouwd werd.

            “’Schrijf aan de engel van de gemeenschap te Efeze: Dit schrijft degene die de zeven sterren in zijn rechterhand houdt die tussen de zeven gouden kandelaren wandelt. Ik ken uw daden en wat gij verdragen heeft, en ook uw volharding, en dat gij de kwaden niet wil steunen, en dat gij ter verantwoording geroepen heeft degenen die zich apostelen noemen en het niet zijn en dat gij ze als onecht gekend heeft. En gij heeft volharding en gij heeft uw werk op Mijn naam gebouwd, en gij zijt niet daarbij verlamd.  Maar Ik verlang van u dat u tot uw voortreffelijkste liefde komt. Gedenk waarvan gij afgevallen zijt, bekeer u en verricht de voortreffelijkste daden. Maar zo niet, dan kom Ik en zal uw licht wegnemen tenzij u zich bekeert. Doch dit hebt gij, dat gij de werken der Nicolaiëten veracht, welke Ik ook veracht. Wie oren heeft die moge horen wat de Geest tot de gemeenschappen zegt: aan de overwinnar zal Ik te eten geven van de Boom des levens die in het paradijs Gods is.’” (VIII, 112)

            Daar wordt een onderscheid gemaakt tussen de gemeenschap en “de Geest” die zich tot de vele gemeenschappen, vele engelen wendt.

            “Dit is de boodschap die aan de engel van de eerste gemeenschap gericht is. De engel, welke men zich als de gemeenschapsgeest heeft voor te stellen, is op de weg die in het christendom voorgetekend is.”(VIII, 112)

            Dus de Geest, d.w.z. de grote aantal van geesten van de gemeenschap. De mensen sluiten zich in de kleinere gemeenschapsgeestelijkheid telkens aaneen, daar werkt het uitwisselingsvermogen  dat het wezen van kennis is. Maar dit uitwisselingsvermogen vindt  pas zijn vervulling in dat grote doel waarin de kleinere voorgevormde gemeenschappen samenkomen bij de gemeenschap met de Geest, de Mensengeest. Kleinere gemeenschappen zijn op weg naar de grote.

            “Hij vermag de valse belijders van het christendom van de ware te onderscheiden. Hij wil christelijk zijn; en hij heeft zijn werk op de naam van Christus gestoeld. Maar er wordt van hem verlangd dat hij zich door generlei dwaling de weg tot de voortreffelijkste liefde laat versperren.’’(VIII,112)

            Dus de uitwisselingsvermogens, waardoor zich de enkelingen destijds door hun kracht van het geloof maar nu in onze tijd door hun kenvermogen met andere mensen verenigen, worden dus gevoed in hun sociale scheppingskracht dat de mens beleeft wanneer hij ervaart hoe zijn onsterfelijk wezen in het universele gegrond is. Hoewel de kleinere gemeenschappen op weg naar de gemeenschap zijn, kunnen ze hun wezen vergeten en daarmee voor hun eigen engel gevaarlijk worden, wanneer ze van de “voortreffelijkste liefde” afvallen die wil dat het individuele in een universeel wezen vervuld moge worden.

            “In de rechterhand van Hem die op de troon zat, bevindt zich het boek waarin de weg naar de hoogste waarheid is weergegeven (Op. 5:1). Slechts één is waardig het boek te openen: ‘[…] zie, de leeuw uit de stam van Judea, de wortel Davids, heeft overwonnen om de  boekrol en haar zeven zegels te openen.’(Op. 5:5) Zeven zegels heeft het boek. Zevenvoudig is de wijsheid van de mens.  Dat deze als zevenvoudig wordt gekenmerkt, hangt weer samen met de heiligheid van het getal zeven. Als zegel kenmerkt de mystieke wijsheid van Philo  de eeuwige wereldgedachten  die in de dingen zich tot uitdrukking brengen. Mensenwijsheid zoekt deze scheppingsgedanken.  Maar pas in het boek dat daarmee is verzegeld staat de goddelijke waarheid. Eerst moeten de grondgedachten van de schepping worden onthuld en de zegels gebroken, dan wordt openbaar wat in het boek staat. Jezus, de leeuw, vermag de zegels te verbreken. Hij heeft de scheppings-gedachten een richting gegeven die door hen heen tot wijsheid voert.” (VIII, 116).

            Het nieuwe idee van het boek in de zin van het christendom, dat er voorheen nog niet was, is de inslag, de intekening van de wereldrede in een individueel bewustzijn.  He boek is iets wat voor de ogen van de openbaarheid ligt. Maar deze openbaarmaking, de zin van deze vlees- en stofwording ligt in de mogelijkheid van de geloofs- en later kennisgemeenschappen. Door de openbaring is de mogelijkheid van de kennisgemeenschap gegeven en alleen als de uitdrukking van deze nieuwe openbaring heeft het boek een zin. Derhalve kan de Logos Jezus Christus als het boek aanspreken, omdat Hij de openbaarmaking van de wereldrede is ten behoeve van een nieuwe gemeenschapsvorming.  Het boek is in wezen de Logos als de geopenbaarde en geïndividualiseerde wereldrede, als bron van een nieuwe gemeenschapsvorming. Alleen in samenhang met de gemeenschapsvorming heeft het boek überhaupt een zin. 

            Op een grandioze wijze wordt het idee van het boek van de openbaarmaking met de vorming van een nieuwe gemeenschap en een inwijding in een gemeenschapsgebeuren verbonden. Ook de vleeswording van Christus is immers een openbaarmaking. De onderliggende zin ervan is om de mens een mogelijkheid van een nieuw individueel onsterfelijkheidsbewustzijn te geven en daarmee een nieuw gemeenschapsbewustzijn en het boek (Christus Jezus) is de inhoud van het nieuwe gemeenschapsbewustzijn, en alleen in de vorming van dit gemeenschapsbewustzijn met Hem kan het leven.

            “Als we in de inwijdingstempel zouden kunnen kijken, waarin de mensen aan de Osiris-metamorfose werden onderworpen, dan zouden we zien dat de gebeurtenissen microkosmisch de wording van de wereld weergeven. De van de “vader” afstammende mens diende in zichzelf de “zoon” te baren. Wat hij in werkelijkheid in zich draagt, de betoverde God, diende in hem openbaar te worden.” (V, 86)

            Wederom is van een openbaarmaking sprake, die uiteraard in de tijd van het oude Egypte slechts aangelegd werd, in potentie aanwezig was, en waarvan de inhoud pas openbaar werd met de stichting van het christendom en daar ook alleen in de geloofsgemeenschap beleefd werd, maar niet begrepen kon worden. Vandaag de dag echter kan de zin van deze openbaarmaking begrepen worden.

            “En nadat getoond is hoe alles wat te zeer aan het vergankelijke hangt om tot het waarachtige christendom te komen de dood heeft gevonden, verschijnt de sterke engel met het geopend boekje en geeft het aan Johannes: ‘En hij zeide tot mij: Neem het en verslind het, en het zal bitter worden in de maag, maar in uw mond zal het zoet zijn als honing.’” (Op. 10:9) (VIII, 119)

            Wat in ons van de voortreffelijkste liefde wil afvallen, dat ondervindt het boek, de Logoswording van de wereldrede als “bitter”.  Wanner we ons echter op de weg begaan van de voortreffelijkste liefde, beleven we de zoetigheid . Zoet is datgene wat in onze individualiteit zich verenigt met het grote overtreffende gemeenschapswezen. Onsterfelijk bewustzijn en groot gemeenschapsbewustzijn staan onder het overtreffende licht van saamhorigheid  van de kleinere gemeenschappen. Ze dreigen van de voortreffelijkste liefde af te vallen. Vallen ze niet af, dan krijgen ze de ware relatie tot de openbaarmaking. Die heeft alleen zin als uitdrukking van de vereniging van onsterfelijkheidsbewustzijn en gemeenschapsbewustzijn.  Afgelost van dit mysterieproces hebben ze geen zin en geen geest.   


IV. “Met de Kerstbijeenkomst, die gekenmerkt kan worden als een metamorfose van de oerchristelijke geloofsgemeenschap, hangt de onbeperkte openbaarmaking van het geestesgoed samen dat Rudolf Steiner aan de leden heeft gegeven en dat aanvankelijk nog in het omhulsel van een afzonderlijk bewustzijn gehouden was.”

  


“…Maar wij doen ons in allen kennen als Godsdieners – door veel dulden, onder verdrukking, in nood, in angst, in het ondergaan van slagen, in gevangenschap, in vervolgingen,  in zware arbeid, in doorwaakte nachten,  in vasten, in lankmoedigheid en vriendelijkheid, in de heilige geest, in ongeveinsde liefde, in het woord van de waarheid, in de kracht van God, met de wapens der gerechtigheid in rechter- en linkerhand, in eer en schande, in kwade geruchten en goede geruchten, als verleiders en toch waarachtig, als de onbekenden toch bekend, als stervenden en zie: wij leven; als de getuchtigden en toch niet gedood, als bedroefden, maar altijd vrolijk; als armen, maar die toch velen rijk makend, als niets hebbenden en toch alles hebben. (2de Kor. – 6:4-10)

            Dit boek is een boek over het openbaar worden van het geheim, van de mysteriegeheimen die op een grandioze wijze in de openbaarheid werden gebracht door het mysterie van Golgotha. Wat vroeger verraad gewezen was, is dat nu niet, omdat door deze openbaarmaking een heel nieuwe, nooit eerder bestaande mysteriestroming ingeluid werd en wel door twee feiten:  Het wordt voor de mens die zich bij deze mysteriestroming wil en kan aansluiten (en dit zijn nu allen en niet alleen degenen die uitgekozenen en voorbereid zijn) mogelijk worden door een nieuwe zielskracht, die er voorheen nog niet in die zin bestond, hoewel ze natuurlijk ook voorbereid werd: de individuele onsterfelijkheidskracht.

            De weg door de mysteriën heeft niet daartoe geleid, maar naar een eenwording met het bovenindividuele eeuwig-goddelijke in de ziel. Dit bovenindividueel goddelijke werd van de ziel eerst ontnomen en de openbaarheid binnengedragen; dat is eerst het doorheengaan door de dood. De ziel komt daardoor in een situatie van verarming en vereenzaming, wordt echter met het hoogste in verrukking gebracht: met het individuele onsterfelijkheidskracht; dat kan alleen vanuit de vereenzaming ontstaan, uit de belevenis van het-afgesnoerd-zijn van het geestelijke, waar de individuele ziel eerst sterft. De geloofsgemeenschap die uit de samenstromende individuele onsterfelijkheidskracht ontstaat vormt een nieuwe mysterieplaats – beide mogelijk gemaakt door het mysterie van Golgotha.

            De oude mysterieweg veronderstelde het louteren van individuele onvolkomenheden, de nieuwe betrekt deze erbij. Hiertoe is uit de uiteenzettingen over de Apocalyps de volgende passage te beschouwen:

            “En de mensenzoon ‘had zeven sterren in Zijn rechterhand.’ (Op. 16). ‘De zeven sterren zijn de engelen van de zeven gemeenschappen.’(Op. 20). De uit de mysteriewijsheid bekende ‘leidende geesten’ (diamonen) zijn hier de leidende engelen van de ‘gemeenschappen’ geworden. Deze gemeenschappen worden daarbij als lichamen voor geestelijke wezenheden voorgesteld. En de engelen zijn de zielen van deze ‘lichamen’, zoals de mensenzielen de leidende machten van de menselijke lichamen zijn. De gemeenschappen zijn de wegen naar het goddelijke in de onvolkomenheid; en de gemeenschapszielen dienden de leiders te worden op deze wegen.”(VIII)

            De individuele onvolkomenheid is erbij betrokken, omdat de onsterfelijkheidsbelevenis juist in de individuele onvolkomenheid haar uitgangspunt vindt.

            De onsterfelijkheidsbelevenis van de oerchristelijke geloofsgemeenschap met haar hartelijkheid heeft in onze bewustzijnstijdperk door de antroposofie een met de natuurwetenschap overeenkomende vorm gekregen: In plaats van geloofsintimiteit heet het daar zeer nuchter, maar niet minder geweldig “terugdringing van het organisme” (De Filosofie van de vrijheid, hfdst. IX, 4). De Filosofie van de vrijheid leert namelijk de mensen iets was gelijk staat aan de evenwichtszin. Die kunnen we al lang gebruiken, maar zonder te weten hoe die functioneert.  (De evenwichtszin heeft zijn orgaan in het oor.) Denken konden mensen ook minstens binnen zekere grenzen; hoe en wat echter daarbij omgaat, heeft men vóór De filosofie van de vrijheid niet geweten.[1]

            Het naarbinnen kijken van het denken in zichzelf en daarmee het oppakken van een geheel nieuwe nuance binnen het denkbewustzijn leert men pas op de observatieweg van De filosofie van de vrijheid. Men gaat van eenvoudige observaties uit. Een zodanige, die zich altijd nieuw bewaarheiden moet, is die dat alles wat onze zintuigen ons ter beschikking stellen ons gegeven is.  Daar zijn wij ontvangend, daar kunnen wij niets voortbrengen, niet het kleinste stofkorreltje in de wereld van de waarneming.  Geen kleur, geen klank kunnen wij in zijn oorspronkelijkheid voortbrengen.  Als we bv. kloppen dan is dat alleen de aanleiding; maar het is de zonder ons toedoen voorhanden configuratie van de wereld waaraan de klank eigenlijk ontspringt in zijn klankgehalte; we kunnen op het toetsenbord van de wereld spelen dat we niet geschapen hebben.

            In zijn grondsubstantie is alles wat we waarnemen ons zonder ons toedoen gegeven, maar volledig ongeordend. We  hebben dit dagelijks brood niet alleen nodig voor tanden, tong en gehemelte, maar voor ons hele organisme, dat niets meer is dan een samengesteld-zijn uit zintuigen die de wereld waarnemen maar zonder de samenvoeging en ordening ervan. Ter onderscheiding van recht en links bv. helpt ons geen tasten; rechts en links zijn geen tastgewaarwording maar begrippen. Geen waarnemingen vormen zich uit ordeningskaders en structuren. Tot het ordenen en vormgeven van de waarnemingen zijn wij alleen in staat indien ons organisme zwijgt. Dit organisme behoeft steeds de waarnemingen en verwelkt onmiddellijk, wanneer het uit deze stroom niet gevoed wordt. Maar een ding voedt zich uit zichzelf: dat is het denken dat in ons opvlamt zodra we onze eigenste activiteit aansteken.

            Wanneer we ons organisme, het sterfelijke en voedingsbehoeftige terugdringen, komt het tot een opstanding uit de graf van dit organisme. Het is deze opstandingskracht waarmee we deelachtig worden van het denken. Zij is aanvankelijk nog inhoudsarm. Maar haar maakt zich het denken in zijn hemelse universaliteit eigen. Het denken laat zich willens tevoorschijn brengen, maar zijn ordeningen bestaan onafhankelijk van onze willekeur. Wanneer we met de opstandingskracht ons organisme terugdringen en overwinnen, dan treden we een bepaald rijk binnen, wiens lichtende schepsels zichzelf dragen. Ze hoeven niet door iets ergens vandaan gesteund te worden zoals de zware dingen van de aarde. De begrippen dragen zichzelf en vormen een rijk dat zich onbedwingbaar tot een steeds grotere totaliteit aaneensluit en waartoe wij behoren door onze onsterfelijkheidskracht, maar zodanig dat wij niet als gewaarwordenden maar als co-actieven met dit rijk verbonden zijn. Iets wat men zelf, hoewel het op zijn eigen wetten gebouwd is, co-creërend beleeft, is uiteraard niets wat het eigen wezen tegenovergesteld is, veeleer is dat wat wij waarachtig doen, waarin wij als doeners levendig zijn, niets wat zich van ons wezen onderscheidt, maar iets wat zich met ons in wezenswisseling bevindt. Doordat wij zodoende daarin staan, worden wij zelf door de geestelijke wereld gedaan. De terugdringing van ons organisme door de opstandings- en onsterfelijkheidskracht laat ons van de uitwisseling met het eeuwige in aanduidende belevenissen bewust worden, omdat zich met de onsterfelijkheidsbelevenis van de terugdringing van het organisme de belevenis van de wezenswisseling noodzakelijk verbindt. Derhalve is het hier tot een volledig duidelijk inzicht geworden dat twee dingen, die als de twee grootste tegenstellingen tegenover elkaar lijken te staan, slechts twee kanten van dezelfde zaak zijn: het onsterfelijkheid verkrijgende individueelste en het universeelste, de kosmische samenhang van de geestelijke wereld. Want het beleven van de uitwisseling is juist datgene waardoor wij definitief  boven onszelf  uit komen en ons met andere wezens verbinden.

            En omdat met de moderne onsterfelijkheidsbelevenis als de opstanding uit het overwonnen organisme de belevenis van de wezenswisseling is, is daarin de kiem van de nieuwe mysterieplaats aangelegd, zodat we zeker kunnen  zijn: wanneer we met de onsterfelijkheidskracht van het heldere, duidelijke denken ons inspannen, dan krijgen wij een gezamenlijk aandeel aan een spirituele inhoud en doen dit met de krachten waardoor wij van oorsprong in het ons allen oneindig overtreffende zijn. Wij leven ons in een gezamenlijk, ons allen overtreffend bewustzijn in. Derhalve staat in het middelpunt van de Kerstbijeenkomst de heroprichting van de Antroposofische Vereniging. De gemeenschap is gegrond op de gemeenschappelijke belevenis van onsterfelijkheid en de belevenis van het ethisch individualisme.     

            Daartoe behoort wederom een nieuw wereldhistorisch gebeuren van het openbaarmaken, want met de Kerstbijeenkomst, die gekenmerkt kan worden als een metamorfose van de oerchristelijke geloofsgemeenschap, hangt de onbeperkte openbaarmaking van het geestesgoed samen dat Rudolf Steiner aan de leden heeft gegeven en dat aanvankelijk nog in het omhulsel  van een afzonderlijk bewustzijn gehouden was.  Voor iedereen is het toegankelijk, hoewel dit openbaarmaken alleen een zin heeft als uitdrukking van een nieuwe mysterievorming, zoals ik die gekenmerkt  heb als metamorfose van de oerchristelijke geloofsgemeente die nu juist tot een kennisgemeenschap wordt. Alleen in samenhang met een nieuwe mysterievorming heeft het openbaarmaken een zin. Dit stelt u zich op duidelijk wijze voor, wanneer u bedenkt dat nu bij het betrekken van de individuele onvolkomenheden in de oerchristelijke geloofsgemeenschap er een nieuw te betrekken iets bijkomt. In de oerchristelijke geloofsgemeente was een pinksterlijk uittreden van het bewustzijn boven de directe aanwezigheid ervan in de afzonderlijke individualiteiten gegeven. In samenhang met de vorming van de kennisgemeenschap en het in haar schoot liggende eenvormige bewustzijn is nu wederom iets nieuws gegeven, namelijk de toegankelijkheid van de geestelijke wereld en spirituele feiten vanuit het bereik van het gewone dagbewustzijn. Hierbij moeten wij tweeërlei onderscheiden: het bereik van het gewone dagbewustzijn en de zielenhouding van het gewone dagbewustzijn. Laatstgenoemde is natuurlijk voor de huidige mensheid een verregaand onspirituele, maar ze is op zich zodanig transformeerbaar dat daarvan de weg in de geestelijke wereld geopend kan worden. Rudolf Steiner heeft aangetoond dat het vatten van de denkbelevenissen direct uit  gebied van het gewone dagbewustzijn de weg in de geestelijke wereld opent. Dat is het nieuwe grote wat erbij betrokken wordt, dat wederom de grandioze metamorfose kenmerkt, waarin niet alleen de individuele onvolkomenheden erbij betrokken zijn in het grote mysteriegebeuren, maar ook het gewone dagbewustzijn, zodat vandaaruit de eerste stappen in de geestelijke wereld gemaakt kunnen worden. Dat is de grandioze daad van Rudolf Steiner.

            Voor de openbaarmaking bestaan er natuurlijk veel redenen; het hier gezegde bevat echter een innerlijke interpretatie voor de betekenis van de openbaarmaking. Een krachtige wijsheid ligt daarin dat de stap in de geestelijke wereld vanuit het gewone dagbewustzijn  kan en gemaakt moet worden. Maar die is ook alleen weer waarheids- en werkelijkheidsgeldig, indien die met het interpreterend feit van de vorming van een nieuw mysteriegebeuren vanuit het gewone dagbewustzijn in samenhang blijft staan. De openbaarmaking heeft juist met het oog op de Kerstbijeenkomst een allerbelangrijkste interpretatie. Wat is dan de wereldhistorisch beduidendste openbaarmaking, de meest grandioze die er ooit in de wereld- en mensheidsgeschiedenis heeft bestaan? Natuurlijk de openbaarmaking van het mysteriewezen,  waarbij deze openbaarmaking tegelijk een metamorfose is: het naarbuiten treden van het mysteriewezen voor de voorhang van de tempel in het mysterie van Golgotha. Wat voorheen verborgen wijsheid was, werd nu openbare wijsheid die echter meteen weer als geheim teruggenomen werd, daardoor dat ze alleen zin en betekenis heeft, indien ze in samenhang blijft met de vorming van een nieuwe mysterieplaats die uit het samenwerken van de onsterfelijkheidskrachten ontstaat. De wijsheid die verborgen was in de geestelijke wereld treedt op het plan van de fysieke wereld voor de ogen van de mensen met hun individuele onvolkomenheden en wordt in menselijke gedaante zichtbaar. Wat voorheen met sterrenscript in de hemel was ingeschreven, treedt nu voor de mensen, in zekere mate ingehuld in de substantie van de uiterlijke wereld, in een vergankelijk lichaam. Derhalve kan Philo zeggen, dat daarmee eigenlijk het feit van het boek op grandioos oerbeeldende wijze voor de mensen is neergezet, want het boek is niet in het geheim afgesloten, maar allen toegankelijk. 

            “Als de ‘Zoon van God’ noemde Philo,  van wie men zei dat hij de herboren Plato was, de uit de mens geboren wijsheid die in de ziel leeft en de in de wereld aanwezige rede als inhoud heeft. Deze wereldrede, de Logos, verschijnt als het boek waarin ‘al het bestaan van de wereld is ingeschreven en opgetekend.’ De Logos verschijnt verder als de Zoon Gods ‘de wegen van de Vader navolgend, de oerbeelden schouwend, vormt Hij  gestalten.’” (III, 61)

            De openbaarmaking van de wijsheid in het mysterie van Golgotha is eigenlijk het oerfeit van het boek. De inhoud van het verborgen boek treedt in de openbaarheid, wordt voor degenen leesbaar die de zin van deze openbaarmaking, door hun eigen gedrag verwerkelijken en levendig houden. Deze openbaarmaking is reeds in het geheimenis van de voorchristelijke mysteriën aangelegd, in zekere mate voorbereid, hoewel ze in hun essentie het tegendeel zijn (ze berusten immers op het geheim). 

            “Als we in de inwijdingstempel zouden kunnen kijken, waarin de mensen aan de Osiris-metamorfose werden onderworpen, dan zouden we zien dat de gebeurtenissen microkosmisch de wording van de wereld weergeven.” (V, 86).

            Dat is de voorbereiding van het naarbuiten treden op het fysieke plan, het microkosmisch-worden van macrokosmische. Maar dit is pas dan tot een afsluiting gekomen wanneer het in individueel wezensgestalte op het fysieke plan naarbuiten treedt.

            “Man neme toch letterlijk wat Jezus in het Johannes-evangelie is. Hij is het ‘Woord’ dat vlees geworden is. Hij is het eeuwige dat in het oerbegin was. Is Hij werkelijk de opstanding, dan is het ‘eeuwige, oorspronkelijke’ in Lazarus herrezen. Men heeft het dus met een opwekking van het eeuwige Woord te doen. En dit ‘Woord’ is het leven waartoe Lazarus is herrezen. Men heeft hier dus met een ziekte te doen. Maar met een ‘ziekte’ die niet tot de dood voert, maar die ter ‘eer Gods’, d.w.z. tot de openbaring van God dient. Is in Lazarus het ‘eeuwige Woord’ herrezen, dan dient werkelijk het hele proces ertoe om God in Lazarus te doen verschijnen. Want Lazarus is door het hele proces een andere mens geworden. Voorheen leefde niet het ‘Woord’, de Geest in hem, nu leeft deze Geest in hem. Deze Geest is in hem geboren.”(VII, 105, 106)

            Vanuit de ziekte van het sterfelijke leven en uit het intrekken in dit sterfelijk lichaamsomhulsel  ontstaat juist de opstandingskracht van de individuele onsterfelijkheid. Deze kracht komt tot uitdrukking in een boek dat in de fysieke wereld ervaarbaar en leesbaar is.

            (Zie VIII, 114) De zeven sterren zijn de zielen van de mensengemeenschappen die van hun kant pas weer op de weg naar de hoogste gemeenschapsvormers, naar de christengemeenschap zijn.  Het “tweesnijdend” zwaard betekent: De mensen  en de gemeenschapszielen zijn voor de beslissing geplaatst of ze de “voortreffelijkste liefde” willen  oefenen of die “voortreffelijkste liefde” verlaten  die nooit vergeet dat ze alleen zin en betekenis heeft in samenhang met het ontstaan van een nieuw mysteriewezen. Van deze zin beroofd wordt de openbaarmaking een lijdensweg.

            “In de rechterhand van Hem die op de troon zat, bevindt zich het boek waarin de weg naar de hoogste waarheid is opgetekend (Op. 5:1). Slechts één is waardig het boek te openen: ‘[…] zie, de Leeuw uit de stam van Judea, de Wortel Davids, heeft overwonnen om de  boekrol en haar zeven zegels te openen.’(Op. 5:5) Zeven zegels heeft het boek. Zevenvoudig is de wijsheid van de mens.  Dat deze als zevenvoudig wordt gekenmerkt, hangt weer samen met de heiligheid van het getal zeven. Als zegel kenmerkt de mystieke wijsheid van Philo de eeuwige wereldgedachten  die in de dingen zich tot uitdrukking brengen. Mensenwijsheid zoekt deze scheppingsgedanken.  Maar pas in het boek dat daarmee is verzegeld staat de goddelijke waarheid. Eerst moeten de grondgedachten van de schepping worden onthuld en de zegels gebroken, dan wordt openbaar wat in het boek staat. Jezus, de leeuw, vermag de zegels te verbreken. Hij heeft de scheppings-gedachten een richting gegeven die door hen heen tot wijsheid voert. - ”Het lam, dat geworgd werd en dat God met zijn bloed kocht, Jezus, die de Christus in zich gebracht heeft, die dus in de hoogste zin van het woord door het mysterium van leven en dood is gegaan, opent het boek (Op. 5:9-10)” (VIII, 116)

            Het openen van het boek is eigenlijk het zelf-boek-worden van de voorheen kosmische wijsheid in een individueel  wezensgehalte dat op het fysieke plan treedt. En juist dit openen van het boek, het zichzelf-tot-openbaar-boek-maken heeft zijn zin alleen daarin omdat daardoor in de mensen een nieuwe kracht ontstaat om de geestelijke wereld te vinden, deze individuele onsterfelijkheidskracht die de eerste en grondkracht van de geloofskracht is en het eerste kenvermogen van de kennisgemeenschap. En wederom is deze openbaarmaking alleen zinvol in samenhang met de vorming van een nieuwe mysterieplaats, die als gemeenschapsvorming aanvankelijk de individuele onvolkomenheden in zich betrekt, dan de vorming van de kennisgemeenschap die vanuit het gewone dagbewustzijn de weg in de geestelijke wereld vindt.

            “En nadat getoond is hoe alles wat te zeer aan het vergankelijke hangt om tot het waarachtige christendom te komen de dood heeft gevonden, verschijnt de sterke engel met het geopend boekje en geeft het aan Johannes (Op. 10:9):: ‘En hij zeide tot mij: Neem het en verslind het, en het zal bitter worden in de maag, maar in uw mond zal het zoet zijn als honing.’ Johannes dient niet alleen in het boekje te lezen, hij dient het helemaal in zich op te nemen, hij dient zich met de inhoud ervan te doordringen.” (VIII, 119)

            Dit helemaal-in-zich opnemen betekent pijn voor het met de dood doordrongen organisme. Maar dit verandert  in de smaak van honingzoetigheid, in de smaak van de eenwording met de geestelijke wereld en het één worden met degenen die  zich in de gemeenschap met de geestelijke wereld willen verbinden. Het boek neemt op een regelrecht schokkende  wijze een standpunt in tegenover de allermodernste  problemen.  Wat zou actueler zijn dan de vraag: Hoe leeft in deze wereld een ongeremde en schaamteloze openbaarmaking van datgene in de mensen wat ze vanuit het innerlijkste van hun wezen hun onsterfelijkheid zodanig doet ervaren dat deze individuele ervaring tegelijk gemeenschaps-ervaring is? Op deze vraag wordt een verbazingwekkend duidelijk antwoord gegeven:  Deze bevat het feit van de openbaarmaking, die luidt dat de weg in de geestelijke vanuit het gewone dagbewustzijn begint. En de openbaarmaking heeft alleen zin als de uiterste kant van iets dat het allergeheimste is, namelijk het ontstaan van een nieuwe mysterieplaats en een nieuw mysteriebewustzijn.



[1] ) Herbert Witzenmann is ook de schrijver van een congeniaal commentaar op De filosofie van de vrijheid van Rudolf Steiner dat ik bijna volledig in het Engels vertaald heb onder de titel The Philosophy of Freedom as a Basis of Artistic Creation (zie http://freedom-and-creation.blogspot.nl)

VI. “Pas met het mysterium van Golgotha begint de mogelijkheid om het eigen activiteitsbewustzijn van de ziel als onsterfelijkheidsbewustzijn te beleven.”

 


Het vierde hoofdstuk geeft bijzonder duidelijk de methode te kennen die Rudolf Steiner toepast: Een boek dat zich met het “Christendom als mystiek feit” bezig houdt bedient zich van de natuurwetenschappelijke methode!  Dat is onder andere een genetische methode. Deze probeert de wereldverschijnselen en  -processen  genetisch te bevatten, d.w.z. iets dat volgt uit iets dat eraan voorafgaat daardoor te begrijpen dat men in vertrouwen tot het denken met deze activiteit datgene te doordringen probeert wat telkens van voorafgaande toestanden waarneembaar is (niet slechts voor de zintuigen, maar ook voor wat binnen de ziel waarneembaar is), en door deze doordringing een verandering van de eigen kenvermogens te ervaren, die richtinggevend is voor het opnieuw doordringen en begrijpen van volgende inhouden. De natuurwetenschappelijke methode als genetische methode ontwikkelt zich dus zelf in de genetische doordringing van de gekende feiten en processen. Het ligt eigenlijk in het wezen van deze natuurwetenschappelijke methode dat degene die deze werkelijk onbevooroordeeld handhaaft – zoals deze volgens haar eigen innerlijkste wezen is en niet anders zijn kan – zelf een zielsontwikkeling doormaakt. De mens verandert zichzelf daarbij, omdat hij zijn kenvermogens bij het doordringen van de wereldverschijnselen vergroot en zichzelf in zijn eigen geestelijke persoonlijkheid een hoger niveau geeft. Derhalve kan een boek  dat zich met een mystiek feit bezig houdt zich volkomen terecht van deze natuurwetenschappelijke methode bedienen, als men met een mystiek kennen en begrijpen een samenleven en samengroeien met het onderwerp op grond van een innerlijke zielsontwikkeling verstaat.  Met dit “mystieke”, zoals dat woord hier gebruikt wordt, is bedoeld dat datgene wat in de ziel als kenvermogen ontwikkeld wordt niet alleen een innerlijke belevenis blijft, maar tegelijk ook een soort verwerkelijking in de dubbele zin van het woord, dat in het natuurwetenschappelijk- mystieke beleven de mens zichzelf verandert en door deze ontwikkeling dieper in de wereldse werkelijkheid binnendringt.

            Dat kan in zekere zin juist aan hoofdstuk 4 “De mysteriewaarheid en de mythe” bijzonder duidelijk worden, waar in het handhaven van deze natuurwetenschappelijk-mystiek-genetische methode het christendom begrepen wordt als een metamorfose die zich in een grote ontwikkeling sinds oertijden in een innerlijke geestelijke logica voordoet. Aan deze verschijning van het christendom of het mysterie van Golgotha gingen lange perioden van niet alleen menselijke maar ook kosmische ontwikkelingen vooraf. De geweldige ontwikkelingen zijn in het algemeen menselijke bewustzijn , zoals het er voor het mysterie van Golgotha toen was, tot uitdrukking gekomen in de scheppingen van mythen met hun fantastische  beelden die, hoe verder men in de tijd teruggaat, hoe meer kosmologischer  zijn. In de vooruitgang van de mythengeschiedenis treden steeds meer zulke scheppingen naar voren die in het uitspansel van de mythologisch-kosmische beelden in zekere zin het podium vormen  voor een ontwikkeling van de menselijke ziel. Maar wat zich daar uit het volksbewustzijn voortkomend als kosmologische mythe en toneel van de innerlijke, zielsmatig  mythe ontwikkelt, is een zodanige die min of meer uit de instinctieve genialiteit van de menselijke ziel van een volksbewustzijn stamt. Dit was zeker altijd aangespoord door bijzondere persoonlijkheden welke de bewuste, het totaal overziende dragers van deze ontwikkeling waren. Maar het drong als mythevorm over het algemeen uit de instinctieve, hoewel aangespoorde genialiteit van het volksbewustzijn naar voren. Dit instinctief geniale volksbewustzijn is zich in zijn mythevormende activiteit niet van zijn eigen vermogens bewust. Het is het karakteristieke van de instinctieve, onbewuste productiviteit dat ze krachten kunnen laten spelen, waarvan ze zelf niet bewust kunnen worden. En nu is het juist het karakteristieke van de vooruitgang ten opzichte van dit instinctief-geniaal mythevormend bewustzijn, zoals elk bewustzijn van de vooruitgang, dat de krachten die van zichzelf alleen in de resultaten bewust worden, ook in hun eigen levendigheid in het spel van hun uitvoering van zichzelf bewust kunnen worden en er grip op krijgen.  Dat hoort bij het wezen van alle bewustzijns-ontwikkeling. In principe is alle ontwikkeling bewustzijnsontwikkeling.  De krachten die binnen de ontwikkeling en in de zich ontwikkelende mensen actief zijn, worden steeds meer zelfbewust in voortschrijdende zich wederzijds steunende, opstijgende treden.  Wanneer  we vanuit het mythevormend bewustzijn naar de bewuste zielsontwikkeling in het innerlijke van de mythen kijken, hebben we het daar met een bewustzijnsvorming en scholing te maken die in het mythevormend bewustzijn verregaand onbewust en onwillekeurig actief zijn.

            De mysterie leerling leert na overeenstemmende voorbereiding zich van de krachten bewust te worden die voorheen onbewust in het mythevormend bewustzijn actief zijn, dus op soortgelijke wijze waarop de natuurwetenschapper in het handhaven van zijn natuurwetenschappelijke methode zich bewust maakt van wat onbewust in de wereldverschijnselen actief is en waarop hij zich op grond van deze bewustmaking zelf op hogere bewustzijnstreden vermag te verheffen. Dit bewustmaken van de onbewuste vormkrachten en hun handhaving in het bewustzijn is karakteristiek  voor de scholing van de mysterie leerling.  Zo sluit zich als voortzetting van het mythevormend bewustzijn het bewuste binnen de mysteriën daarbij aan, en hoewel het chronologisch parallel loopt is het toch een op de mythevorming opbouwende bewustzijnsontwikkeling.  Met de bewustmaking van de krachten die voorheen onbewust actief waren is iets heel belangrijks verbonden. De mythevormende volksfantasie is, en dat is wederom karakteristiek voor deze vergelijkbare instinctiviteit, zich van haar scheppend aandeel aan de mythevorming maar zeer vaag bewust en beleeft eigenlijk wat zij uit zichzelf spint meer als iets dat van buiten ontvangen en geopenbaard is, waaraan ze alleen haar uitbeeldingskracht en mond verleent.

            Het verval van het oorspronkelijk instinctief mythebewustzijn gaat gepaard met een bewustwording van de voorheen onbewust krachten en daarmee het verlies van het geloof aan de werkelijkheid en wezenlijkheid van de mythische inhouden.  De myste wordt bewust van de innerlijke activiteit en beleeft dat juist die de schouwplaats is voor het verschijnen van zelfstandige, objectieve geestelijke wezenheden.  Dus met het bewustzijn van zijn eigen innerlijk actief aandeel is niet het verlies van de overtuiging van de objectiviteit van het voorheen mythisch uitgebeelde  verbonden, maar een verhoging van het werkelijkheidsbewustzijn. Doch is deze aanvankelijk in de voorchristelijke tijd nog niet zo ver dat ze in deze belevenis van het actief verbonden-zijn met de gestalten van de geestelijke wereld en de geestelijke wereld überhaupt van de eigen individuele onsterfelijkheid bewust kan worden. Hoewel dit activiteitsbewustzijn van het bewustzijn van iets geestelijks is, leidt het in de voorchristelijke tijd nog niet tot een individueel onsterfelijkheidsbewustzijn, hoewel dit daardoor voorbereid wordt. Pas met het mysterium van Golgotha begint deze mogelijkheid om het eigen activiteitsbewustzijn van de ziel als  onsterfelijkheidsbewustzijn te beleven.  Dat geschiedt aanvankelijk nog in de omhulling van het geloofsbewustzijn en de daardoor gevormde gemeenschappen en vindt zijn vervulling tegenwoordig in de vorming van kennisgemeenschappen (waartoe de ontwikkeling sinds de 15de eeuw leidt).

            Wat deze hele ontwikkeling sinds de voorchristelijke tijd doordringt, is het openbaar worden van iets geestelijks in het zintuigelijke, in het ongeestelijke.  Het geestelijke treedt steeds meer naarbuiten en in het niet-geestelijke, in het zintuigelijke en begeeft zich daarmee op een lijdens- en offerweg om juist door dit naarbuiten treden op de schouwplaats van de uiterlijkheid, de zintuiglijkheid een des te grotere innerlijkheid te ervaren. Er volgt daarop een doordringing van het verborgen, universeel geestelijke met het principe van het individuele dat echter tegelijk een gemeenschapsprincipe is.  Dat is eigenlijk het grondgeheim van de evolutie, dat iets geestelijks, iets geheims in het niet-geheime, het zintuigelijke naarbuiten treedt om zich met het nieuwe principe van de individualiteit te doordringen. Deze openbaarmaking van het geestelijke is dus niet alleen een oer- en grondmotief, niet alleen van de zielsontwikkeling maar van de wereldontwikkeling überhaupt.

            Zoals bij alle verhandelingen zegt Rudolf Steiner datgene wat hij zegt ook hier gelijktijdig tweemaal, namelijk door de inhoud alsook door de vorm.  (Het hoort bij de waarheid dat de vorm de inhoud niet verbergt maar deze onthult.) De vorm kan op zo’n manier door de inhoud doordrongen zijn, dat hij daarvan de openbaring is en daardoor de inhoud steeds dieper in zich opneemt. Dat is ook het geheim van de ware schoonheid dat deze zich in de vorm openbaart.)  Derhalve heeft men Rudolf Steiner niet vernomen, indien men alleen de inhoud van zijn werk heeft vernomen. Het behoort bij het wezen van de taal dat de inhoud tegelijk  vormscheppend is. Dat is überhaupt het wezenlijke van de taal, dit grandioze principe waarmee zich vooral Wilhelm von Humboldt bezig hield.  Wat inhoudelijk aan de taal ten grondslag ligt is het doordringen van iets dat we tegenkomen, een voorwerp, met innerlijke deelname, met een lieflijk begrijpen en verstaan, een doordringen van iets uiterlijks en iets innerlijks, van twee polariteiten. Dit talig vormgevend principe, dat de taal in alle verschijningen doordringt, is de Logos der taal überhaupt. Ook hier weer het principe van de doordringing van openbaarmaking en verinnerlijking dat ik bij een andere gelegenheid preciezer heb uiteengezet  (toen we de voordracht lazen “Het zinlijk-bovenzinlijke in zijn verwerkelijking door de kunst”). Derhalve bouwt zich de taal in haar klankgestalte uit klinkers en medeklinkers, en bouwt ze zich in haar grammaticale indeling in het wonderbaarlijke spel van deze beide polariteiten op, die in de metamorfose van de grammaticale verschijning deze wonderbouw van het woord genereren.  Als een zodanig waarachtig sprekende, die in zijn innerlijkst wezen met de Logos verbonden is, spreekt Rudolf Steiner en hij kan derhalve helemaal niets anders dan alles gelijktijdig tweemaal zeggen.[1]

            Er is in dit hoofdstuk geenszins toevallig een reeks mythische beelden ontwikkeld (tezamen zijn het er negen). Daarin wordt datgene wat ook inhoudelijk-begripsmatig weergevend gezegd wordt nog eenmaal in het verloop van de innerlijke zielsontwikkeling voor de lezer ontplooit die deze beeldenreeks met innerlijke gewaarwording nagaat. Wat in dit hoofdstuk meer begripsmatig gezegd en uiteengezet wordt, het principe der mythevorming als principe der zielsontwikkeling, wordt tegelijk in de vorm van het hoofdstuk weergegeven  als  beeldenreeks.  Wie deze met inachtneming van de innerlijke zielsbeweging na- en meeleeft, die ziet: Wat inhoudelijk- begripsmatig wordt gezegd, voltrekt zich daarin als zielsontwikkeling en –ontplooiing. Daarmee worden we überhaupt attent op een principe dat we nodig hebben als wij Rudolf Steiner willen lezen.  Men zou bijvoorbeeld kunnen denken, en dat is ook niet fout maar eenzijdig, dat men de grondgedachte of grondgedachten van een teksteenheid zou moeten bevatten,  begrijpen en zich eigen maken en dat in verbinding proberen te brengen wat daarmee  in samenhang staat of daarmee in tegenspraak is. Dat is een opvatting die meer van het denken en het begripsmatige uitgaat. Een andere mogelijkheid is nu echter dat men meer op het compositorische let, dus daarop hoe elke ingedeelde eenheid in een tekstgeheel ingevoerd is die een kunstzinnig opbouw heeft. Men maakt daarbij wonderlijke observaties over de kunstzinnige invallen.  Maar ook deze manier om zich met een tekst bezig te houden is nauwelijks minder eenzijdig dan de eerste. Beide echter, het compositionele én het bevatten van iets fundamenteel oerbeeldachtigs verbindt men pas, indien men ziet hoe Rudolf Steiner door het formele van de tekstweergave aanspoort om een innerlijke gang door de ziel te maken. Doordat men begrijpend van één bewustzijnsgestalte naar de ander wordt geleid, vermag men een verandering in zichzelf te beleven. Dit observeren en meevormen van een ontwikkelingsweg, waarop Rudolf Steiner ons wil leiden door inhoud en compositie, is eigenlijke het wezenlijke in het omgaan met zijn teksten.

            Nogmaals hier ter bezinning de eerste zinnen van het hoofdstuk:

             “De myste zocht in zichzelf krachten, hij zocht wezenheden in zichzelf op die de mens onbekend blijven zolang hij in de gewone levensopvatting vast zit. De myste stelt de grote vraag naar  zijn eigen geestelijke, boven de lagere natuur uitgaande krachten en wetten.  De mens met de gewone, zintuigelijk-logische levensopvatting schept zich Goden of, wanneer hij tot het inzicht van dit scheppen komt, dan loochent hij ze. De myste onderkent dat hij Goden schept, waarom hij ze schept; hij is om zo te zeggen achter de natuurwetmatigheid van het godenscheppen gekomen.” (IV,66)

            Omdat wij het zelf zijn die met onze eigen krachten de mythische beelden genereren, wordt aan hen geen objectieve waarheid meer toegekend. De myste beleeft aanvankelijk hetzelfde. Alleen met zijn eigen innerlijke activiteit kan hij zich verbinden met de geestelijke wereld.  Maar juist vanuit dit bewustzijn van de activiteit wordt hij zich bewust van hun objectiviteit. Dat is in die tijd een directe belevenis. Inzien waarom dat zo is, kan men eigenlijk pas tegenwoordig op grond van de kenniswetenschap van Rudolf Steiner. “De in hem werkende krachten” zijn tegelijk de krachten van zijn eigen ziel,  zoals de krachten van de goddelijke wezensheden die de schouwplaats van deze ziel betreden. De reeks van de negen mythen is geen toevallige maar zegt in de vorm nog eenmaal wat de inhoud zeggen wil, c.q. wil de aandachtige lezer aansporen om de beelden in deze volgorde te ontwikkelen en in de ontwikkeling van deze beeldenreeks zichzelf te observeren wat voor een innerlijke observatiegang, wat voor een kennis-euritmie hij doormaakt in het kennen van deze beeldgebaren en in het overbrengen van een beeldgebaar naar de andere. Het hoofdstuk sluit met een betoog over de Eleusinische mysteriën.

            “Zoals de botanicus de plantengroei bespiedt om de wetmatigheden daarvan te vinden, zo wilde de myste de scheppende geest bespieden. Hij zocht een waarheid, een waarheidsgehalte daar waar het volk een mythe had geplaatst.” (IV,66)

            Hier bevindt zich weer een toespeling op de genetische methode, in de uitvoering waarvan men niet alleen dieper in de wereldverschijnselen binnendringt, maar ook door de uitvoering van zielsmatige bewegingen de ziel verstevigt om in zichzelf haar eigen wezen te vinden. Sallustius zegt dat de wereld in haar zijn en haar ontwikkeling de oergestalte van een mythe  heeft, namelijk de oergestalte van de openbaarmaking van het geheime, opdat een dieper geheim moge ontstaan. Hetzelfde oerbeeld van geheimvorming en openbaarmaking, dat het wereldmotief is, is ook het zielenmotief zegt Sallustius in deze opmerking.

             “Sallustius verraadt ons hoe een mystieke wijsgeer tegenover zo’n mythe stond: ‘Men zou de gehele wereld een mythe kunnen noemen, welke de lichamen en dingen op zichtbare wijze, de zielen op verborgen wijze in zich sluit. Zou aan iedereen de waarheid over goden worden geleerd, dan zouden de onverstandigen haar geringschatten, omdat zij haar niet begrijpen, en bekwamere lieden zouden haar slechts lichtvaardig opnemen; wordt de waarheid echter in de omhulling van een mythe gegeven, dan is zij gevrijwaard voor geringschatting en biedt zij een aanleiding om te filosoferen.’” (IV, 67)

            Daarmee is weer iets heel fundamenteels over de mythe en het daarin werkzame principe gezegd. Als men eenvoudig in herinneringsachtige herhaalbare voorstellingen uitlegt wat aan de mythe als ideeëngehalte ten grondslag ligt, zou dat zeer makkelijk geringschat kunnen worden.  De verhulling van de mythe, die echter onthuld wordt door eigen zielsontwikkeling, openbaart juist datgene wat bij haar wezen hoort, namelijk om de ziel in beweging te brengen.

            “Wanneer men de waarheidsgehalte van een mythe als myste zocht, dan was men zich ervan bewust dat men iets toevoegde aan datgene wat in het volksbewustzijn aanwezig was.”(IV, 67)

            Daar is weer het over de methode der kennisontwikkeling gezegde uitgesproken, de myste maakt zich van datgene bewust wat in de volksfantasie verregaand onbewust blijft. Dit verheffen van iets verregaand onbewust in het bewustzijn behoort bij de methode van de mythische ontwikkeling in de mysteriën.

            “Men wist dat men zich boven dit volksbewustzijn stelde zoals de botanicus zich stelt boven de groeiende plant.”

            U hoort altijd de liefdevolle, ironische ondertoon: Jullie huidige door het natuurwetenschappelijk bewustzijn gevormde mensen zijn eigenlijk de moderne mystici als jullie jezelf op de juiste manier zouden begrijpen, want het wezen van de natuurwetenschappelijke methode  is immers door een proces van bewustmaking dieper in de natuurverschijnselen binnen te dringen en hoger in het eigen zielenniveau op te stijgen.

            “De mens staat tegenover de zinnelijkheid, als tegenover een vijandig monster. Hij offert haar de vruchten van zijn persoonlijkheid. De zinnelijkheid verslindt ze. Zij doet het zolang tot in de mens de bevrijder (Theseus) ontwaakt.” (IV, 68)

            “Monster” is een toespeling op de Minotaurus-mythe. De mythische held Theseus is de ontwikkelaar  van Athene, waardoor eigenlijk in het bewustzijn van de Grieken de geschiedeis van de stad Athene en daarmee überhaupt de Griekse cultuur werd gegrondvest.

             “Zijn kennis spint hem de draad waardoor hij zich weer terecht vindt, wanneer hij zich in het doolhof van de zinnelijkheid begeeft om zijn vijand te doden. De myste kent dit mysterium. Er wordt daardoor op een kracht in de menselijke persoonlijkheid geduid. Het gewoonlijke bewustzijn is zich niet van deze kracht bewust. Maar die is echter toch daarin werkzaam. Zij brengt de mythe voort die dezelfde structuur heeft als de mystieke waarheid.  Deze waarheid komt in de mythe symbolisch tot uitdrukking.” (IV, 68)

            Daarmee is weer naar het principe van mythevorming verwezen waarvan in het hele hoofdstuk onder verschillende gezichtspunten sprake is;  dat een reëel proces in de ziel de vormkracht is die vanuit zichzelf beeldgedaanten produceert waardoor zich datgene uitdrukt  wat de ziel in zichzelf ervaart. De mythe is dus een levendige beeldvorming van de ziel uit oorspronkelijk vormkrachten, en niet in de zin van een allegorie of een symbool dat een zinnebeeld neerzet van iets wat reeds in de wereld voorhanden is. Dat is het belangrijke grondprincipe omwille van het begrip waarvan we ons de moeite moeten troosten.  De mythe is het voortkomen van een beeldgestalte en beeldenreeks uit reële zielsinnerlijke drijfveren en niet het toevoegen van een beeld voor iets dat al in de uiterlijke wereld voorhanden is, zoals de rationalistische mytheduiding beweert die Plato reeds afgewezen heeft.

            De Boreas-mythe (zie IV, 69) voert Plato juist tot afwijzing van een allegoriserend rationalistische mytheduiding, volgens welke de roof van de nymf slechts als fantasievol mooi beeld voor een uiterlijk voorval aangezien wordt: dat iemand door een heftige windstoot in een afgrond gestort zou zijn. Dat zou alleen een fantasievol beeld voor iets neergezet zijn wat reeds in de buitenwereld is.  Juist dat is niet het wezen van de mythevorming, maar dat innerlijke ziele-geestelijke krachten ernaar verlangen om een zintuigelijke gestalte te verkrijgen, omdat de ontwikkeling van de ziel van dit doordringen van de zinnelijkheid en zich wederom losmaken van de doordrongen zinnelijkheid afhangt. Wat in de mythe in het afzonderlijk beeld wordt weergegeven is slechts de variatie op het grondthema van de doordringing van het zintuigelijke door iets ziele-geestelijks heen, c.q. het openbaren van het ziele-geestelijke in het zintuigelijke en het wederom teruggrijpen uit dit zich openbaren. De oermythe , de mythe aller mythen is het mysterium van de menselijke kennis. Dit is in de overwinning van de zinnelijkheid uitgesproken.  De overwinning maar gelijktijdig de noodzakelijkheid van de zinnelijkheid wordt in de mythen in steeds nieuwe beelden uitgesproken.  Wat als eenheid gevend principe van deze beelden doorheen loopt is de merkwaardige overeenstemming van de geestelijke doordringing van buiten en binnen.


[1] Er is hier geen verklarende voetnoot in de Duitse uitgave. Herbert Witzenmann heeft de Logos van de taal, die hij de “Egomorfose van de taal noemt”,  verder uitgewerkt in een verhandeling onder de titel “Die Egomorphose der Sprache” in zijn essaybundel Intuition und Beobachtung , deel II en in zijn boek Die Egomorphose der Sprache – Grundzüge einer neuen Sprachmorphologie. Daarin noemt hij die twee polariteiten die in elke zin als uitdrukking van het menselijk Ik in verschillende mate voorhanden zijn Fassung (vatting)  en Haltung (houding).  Eerstgenoemde is verbonden met het objectief waarneembare, laatstgenoemde met het subjectief voortgebrachte maar niet minder objectief begripsmatige.

woensdag 13 oktober 2021

XIII - Wat zich in de gemeenschapsvorming op aarde voltrekt is het nieuwe mysteriewezen, het ontstaan van het nieuwe Jerusalem, het ontstaan van een nieuwe aarde.


Bij IV: De weg gaat naar het kruis in de dood en door de dood heen, dus uit het kosmische in het individuele.

Bij III: Astraal gezichtspunt: De zich in zijn ziel als individuele wezenheid belevende mens begrijpt zich pas dan in zijn ware wezen, wanneer in zijn ziel het Ik begint te stralen als de weg naar het goddelijke.  Het komt alleen erop neer  dat men deze dingen niet alleen merkt – dan blijven het literaire interessantheden  - maar in het innerlijke navoltrekken van de ziel de bewegingen uitvoert die daardoor aangespoord dienen te worden. Daarbij kan men van begin af aan erop letten welke innerlijke zielsmatige bewegingsrichtingen op elke trede aangespoord worden.  Wanneer men in het zielsmatig verrichten de uitspraak nagaat: “Mijn ware naam is een bloesem aan deze eeuwige kosmische levensboom”, neemt men in de ziel de richting naar het kosmische, men ademt in het kosmische uit. (1).

            Bij II gaat het omgekeerd erom dat de macrokosmos in de microkosmos beleefd wordt. Wanneer het ware Ik als de weg naar het goddelijke wordt beleefd, is de richtingsdynamiek weer van het individuele naar het universele gericht.

            Bij IV: De weg gaat naar het kruis en in de dood en door de dood heen, dus van het kosmische in het individuele. De beweging die door het hele hoofdstuk doorloopt wordt bij IV in zekere mate ingeademd en straalt nog eenmaal uit en wel weer in zeven treden.

            Bij V: De blik van de zalig-prijzenden is op het lichaam gericht, de fysieke grondslag waardoor zich het inwijdingsgebeuren begeven kan. Maar de hoge individualiteit spreekt: Mijn Zelf kan niet uit de fysiek-lichamelijke stroming begrepen worden, maar doordat het, zich boven dit natuurlijke uit omhoog heffend, uit het geestelijke vandaan zijn zelf geeft; zalig, d.w.z. een waar geestzelf zijn alleen diegenen die hun zelfbeleven niet op het fysiek-lichamelijk moeten steunen, maar die het Woord Gods horen en bewaren, die dus, het geestelijke in zichzelf belevend en in zichzelf bewarend  tot een geestzelf worden.  Een waar geestzelf is een mens doordat en in zover als de geestelijke wereld in hem gestalte krijgt. Dat is wederom het gezichtspunt van het geestelijke naarbinnen in het individuele.

            Bij VI: Verzoeking: En nog op deze hoge trede van de inwijding gaat het om een fundamentele beslissing voor de ingewijde: of hij de vormen van zijn geestesleven zo organiseren wil dat hij in dit leven in de geest voor zichzelf afstand neemt van een verheffing van zijn eigen beleven in enge, op zichzelf betrokken zin. Hier gaat het er weer om de juiste aanblik op het geestelijke te vinden.

            Bij VII: De verheerlijking van het doorlicht lichaam, de Boeddhistische Cintámani, is de geestmens. Hier moeten we toch iets preciezer op de verschillen letten die Boeddha en Christus in een beduidende afstand plaatsen. Boeddha transformeert het lichaam, maar alleen om zich in het bovenaardse op te lossen, niet om een nieuwe trede van het individuele zijn te bereiken. Hij geeft daar uitdrukking aan indien hij zegt:  “Niets is langdurend”, al het aardse lost zich uiteindelijk in het bovenaards-geestelijke op. In de scene van het Mattheusevangelie (Math. 17) wordt duidelijk dat het daar niet een in de eenzaamheid van het Boeddhaleven met alleen een discipel als getuige, zich voltrekkende transformatie is, want  Christus neemt Petrus, Jakob en Johannes met zich mee. Het is iets wat zich met het oog op iets aards, niet om het afleggen van het aardse voltrekt. Christus heeft niet gezegd: “Niets is langdurend.” Door het feit van de verheerlijking brengt Hij eigenlijk tot uitdrukking: “Alles is eeuwig” omdat reeds door de zich voorbereidende  opstanding, in de glans van de Citámani het verwerven van de individuele sterfelijkheid aankondigt, waarin het hele wereldproces überhaupt pas volbracht wordt.  Het licht dat over deze verheerlijkingsscene ligt, drukt niet uit: Alles is vergankelijk, maar alles is eeuwig. Derhalve is het verheerlijkte lichaam, dus de geestmens van Christus Jezus reeds op deze trede van de inwijding iets anders dan het verheerlijkte Boeddhalichaam. Niet overgang  naar het universeel geestelijke, maar begin van het belangrijkste deel in het leven van Jezus: lijden, sterven, opstanding. In de inwijding van Jezus is het verheerlijkte lichaam reeds de mensengemeenschap. Dat is niet een belevenis die boven het individuele uit in het  bovenindividuele, maar juist de vergeestelijking van het aardse zijn licht doet inschijnen.

            Bij V: Hier staan wij weer op de trede van het geestzelf, maar in een andere ontwikkelingsvolgorde. Deze alinea drukt iets heel soortgelijks uit als de derde. Wanneer men die niet precies genoeg leest, zou men die bijna als een herhaling beschouwen, want in beide is daarvan sprake dat de levensloop van een grote ingewijde van typische aard is.  Het hele hoofdstuk is als een spiegelbeeld opgebouwd; het spiegelvlak is de vierde alinea. Derhalve komt het vijfde spiegelbeeld overeen met het derde. Daarom de soortgelijkheid van de inhoud. Maar de inhoud is toch niet hetzelfde. In de derde alinea, waar wij gezegd hebben: “Het ware Ik is de weg naar het goddelijke en doorloopt daarmee een typische reeks treden van het initiale leven”, hadden we het gezichtspunt van de transsubstantiatie van het individuele in het bovenindividuele. Hier is echter iets anders gezegd en een vraag beantwoordt die ons de derde in het nauw moest brengen: Als deze grote levensloop van typische aard is, drukt deze dan niet de betekenisloosheid  van het individuele uit – als de inwijding in het inleven in het bovenindividuele bestaat? “Het Woord werd vlees”, d.w.z. doordat een grote individualiteit zich in het individuele inleeft, ontstaat voor dit bovenindividuele zelf, dat zich in de individualiteit neerdalend belichaamd, een nieuwe mogelijkheid om  zich te openbaren. Dus

            III. Transformatie van het individuele in het bovenindividuele (transsubstantiatie),

            V: Incarnatie van het bovenindividuele, de kosmische Logos, in het individuele. Johannes 1:14 “En het Woord werd vlees. ”De weg van de mensheidsrepresentant is in mijn wezen getekend.”

            VI: Het beleven van een ingewijde en zijn verheffing in het bovenpersoonlijke wordt voor de Logos zelf tot iets van beslissende betekenis. Hij individualiseert Zich op een wijze zoals die voor het mysterium van Golgotha niet mogelijk was: hij neemt de individuele van de mensen die zich met Hem verbinden in zijn Eigen wezen op, wat alleen kon gebeuren doordat Hij door de dood gaat. Daarvan spreekt juist deze alinea, die over de grote inwijding gaat, die de levensgeest van de grote ingewijde pas op een waarachtige wijze ontwikkelt.  De meditatieve uitspraak: “In Jezus is het Woord vlees geworden en door de dood gegaan om zich als de Herrezene aan Zijn Gemeente te onthullen”. Het is geen belevenis die de ingewijde uit de aardewereld uithaalt, maar in tegendeel tot het Ik-achtig wezen van een nieuw verheerlijkte aarde maakt. Wat dat betekent wort definitief pas in

            VII: gezegd. In de mysteriën werden uitgekozen enkelingen naar een belevenis van de geestelijke wereld en naar de transformatie van hun wezen geleid . Uit de verborgenheid  van het mysteriegebeuren stroomden de impulsen die gemeente- en cultuurvormend werden. Het nieuwe is: Doordat de Logos door de dood gaat en de individuele onsterfelijkheid van de in Zijn wezen opgenomen mensen grondvest, is het mysteriegebeuren niet meer het gevolg van de gemeenschapsvorming, maar omgekeerd wordt de gemeenschapsvorming zelf tot mysteriegebeuren, aanvankelijk in de geloofsgemeente, later in de voortzetting en voortontwikkeling van de geloofs- in de kennisgemeenschap.  In de kennisgemeenschap is juist de gevorderde vorm overstraalt door het beslissend christelijke, dat de gemeenschapsvorming het moderne mysteriegebeuren is. Alleen vanuit dit openbaar geheim is het wezen van de Hogeschool te begrijpen als Hogeschool van de geest.

            “Voortaan kon hetgeen voorheen slechts via de mystieke methoden was te bereiken, ten dele worden vervangen door de overtuiging dat in het Woord dat op aarde aanwezig is geweest, het goddelijke is gegeven. Niet datgene waartoe de geest van ieder enkeling lang moest worden voorbereid was voortaan alleen beslissend maar dat wat diegene die om Jezus heen  hebben gehoord en gezien; en dat wat door he is overgeleverd. ‘Hetgeen was van den beginne, hetgeen wij gehoord hebben […] onze handen getast hebben van het Woord des levens  […] hetgeen wij gezien e gehoord hebben, verkondigen wij ook u, opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben.’(Zie Joh. 1 en 3) Zo staat het in de eerste brief van Johannes. Deze onmiddellijke werkelijkheid moet als een levende band alle generaties omvatten; deze band moet als kerk van geslacht tot geslacht  zich mystiek verder strengelen. Aldus moet men de woorden van Augustinus verstaan: ‘Ik zou het evangelie niet geloven, indien de autoriteit van de Katholieke Kerk mij niet daartoe zou bewegen.’”

            Daarmee is niet de autoriteit van een of andere machtsclaim bedoeld, het beveel dat het geweten verplicht te geloven, maar de autoriteit is de autoriteit van het feit dat in de gemeenschap der gelovigen het moderne mysteriefeit voorligt en in deze gemeenschap der gelovigen als Zijn etherlichaam de Logos leeft. –

            “Niet in de evangeliën zelf dus ligt een erkenningsteken voor hun waarheid,  maar men moet hen geloven, omdat zij gegrondvest zijn op de persoonlijkheid van Jezus en omdat de kerk op geheimzinnige wijze aan deze persoonlijkheid de macht ontleent de evangeliën als waarheid op te voeren.”(V, 93), omdat de ware kerk het bovenzinnelijk lichaam van Christus is. Dat is de ware autoriteit van de kerk die echter nooit verondersteld kan worden, maar zich steeds in de gemeentebeleving, in het gemeentegebeuren begeven moet.

            “De mysteriën hebben door traditie de middelen overgeleverd om tot waarheid te komen, de Christengemeenschap plant deze waarheid zelf voort. (V,93)

            Zij bevat dus niet in zichzelf  de middelen om tot de waarheid te komen, maar haar  reëel bewijs van de waarheid is dat de Logos in haar leeft.

            “Bij het vertrouwen in de mystieke krachten die bij de inwijding in het innerlijk van de mens oplichten, moest het vertrouwen komen in de Ene, in de oer-initiator.  De mystici hebben vergoddelijking gezocht; zij wilden die beleven. Jezus was vergoddelijkt; men moest zich aan Hem houden, dan heeft men binnen de door Hem gestichte gemeenschap zelf deel aan de vergoddelijking: dat werd de christelijke overtuiging. Wat in Jezus vergoddelijkt was, is vergoddelijkt voor heel zijn gemeenschap. ‘En zie, Ik ben met U al de dagen tot aan de voleinding  der wereld.’(Mt. 28:20) Hij die in Bethlehem is geboren is eeuwig. De Kerstantifoon kan over de geboorte van Jezus spreken, als geschiedde deze op elk Kerstfeest: ‘Heden is Christus geboren, heden is de Verlosser verschenen, heden zingen alle engelen op aarde.” (V, 93) 

            Want het kerstmisfeit kan zich individueel op elk moment in elke ziel begeven. De etherische Christus neemt op eigentijdse wijze aan het ware gemeenschapsleven deel.

            De 7de alinea, de geestmenselijke trede spreekt van de samenhang van de openbaring van het mysterie van Golgotha en de gemeenschapsvorming. De meditatieve uitspraak daarvoor is: “Ik ben met U alle dagen tot aan de voleinding van de wereld.” Want datgene wat zich in de gemeenschapsvorming op aarde voltrekt is  het nieuwe mysteriewezen, het ontstaan van het nieuwe Jerusalem, het ontstaan van een nieuwe aarde.

            Het eerste kruis is het wereldkruis. Het tweede kruis is de weg naar het kruis. Het derde kruis spreekt van de weg naar de opstanding.  

  

(De eerste versie van deze werkvertaling werd voltooid om 23.00 uur op 3 september 2021.)

AANKONDIGING REEKS LEZINGEN EN GESPREKSRONDEN OVER HET CHRISTENDOM ALS MYSTIEK FEIT EN DE MYSTERIËN DER OUDHEID

Tijdens het ochtendgedeelte van de ledenvergadering van de AViN op 29 september in Driebergen/Zeist werd de 13-delige inleiding van Herbert ...