donderdag 14 oktober 2021

III. “In de kennisgemeenschap, die door de antroposofie onder mensen mogelijk wordt, ligt de bewustmaking van wat er aan het begin van onze jaartelling gebeurde.”


De initianten van de voorchristelijke tijd zochten het goddelijke in hun ziel door innerlijke transformatie te herwinnen en zich met het verloren Eeuwig-ene te verenigen.  De bewustzijnstoestand van deze vereniging is niet in die zin een individuele, zoals die door het christendom mogelijk wordt. Bij deze retrotransformatie in het eeuwige in de ziel worden wel de opbrengsten van de individuele persoonlijkheid in dit eeuwige naarbinnen gedragen, maar zij beleeft zich toch alleen vanuit het eeuwige en niet vanuit datgene wat zij op haar aardse weg in de vereenzaming doormaakt. Dat wordt nu juist gewist.

            Wat in de voorchristelijke tijd als later te vervullende aanleg, alleen als mogelijkheid aangelegd werd, dat wordt pas in de christelijke tijd de eigenlijke drager van de zielsontwikkeling. Het beduidende onderscheid ligt daarin dat met de stichting van het christendom voor de zielsontwikkeling niet de permanente transformatie doorslaggevend is, maar de nieuwe individuele onsterfelijkheidsbelevenis. Het tragische is dat het nieuwe individuele onsterfelijkheidsbelevenis, dat met de stichting van het christendom mogelijk werd, pas vanaf de 15de eeuw eigenlijk tot zijn recht komt en alleen intrekken kan doordat zij het eeuwig-goddelijke, dat zij voorheen in zich gedragen heeft, nu vergeven moet. De voorchristelijke inwijdingswegen waren alleen mogelijk doordat de ziel het goddelijke als in haar inwonend wist; zij had het alleen voor zich verborgen door haar onvolkomenheden. Hoe meer ze deze opruimde, hoe meer ze zichzelf werd. Nu echter werd met de stichting van het christendom dit eeuwige als onverliesbaar bezit eigenlijk van de ziel ontrukt, treedt uit op het plan van de wereldgeschiedenis en trekt in bij een menselijk lichaam, in het lichaam van Jezus van Nazareth. Daarmee blijft voor de ziel nog meer een ding: deze impuls van vereenzaming, ze is alleen gebleven met haar innerlijkste zielenbehoeften, daar haar kostbaarste bezit naarbuiten ontrukt is.  Een omdat haar innerlijkste behoefte tot vervulling in datgene komt dat ze gelovig nastreeft als een in de openbaarheid van de wereldgeschiedenis getreden wezenheid, beleeft ze de individuele onsterfelijkheid.

            Deze geloofskracht, waarin de ziel zich individueel onsterfelijk beleeft als een eenmalig, in zichzelf gecontoureerd wezen en niet als het wezen dat zich herenigen kan met het oer- en al-goddelijke, maar in zijn eenmaligheid en eenzaamheid bij zijn doorgang door het aardse tranendal, deze gelovige kracht is tegelijk de kracht van gemeenschapsvorming. Het nieuwe individuele en het nieuwe gemeenschapsvormende horen samen. De geloofskrachten kunnen samen streven in het geloven in het ene voortreffende wezen waarin ze pas de vervulling vinden in datgene wat deze individuele geloofskracht voor ogen heeft. Uit de individuele kracht van het onsterfelijkheidsbewustzijn ontstaat een nieuwe inwijdingservaring, maar juist een zodanige die niet de enkeling op een zielenweg van transformatie maakt, maar die de vergevende gemeenschap kan hebben in het samenstromen van geloofskrachten, waardoor de vervulling van haar wezen aanwezig kan worden. Van wat zich daar voordoet als grootse nieuwigheid, als nieuwe individualisering en gemeenschapsvorming tegelijk, zijn zich de toenmalige mensen in de innigheid van de belevenis weliswaar bewust, maar ze kunnen zich geen bewuste rekenschap geven over de betekenis en samenhang van de vervulling van die belevenis. De interpretatie, het bewuste doorzien van datgene wat zich in de geloofsgemeenschap voordoet, is in de moderne kennisgemeenschap gegeven.

            In de kennisgemeenschap, die door de antroposofie onder mensen mogelijk wordt, ligt de bewustmaking van wat er in het begin van onze jaartelling gebeurde.

            Dit nieuwe gemeenschapsbelevenis berust op de ontdekking en ontsluiting van geheel nieuwe bewustzijnsvelden.  De kenniswetenschap van Rudolf Steiner maakt de bewustzijnsafloop die zich bij het kennen afspeelt, voor het eerst volledig transparant. Wij kunnen geen stap doen, geen hand naar een onderwerp bewegen zonder alles datgene wat ons in de zintuigelijke wereld omgeeft steeds met structuurvormende en samenhang tot stand brengende ordeningselementen te doordringen. Wij maken die voor ons door geestelijke activiteit beschikbaar uit een geheel van ideële ordeningselementen waarmee wij voortdurend door zelfwerkzaam deelnemen in verbinding staan. Alleen is dit zelfwerkzame meebeleven van dit geestelijke in het gewone bewustzijn iets wat gedroomd is.  Het ordening scheppende element dromen we in de zintuigelijke wereld naarbinnen.  Wat we slechts met de zintuigen waarnemen, tasten, horen etc. is aanvankelijk zonder structuur en ordening, dus geen volle werkelijkheid. In dit nog ongeordende kan van kleuren, vormen etc. niet gesproeken worden: deze worden door ons niet gezien, getast etc., maar gedacht! Pas door de ideële ordeningselementen van het denken krijgt de zintuigelijke wereld structuur en werkelijke objectiviteit.

            De in de werkelijkheid liggende ordeningen stromen daardoor in dat we met het ideële ordenings-gehalte van de wereld ons door eigen dromend volbrachte activiteit verbinden. Wat onder deze droom in “zuivere waarneming” ligt is volledig ongeordend en ongecontureerd, blijft in diepe slaap en wordt pas daardoor helder dat we door ons denkactiviteit samenhangen en betrekkingen, relaties toevoegen die we voor een groot deel in de zintuigelijke wereld slechts naarbinnen dromen.  Wakkerbewust zijn dan de conglomeraten uit diepe slaap en dromen die we dingen en voorwerpen noemen.  Rudolf Steiner heeft voor het eerst de mogelijk aangetoond om het ontstaan van dit wonderbaarlijke  weefsel van diepe slaap, droom en waken volbewust te observeren.  Te zien dat we met het denken, dat het samenhangvormende in de wereld is, niet door passieve ontvangst maar door innerlijke activiteit verbonden zijn, is een van de geweldigste observaties die we kunnen maken. Het is onze innerlijkste bron van activiteit, waardoor we tot de gedachten komen, maar niet tot de gedachtenverbindingen.  Want wanneer we de begrippen en ideeën uit onze activiteit denken, schommelen we ons met innerlijkste activiteit steeds in een rijk naarbinnen dat op eigen wetten is gegrond. We kunnen het doen, ja moeten het doen, kunnen echter de wetten niet veranderen.  Wanneer we “geheel” en “deel” denken, dan ordenen zich deze begrippen zelf volgens de hen toekomende samenhang, zodat we juist niet zouden denken als we zegden: het deel is groter dan het geheel; dan zouden het  slechts “woordklanken” zijn. Wanneer we echter de begrippen  “geheel” en “deel” werkelijk denken, dan zien we hoe ze zich volgens de hen inwonende logische relatie ordenen. Maar tot dit perspectief komen we alleen daardoor dat we zien: we zijn met hen door onze activiteit verbonden; alleen wanneer we ze actief doordringen, staan we in het licht en de helderheid die hen eigen is, zodat ze zich onaanraakbaar door onze willekeur met elkaar verbinden.

            Wij verbinden begrippen op grond van ons inzicht in hun eigen onwankelbare wetten, doen dit dus nooit dwangmatig. Men spreekt uiteraard van “dwingende logica”, maar we zijn toch met ons eigenste wezen met datgene wat in het denken voor ons verschijnt, door onze intensiefste activiteit verbonden. Met de innerlijkste kern van ons wezen zijn wij met een eeuwige ordeningswereld verbonden, en dat is juist zo, omdat die op haar eigen wetten opgebouwd is, hoewel ze alleen voor onze eigenste individuele activiteit toegankelijk is. Deze wereld, waarvan wij  ons aanvankelijk in de vorm van begrippen en ideeën bewust worden, is niet verschillend in de verschillende koppen, maar heeft haar wezen in zichzelf als het ware boven de koppen. Natuurlijk bestaan er verschillende provincies van dit reusachtig rijk die voor de enkelingen min of meer toegankelijk zijn, maar een grondstroom  van de samenhang en de hemelse ordening doordringt toch alle sectoren die voor alle aparte provincies gelijk is. Ook deze staan op zich in een intieme samenhang die bij de ideële hemel van het geestelijk hoort. In onze innerlijkste, individuele activiteitsvermogen horen wij bij dit op zichzelf gebouwd eeuwig ordeningsrijk. Wat in ons bij dit eeuwigheidsrijk hoort, dat zijn wij.

            Wanneer wij de aan ons getoonde weg van innerlijke observatie betreden, maakt men de wonderbaarlijke in de denkbelevenis mogelijke ervaring dat men tot zichzelf zegt: Wat in individueelste activiteit met dit eeuwigheidsrijk verbonden is, dat ben ik. Dit innerlijkste actieve komt natuurlijk in ons pas tot uiting , indien wij alles in ons overwinnen en terugdringen wat ons van de vereniging met dit eeuwigheidsrijk wil  verdringen. Terugdringen moeten we onze lichamelijk organisme,  die ons door de zintuigen alleen samenhangsloze, incoherente snippers van een ongeordende waarnemingswereld ter beschikking stelt. We hebben de kracht voor deze terugdringing, omdat we altijd door individueel beleven binnen in het universele  van het eeuwig geestelijke kunnen staan. Dat is de moderne metamorfose van de christelijke geloofsgemeenschap. Daarin leefde ook de individuele onsterfelijkheidskracht. Deze keek op naar de geopenbaarde Logos, de tot individualiteit geworden wereldwijsheid en werldgeestelijkheid. De overtuiging en onderbouwing, dat wij door ons innerlijkst individueel wezen met een universeel, ons ver overtreffend wezen verbonden zijn, kan men pas op de weg van de innerlijke zielenobservatie verkrijgen.

            Deze belevenis dat ik met mijn individueelste kracht bij een universeel wezen behoor, verschaft mij tegelijk het bewustzijn dat een wezen te zijn niet betekent daarin afgesloten en van andere wezen gescheiden te zijn, zoals men dat over het algemeen gelooft, inden men het begrip wezen van het beleven van het zenuw- en zintuigstelsel neemt: Daar is een wezen dat door zijn lichaamsmuur afgesloten is; dat is een wezen dat de grondslag van zijn wezenlijkheid nog niet uit zichzelf in uitwisseling en verenigingsproces met het universele schept. De eigenlijke wezensvervulling is juist de uitwisseling en niet de afsluiting. Deze wisselingsvaardigheid is het tweede dat ik op het pad van zielenobservatie beleef. Het eerste: dat wij in onze innerlijkste individueelste kracht bij een eeuwig op zichzelf gebouwd wezen behoren en daardoor een zekerheid van de onsterfelijkheidsvonk hebben die in onze wezenheid fonkelt; het omvangen-zijn van het universele.  Het derde: De uitwisseling treedt eigenlijk in twee fasen, twee metamorfosen op. Er is een grote en een kleine wezenswisseling. De grote speelt zich daardoor af dat de innerlijkste onsterfelijkheidskracht zich met de universele kracht uitwisselt. Maar in deze uitwisseling is juist als het wezen van onze wezenheid het uitwisselingsvermogen  als zodanig aangelegd, want overal waar dit wezen uit dit universeel iets scheppend, zich naarbinnen in de wereld plaatst en iets geestelijks in de zintuigelijke wereld naarbinnen draagt, daar draagt het iets geestelijks naarbinnen in de zintuigelijke wereld met dit uitwisselingsvermogen waarmee het oorspronkelijk toegang tot dit geestelijke vond. 

            Wanneer we een nog zo eenvoudig of complex ding in de buitenwereld begrijpen, begrijpen we het daardoor dat we van het geestelijke dat daarin ligt min of meer volkomen duidelijk bewust worden.  Wij ontwikkelen dan in ons, wat daarin als geestelijke scheppingskracht buiten ons ligt, ook wanneer we slecht inzien dat een cirkel een lijn is die vanaf een middelpunt overal dezelfde afstand heeft. Dat zeggen ons niet onze ogen; geen oog kan zien dat overal de afstand hetzelfde is; want “afstand” is een ruimtelijke relatie; men kan die niet zien maar alleen denken.  Wanneer we zoiets met het denken inzien, in ons geestelijk ontwaren, dan vinden we het aan het wezen van de buitenwereld, waarop het past, weer en verenigen ons daardoor  met datgene wat in het wezen van de zintuigelijke wereld sluimert, maar door diens eigen mond niet uitgesproken kan worden. Dat moet door de mond van onze kennis gebeuren.

            Het “creatuur zucht” ernaar om van zijn wezen zodanig bewust te worden dat het in ons spreken kan. Het uitspreken gebeurt door de mond van de mens. Diens kennis lost “het zuchten van het creatuur” in het klankrijke woord op. Dat is de derde ervaring op het innerlijke pad van de zielsontwikkeling in zielsmatige zelfobservatie: Verbinding van ons onsterfelijkheidskracht met de universaliteit van het geestelijke, dat is de grote belevenis van de uitwisseling en daarin ingesloten de vaardigheid van de wezenswisseling met alle andere wezens en vooral met onze medemensen. Dus wederom de ervaring van iets aller-individueels en de ervaring van iets gemeenschappelijks, namelijk  van het universele, waarmee dit individuele intiem verbonden is vanaf het begin, maar ook de ervaring van de uitwisseling met alle andere wezens die in zekere mate onder de hoede van het universele leven.

            In zekere mate met de blik van onze onsterfelijkheidskracht, die onze innerlijkste activiteitsvermogen is, kijken we naar de wezenshorizonnen of wezensvormende gemeenschappen: naar een overtreffend universele, waarin alle samenkomen, en naar een kleine gemeenschapsgestalte, waarin de grotere en kleinere gemeenschappen door het gebruik van gemeenschappelijke kennisvormen samenkomen. Deze kleine is door de universele gemeenschapsgestalte overtroffen en overstraalt.  Juist hier wil ik nog eenmaal bij iets aansluiten wat in de tweede lezing beschouwd werd.

            “’Schrijf aan de engel van de gemeenschap te Efeze: Dit schrijft degene die de zeven sterren in zijn rechterhand houdt die tussen de zeven gouden kandelaren wandelt. Ik ken uw daden en wat gij verdragen heeft, en ook uw volharding, en dat gij de kwaden niet wil steunen, en dat gij ter verantwoording geroepen heeft degenen die zich apostelen noemen en het niet zijn en dat gij ze als onecht gekend heeft. En gij heeft volharding en gij heeft uw werk op Mijn naam gebouwd, en gij zijt niet daarbij verlamd.  Maar Ik verlang van u dat u tot uw voortreffelijkste liefde komt. Gedenk waarvan gij afgevallen zijt, bekeer u en verricht de voortreffelijkste daden. Maar zo niet, dan kom Ik en zal uw licht wegnemen tenzij u zich bekeert. Doch dit hebt gij, dat gij de werken der Nicolaiëten veracht, welke Ik ook veracht. Wie oren heeft die moge horen wat de Geest tot de gemeenschappen zegt: aan de overwinnar zal Ik te eten geven van de Boom des levens die in het paradijs Gods is.’” (VIII, 112)

            Daar wordt een onderscheid gemaakt tussen de gemeenschap en “de Geest” die zich tot de vele gemeenschappen, vele engelen wendt.

            “Dit is de boodschap die aan de engel van de eerste gemeenschap gericht is. De engel, welke men zich als de gemeenschapsgeest heeft voor te stellen, is op de weg die in het christendom voorgetekend is.”(VIII, 112)

            Dus de Geest, d.w.z. de grote aantal van geesten van de gemeenschap. De mensen sluiten zich in de kleinere gemeenschapsgeestelijkheid telkens aaneen, daar werkt het uitwisselingsvermogen  dat het wezen van kennis is. Maar dit uitwisselingsvermogen vindt  pas zijn vervulling in dat grote doel waarin de kleinere voorgevormde gemeenschappen samenkomen bij de gemeenschap met de Geest, de Mensengeest. Kleinere gemeenschappen zijn op weg naar de grote.

            “Hij vermag de valse belijders van het christendom van de ware te onderscheiden. Hij wil christelijk zijn; en hij heeft zijn werk op de naam van Christus gestoeld. Maar er wordt van hem verlangd dat hij zich door generlei dwaling de weg tot de voortreffelijkste liefde laat versperren.’’(VIII,112)

            Dus de uitwisselingsvermogens, waardoor zich de enkelingen destijds door hun kracht van het geloof maar nu in onze tijd door hun kenvermogen met andere mensen verenigen, worden dus gevoed in hun sociale scheppingskracht dat de mens beleeft wanneer hij ervaart hoe zijn onsterfelijk wezen in het universele gegrond is. Hoewel de kleinere gemeenschappen op weg naar de gemeenschap zijn, kunnen ze hun wezen vergeten en daarmee voor hun eigen engel gevaarlijk worden, wanneer ze van de “voortreffelijkste liefde” afvallen die wil dat het individuele in een universeel wezen vervuld moge worden.

            “In de rechterhand van Hem die op de troon zat, bevindt zich het boek waarin de weg naar de hoogste waarheid is weergegeven (Op. 5:1). Slechts één is waardig het boek te openen: ‘[…] zie, de leeuw uit de stam van Judea, de wortel Davids, heeft overwonnen om de  boekrol en haar zeven zegels te openen.’(Op. 5:5) Zeven zegels heeft het boek. Zevenvoudig is de wijsheid van de mens.  Dat deze als zevenvoudig wordt gekenmerkt, hangt weer samen met de heiligheid van het getal zeven. Als zegel kenmerkt de mystieke wijsheid van Philo  de eeuwige wereldgedachten  die in de dingen zich tot uitdrukking brengen. Mensenwijsheid zoekt deze scheppingsgedanken.  Maar pas in het boek dat daarmee is verzegeld staat de goddelijke waarheid. Eerst moeten de grondgedachten van de schepping worden onthuld en de zegels gebroken, dan wordt openbaar wat in het boek staat. Jezus, de leeuw, vermag de zegels te verbreken. Hij heeft de scheppings-gedachten een richting gegeven die door hen heen tot wijsheid voert.” (VIII, 116).

            Het nieuwe idee van het boek in de zin van het christendom, dat er voorheen nog niet was, is de inslag, de intekening van de wereldrede in een individueel bewustzijn.  He boek is iets wat voor de ogen van de openbaarheid ligt. Maar deze openbaarmaking, de zin van deze vlees- en stofwording ligt in de mogelijkheid van de geloofs- en later kennisgemeenschappen. Door de openbaring is de mogelijkheid van de kennisgemeenschap gegeven en alleen als de uitdrukking van deze nieuwe openbaring heeft het boek een zin. Derhalve kan de Logos Jezus Christus als het boek aanspreken, omdat Hij de openbaarmaking van de wereldrede is ten behoeve van een nieuwe gemeenschapsvorming.  Het boek is in wezen de Logos als de geopenbaarde en geïndividualiseerde wereldrede, als bron van een nieuwe gemeenschapsvorming. Alleen in samenhang met de gemeenschapsvorming heeft het boek überhaupt een zin. 

            Op een grandioze wijze wordt het idee van het boek van de openbaarmaking met de vorming van een nieuwe gemeenschap en een inwijding in een gemeenschapsgebeuren verbonden. Ook de vleeswording van Christus is immers een openbaarmaking. De onderliggende zin ervan is om de mens een mogelijkheid van een nieuw individueel onsterfelijkheidsbewustzijn te geven en daarmee een nieuw gemeenschapsbewustzijn en het boek (Christus Jezus) is de inhoud van het nieuwe gemeenschapsbewustzijn, en alleen in de vorming van dit gemeenschapsbewustzijn met Hem kan het leven.

            “Als we in de inwijdingstempel zouden kunnen kijken, waarin de mensen aan de Osiris-metamorfose werden onderworpen, dan zouden we zien dat de gebeurtenissen microkosmisch de wording van de wereld weergeven. De van de “vader” afstammende mens diende in zichzelf de “zoon” te baren. Wat hij in werkelijkheid in zich draagt, de betoverde God, diende in hem openbaar te worden.” (V, 86)

            Wederom is van een openbaarmaking sprake, die uiteraard in de tijd van het oude Egypte slechts aangelegd werd, in potentie aanwezig was, en waarvan de inhoud pas openbaar werd met de stichting van het christendom en daar ook alleen in de geloofsgemeenschap beleefd werd, maar niet begrepen kon worden. Vandaag de dag echter kan de zin van deze openbaarmaking begrepen worden.

            “En nadat getoond is hoe alles wat te zeer aan het vergankelijke hangt om tot het waarachtige christendom te komen de dood heeft gevonden, verschijnt de sterke engel met het geopend boekje en geeft het aan Johannes: ‘En hij zeide tot mij: Neem het en verslind het, en het zal bitter worden in de maag, maar in uw mond zal het zoet zijn als honing.’” (Op. 10:9) (VIII, 119)

            Wat in ons van de voortreffelijkste liefde wil afvallen, dat ondervindt het boek, de Logoswording van de wereldrede als “bitter”.  Wanner we ons echter op de weg begaan van de voortreffelijkste liefde, beleven we de zoetigheid . Zoet is datgene wat in onze individualiteit zich verenigt met het grote overtreffende gemeenschapswezen. Onsterfelijk bewustzijn en groot gemeenschapsbewustzijn staan onder het overtreffende licht van saamhorigheid  van de kleinere gemeenschappen. Ze dreigen van de voortreffelijkste liefde af te vallen. Vallen ze niet af, dan krijgen ze de ware relatie tot de openbaarmaking. Die heeft alleen zin als uitdrukking van de vereniging van onsterfelijkheidsbewustzijn en gemeenschapsbewustzijn.  Afgelost van dit mysterieproces hebben ze geen zin en geen geest.   


IV. “Met de Kerstbijeenkomst, die gekenmerkt kan worden als een metamorfose van de oerchristelijke geloofsgemeenschap, hangt de onbeperkte openbaarmaking van het geestesgoed samen dat Rudolf Steiner aan de leden heeft gegeven en dat aanvankelijk nog in het omhulsel van een afzonderlijk bewustzijn gehouden was.”

  


“…Maar wij doen ons in allen kennen als Godsdieners – door veel dulden, onder verdrukking, in nood, in angst, in het ondergaan van slagen, in gevangenschap, in vervolgingen,  in zware arbeid, in doorwaakte nachten,  in vasten, in lankmoedigheid en vriendelijkheid, in de heilige geest, in ongeveinsde liefde, in het woord van de waarheid, in de kracht van God, met de wapens der gerechtigheid in rechter- en linkerhand, in eer en schande, in kwade geruchten en goede geruchten, als verleiders en toch waarachtig, als de onbekenden toch bekend, als stervenden en zie: wij leven; als de getuchtigden en toch niet gedood, als bedroefden, maar altijd vrolijk; als armen, maar die toch velen rijk makend, als niets hebbenden en toch alles hebben. (2de Kor. – 6:4-10)

            Dit boek is een boek over het openbaar worden van het geheim, van de mysteriegeheimen die op een grandioze wijze in de openbaarheid werden gebracht door het mysterie van Golgotha. Wat vroeger verraad gewezen was, is dat nu niet, omdat door deze openbaarmaking een heel nieuwe, nooit eerder bestaande mysteriestroming ingeluid werd en wel door twee feiten:  Het wordt voor de mens die zich bij deze mysteriestroming wil en kan aansluiten (en dit zijn nu allen en niet alleen degenen die uitgekozenen en voorbereid zijn) mogelijk worden door een nieuwe zielskracht, die er voorheen nog niet in die zin bestond, hoewel ze natuurlijk ook voorbereid werd: de individuele onsterfelijkheidskracht.

            De weg door de mysteriën heeft niet daartoe geleid, maar naar een eenwording met het bovenindividuele eeuwig-goddelijke in de ziel. Dit bovenindividueel goddelijke werd van de ziel eerst ontnomen en de openbaarheid binnengedragen; dat is eerst het doorheengaan door de dood. De ziel komt daardoor in een situatie van verarming en vereenzaming, wordt echter met het hoogste in verrukking gebracht: met het individuele onsterfelijkheidskracht; dat kan alleen vanuit de vereenzaming ontstaan, uit de belevenis van het-afgesnoerd-zijn van het geestelijke, waar de individuele ziel eerst sterft. De geloofsgemeenschap die uit de samenstromende individuele onsterfelijkheidskracht ontstaat vormt een nieuwe mysterieplaats – beide mogelijk gemaakt door het mysterie van Golgotha.

            De oude mysterieweg veronderstelde het louteren van individuele onvolkomenheden, de nieuwe betrekt deze erbij. Hiertoe is uit de uiteenzettingen over de Apocalyps de volgende passage te beschouwen:

            “En de mensenzoon ‘had zeven sterren in Zijn rechterhand.’ (Op. 16). ‘De zeven sterren zijn de engelen van de zeven gemeenschappen.’(Op. 20). De uit de mysteriewijsheid bekende ‘leidende geesten’ (diamonen) zijn hier de leidende engelen van de ‘gemeenschappen’ geworden. Deze gemeenschappen worden daarbij als lichamen voor geestelijke wezenheden voorgesteld. En de engelen zijn de zielen van deze ‘lichamen’, zoals de mensenzielen de leidende machten van de menselijke lichamen zijn. De gemeenschappen zijn de wegen naar het goddelijke in de onvolkomenheid; en de gemeenschapszielen dienden de leiders te worden op deze wegen.”(VIII)

            De individuele onvolkomenheid is erbij betrokken, omdat de onsterfelijkheidsbelevenis juist in de individuele onvolkomenheid haar uitgangspunt vindt.

            De onsterfelijkheidsbelevenis van de oerchristelijke geloofsgemeenschap met haar hartelijkheid heeft in onze bewustzijnstijdperk door de antroposofie een met de natuurwetenschap overeenkomende vorm gekregen: In plaats van geloofsintimiteit heet het daar zeer nuchter, maar niet minder geweldig “terugdringing van het organisme” (De Filosofie van de vrijheid, hfdst. IX, 4). De Filosofie van de vrijheid leert namelijk de mensen iets was gelijk staat aan de evenwichtszin. Die kunnen we al lang gebruiken, maar zonder te weten hoe die functioneert.  (De evenwichtszin heeft zijn orgaan in het oor.) Denken konden mensen ook minstens binnen zekere grenzen; hoe en wat echter daarbij omgaat, heeft men vóór De filosofie van de vrijheid niet geweten.[1]

            Het naarbinnen kijken van het denken in zichzelf en daarmee het oppakken van een geheel nieuwe nuance binnen het denkbewustzijn leert men pas op de observatieweg van De filosofie van de vrijheid. Men gaat van eenvoudige observaties uit. Een zodanige, die zich altijd nieuw bewaarheiden moet, is die dat alles wat onze zintuigen ons ter beschikking stellen ons gegeven is.  Daar zijn wij ontvangend, daar kunnen wij niets voortbrengen, niet het kleinste stofkorreltje in de wereld van de waarneming.  Geen kleur, geen klank kunnen wij in zijn oorspronkelijkheid voortbrengen.  Als we bv. kloppen dan is dat alleen de aanleiding; maar het is de zonder ons toedoen voorhanden configuratie van de wereld waaraan de klank eigenlijk ontspringt in zijn klankgehalte; we kunnen op het toetsenbord van de wereld spelen dat we niet geschapen hebben.

            In zijn grondsubstantie is alles wat we waarnemen ons zonder ons toedoen gegeven, maar volledig ongeordend. We  hebben dit dagelijks brood niet alleen nodig voor tanden, tong en gehemelte, maar voor ons hele organisme, dat niets meer is dan een samengesteld-zijn uit zintuigen die de wereld waarnemen maar zonder de samenvoeging en ordening ervan. Ter onderscheiding van recht en links bv. helpt ons geen tasten; rechts en links zijn geen tastgewaarwording maar begrippen. Geen waarnemingen vormen zich uit ordeningskaders en structuren. Tot het ordenen en vormgeven van de waarnemingen zijn wij alleen in staat indien ons organisme zwijgt. Dit organisme behoeft steeds de waarnemingen en verwelkt onmiddellijk, wanneer het uit deze stroom niet gevoed wordt. Maar een ding voedt zich uit zichzelf: dat is het denken dat in ons opvlamt zodra we onze eigenste activiteit aansteken.

            Wanneer we ons organisme, het sterfelijke en voedingsbehoeftige terugdringen, komt het tot een opstanding uit de graf van dit organisme. Het is deze opstandingskracht waarmee we deelachtig worden van het denken. Zij is aanvankelijk nog inhoudsarm. Maar haar maakt zich het denken in zijn hemelse universaliteit eigen. Het denken laat zich willens tevoorschijn brengen, maar zijn ordeningen bestaan onafhankelijk van onze willekeur. Wanneer we met de opstandingskracht ons organisme terugdringen en overwinnen, dan treden we een bepaald rijk binnen, wiens lichtende schepsels zichzelf dragen. Ze hoeven niet door iets ergens vandaan gesteund te worden zoals de zware dingen van de aarde. De begrippen dragen zichzelf en vormen een rijk dat zich onbedwingbaar tot een steeds grotere totaliteit aaneensluit en waartoe wij behoren door onze onsterfelijkheidskracht, maar zodanig dat wij niet als gewaarwordenden maar als co-actieven met dit rijk verbonden zijn. Iets wat men zelf, hoewel het op zijn eigen wetten gebouwd is, co-creërend beleeft, is uiteraard niets wat het eigen wezen tegenovergesteld is, veeleer is dat wat wij waarachtig doen, waarin wij als doeners levendig zijn, niets wat zich van ons wezen onderscheidt, maar iets wat zich met ons in wezenswisseling bevindt. Doordat wij zodoende daarin staan, worden wij zelf door de geestelijke wereld gedaan. De terugdringing van ons organisme door de opstandings- en onsterfelijkheidskracht laat ons van de uitwisseling met het eeuwige in aanduidende belevenissen bewust worden, omdat zich met de onsterfelijkheidsbelevenis van de terugdringing van het organisme de belevenis van de wezenswisseling noodzakelijk verbindt. Derhalve is het hier tot een volledig duidelijk inzicht geworden dat twee dingen, die als de twee grootste tegenstellingen tegenover elkaar lijken te staan, slechts twee kanten van dezelfde zaak zijn: het onsterfelijkheid verkrijgende individueelste en het universeelste, de kosmische samenhang van de geestelijke wereld. Want het beleven van de uitwisseling is juist datgene waardoor wij definitief  boven onszelf  uit komen en ons met andere wezens verbinden.

            En omdat met de moderne onsterfelijkheidsbelevenis als de opstanding uit het overwonnen organisme de belevenis van de wezenswisseling is, is daarin de kiem van de nieuwe mysterieplaats aangelegd, zodat we zeker kunnen  zijn: wanneer we met de onsterfelijkheidskracht van het heldere, duidelijke denken ons inspannen, dan krijgen wij een gezamenlijk aandeel aan een spirituele inhoud en doen dit met de krachten waardoor wij van oorsprong in het ons allen oneindig overtreffende zijn. Wij leven ons in een gezamenlijk, ons allen overtreffend bewustzijn in. Derhalve staat in het middelpunt van de Kerstbijeenkomst de heroprichting van de Antroposofische Vereniging. De gemeenschap is gegrond op de gemeenschappelijke belevenis van onsterfelijkheid en de belevenis van het ethisch individualisme.     

            Daartoe behoort wederom een nieuw wereldhistorisch gebeuren van het openbaarmaken, want met de Kerstbijeenkomst, die gekenmerkt kan worden als een metamorfose van de oerchristelijke geloofsgemeenschap, hangt de onbeperkte openbaarmaking van het geestesgoed samen dat Rudolf Steiner aan de leden heeft gegeven en dat aanvankelijk nog in het omhulsel  van een afzonderlijk bewustzijn gehouden was.  Voor iedereen is het toegankelijk, hoewel dit openbaarmaken alleen een zin heeft als uitdrukking van een nieuwe mysterievorming, zoals ik die gekenmerkt  heb als metamorfose van de oerchristelijke geloofsgemeente die nu juist tot een kennisgemeenschap wordt. Alleen in samenhang met een nieuwe mysterievorming heeft het openbaarmaken een zin. Dit stelt u zich op duidelijk wijze voor, wanneer u bedenkt dat nu bij het betrekken van de individuele onvolkomenheden in de oerchristelijke geloofsgemeenschap er een nieuw te betrekken iets bijkomt. In de oerchristelijke geloofsgemeente was een pinksterlijk uittreden van het bewustzijn boven de directe aanwezigheid ervan in de afzonderlijke individualiteiten gegeven. In samenhang met de vorming van de kennisgemeenschap en het in haar schoot liggende eenvormige bewustzijn is nu wederom iets nieuws gegeven, namelijk de toegankelijkheid van de geestelijke wereld en spirituele feiten vanuit het bereik van het gewone dagbewustzijn. Hierbij moeten wij tweeërlei onderscheiden: het bereik van het gewone dagbewustzijn en de zielenhouding van het gewone dagbewustzijn. Laatstgenoemde is natuurlijk voor de huidige mensheid een verregaand onspirituele, maar ze is op zich zodanig transformeerbaar dat daarvan de weg in de geestelijke wereld geopend kan worden. Rudolf Steiner heeft aangetoond dat het vatten van de denkbelevenissen direct uit  gebied van het gewone dagbewustzijn de weg in de geestelijke wereld opent. Dat is het nieuwe grote wat erbij betrokken wordt, dat wederom de grandioze metamorfose kenmerkt, waarin niet alleen de individuele onvolkomenheden erbij betrokken zijn in het grote mysteriegebeuren, maar ook het gewone dagbewustzijn, zodat vandaaruit de eerste stappen in de geestelijke wereld gemaakt kunnen worden. Dat is de grandioze daad van Rudolf Steiner.

            Voor de openbaarmaking bestaan er natuurlijk veel redenen; het hier gezegde bevat echter een innerlijke interpretatie voor de betekenis van de openbaarmaking. Een krachtige wijsheid ligt daarin dat de stap in de geestelijke wereld vanuit het gewone dagbewustzijn  kan en gemaakt moet worden. Maar die is ook alleen weer waarheids- en werkelijkheidsgeldig, indien die met het interpreterend feit van de vorming van een nieuw mysteriegebeuren vanuit het gewone dagbewustzijn in samenhang blijft staan. De openbaarmaking heeft juist met het oog op de Kerstbijeenkomst een allerbelangrijkste interpretatie. Wat is dan de wereldhistorisch beduidendste openbaarmaking, de meest grandioze die er ooit in de wereld- en mensheidsgeschiedenis heeft bestaan? Natuurlijk de openbaarmaking van het mysteriewezen,  waarbij deze openbaarmaking tegelijk een metamorfose is: het naarbuiten treden van het mysteriewezen voor de voorhang van de tempel in het mysterie van Golgotha. Wat voorheen verborgen wijsheid was, werd nu openbare wijsheid die echter meteen weer als geheim teruggenomen werd, daardoor dat ze alleen zin en betekenis heeft, indien ze in samenhang blijft met de vorming van een nieuwe mysterieplaats die uit het samenwerken van de onsterfelijkheidskrachten ontstaat. De wijsheid die verborgen was in de geestelijke wereld treedt op het plan van de fysieke wereld voor de ogen van de mensen met hun individuele onvolkomenheden en wordt in menselijke gedaante zichtbaar. Wat voorheen met sterrenscript in de hemel was ingeschreven, treedt nu voor de mensen, in zekere mate ingehuld in de substantie van de uiterlijke wereld, in een vergankelijk lichaam. Derhalve kan Philo zeggen, dat daarmee eigenlijk het feit van het boek op grandioos oerbeeldende wijze voor de mensen is neergezet, want het boek is niet in het geheim afgesloten, maar allen toegankelijk. 

            “Als de ‘Zoon van God’ noemde Philo,  van wie men zei dat hij de herboren Plato was, de uit de mens geboren wijsheid die in de ziel leeft en de in de wereld aanwezige rede als inhoud heeft. Deze wereldrede, de Logos, verschijnt als het boek waarin ‘al het bestaan van de wereld is ingeschreven en opgetekend.’ De Logos verschijnt verder als de Zoon Gods ‘de wegen van de Vader navolgend, de oerbeelden schouwend, vormt Hij  gestalten.’” (III, 61)

            De openbaarmaking van de wijsheid in het mysterie van Golgotha is eigenlijk het oerfeit van het boek. De inhoud van het verborgen boek treedt in de openbaarheid, wordt voor degenen leesbaar die de zin van deze openbaarmaking, door hun eigen gedrag verwerkelijken en levendig houden. Deze openbaarmaking is reeds in het geheimenis van de voorchristelijke mysteriën aangelegd, in zekere mate voorbereid, hoewel ze in hun essentie het tegendeel zijn (ze berusten immers op het geheim). 

            “Als we in de inwijdingstempel zouden kunnen kijken, waarin de mensen aan de Osiris-metamorfose werden onderworpen, dan zouden we zien dat de gebeurtenissen microkosmisch de wording van de wereld weergeven.” (V, 86).

            Dat is de voorbereiding van het naarbuiten treden op het fysieke plan, het microkosmisch-worden van macrokosmische. Maar dit is pas dan tot een afsluiting gekomen wanneer het in individueel wezensgestalte op het fysieke plan naarbuiten treedt.

            “Man neme toch letterlijk wat Jezus in het Johannes-evangelie is. Hij is het ‘Woord’ dat vlees geworden is. Hij is het eeuwige dat in het oerbegin was. Is Hij werkelijk de opstanding, dan is het ‘eeuwige, oorspronkelijke’ in Lazarus herrezen. Men heeft het dus met een opwekking van het eeuwige Woord te doen. En dit ‘Woord’ is het leven waartoe Lazarus is herrezen. Men heeft hier dus met een ziekte te doen. Maar met een ‘ziekte’ die niet tot de dood voert, maar die ter ‘eer Gods’, d.w.z. tot de openbaring van God dient. Is in Lazarus het ‘eeuwige Woord’ herrezen, dan dient werkelijk het hele proces ertoe om God in Lazarus te doen verschijnen. Want Lazarus is door het hele proces een andere mens geworden. Voorheen leefde niet het ‘Woord’, de Geest in hem, nu leeft deze Geest in hem. Deze Geest is in hem geboren.”(VII, 105, 106)

            Vanuit de ziekte van het sterfelijke leven en uit het intrekken in dit sterfelijk lichaamsomhulsel  ontstaat juist de opstandingskracht van de individuele onsterfelijkheid. Deze kracht komt tot uitdrukking in een boek dat in de fysieke wereld ervaarbaar en leesbaar is.

            (Zie VIII, 114) De zeven sterren zijn de zielen van de mensengemeenschappen die van hun kant pas weer op de weg naar de hoogste gemeenschapsvormers, naar de christengemeenschap zijn.  Het “tweesnijdend” zwaard betekent: De mensen  en de gemeenschapszielen zijn voor de beslissing geplaatst of ze de “voortreffelijkste liefde” willen  oefenen of die “voortreffelijkste liefde” verlaten  die nooit vergeet dat ze alleen zin en betekenis heeft in samenhang met het ontstaan van een nieuw mysteriewezen. Van deze zin beroofd wordt de openbaarmaking een lijdensweg.

            “In de rechterhand van Hem die op de troon zat, bevindt zich het boek waarin de weg naar de hoogste waarheid is opgetekend (Op. 5:1). Slechts één is waardig het boek te openen: ‘[…] zie, de Leeuw uit de stam van Judea, de Wortel Davids, heeft overwonnen om de  boekrol en haar zeven zegels te openen.’(Op. 5:5) Zeven zegels heeft het boek. Zevenvoudig is de wijsheid van de mens.  Dat deze als zevenvoudig wordt gekenmerkt, hangt weer samen met de heiligheid van het getal zeven. Als zegel kenmerkt de mystieke wijsheid van Philo de eeuwige wereldgedachten  die in de dingen zich tot uitdrukking brengen. Mensenwijsheid zoekt deze scheppingsgedanken.  Maar pas in het boek dat daarmee is verzegeld staat de goddelijke waarheid. Eerst moeten de grondgedachten van de schepping worden onthuld en de zegels gebroken, dan wordt openbaar wat in het boek staat. Jezus, de leeuw, vermag de zegels te verbreken. Hij heeft de scheppings-gedachten een richting gegeven die door hen heen tot wijsheid voert. - ”Het lam, dat geworgd werd en dat God met zijn bloed kocht, Jezus, die de Christus in zich gebracht heeft, die dus in de hoogste zin van het woord door het mysterium van leven en dood is gegaan, opent het boek (Op. 5:9-10)” (VIII, 116)

            Het openen van het boek is eigenlijk het zelf-boek-worden van de voorheen kosmische wijsheid in een individueel  wezensgehalte dat op het fysieke plan treedt. En juist dit openen van het boek, het zichzelf-tot-openbaar-boek-maken heeft zijn zin alleen daarin omdat daardoor in de mensen een nieuwe kracht ontstaat om de geestelijke wereld te vinden, deze individuele onsterfelijkheidskracht die de eerste en grondkracht van de geloofskracht is en het eerste kenvermogen van de kennisgemeenschap. En wederom is deze openbaarmaking alleen zinvol in samenhang met de vorming van een nieuwe mysterieplaats, die als gemeenschapsvorming aanvankelijk de individuele onvolkomenheden in zich betrekt, dan de vorming van de kennisgemeenschap die vanuit het gewone dagbewustzijn de weg in de geestelijke wereld vindt.

            “En nadat getoond is hoe alles wat te zeer aan het vergankelijke hangt om tot het waarachtige christendom te komen de dood heeft gevonden, verschijnt de sterke engel met het geopend boekje en geeft het aan Johannes (Op. 10:9):: ‘En hij zeide tot mij: Neem het en verslind het, en het zal bitter worden in de maag, maar in uw mond zal het zoet zijn als honing.’ Johannes dient niet alleen in het boekje te lezen, hij dient het helemaal in zich op te nemen, hij dient zich met de inhoud ervan te doordringen.” (VIII, 119)

            Dit helemaal-in-zich opnemen betekent pijn voor het met de dood doordrongen organisme. Maar dit verandert  in de smaak van honingzoetigheid, in de smaak van de eenwording met de geestelijke wereld en het één worden met degenen die  zich in de gemeenschap met de geestelijke wereld willen verbinden. Het boek neemt op een regelrecht schokkende  wijze een standpunt in tegenover de allermodernste  problemen.  Wat zou actueler zijn dan de vraag: Hoe leeft in deze wereld een ongeremde en schaamteloze openbaarmaking van datgene in de mensen wat ze vanuit het innerlijkste van hun wezen hun onsterfelijkheid zodanig doet ervaren dat deze individuele ervaring tegelijk gemeenschaps-ervaring is? Op deze vraag wordt een verbazingwekkend duidelijk antwoord gegeven:  Deze bevat het feit van de openbaarmaking, die luidt dat de weg in de geestelijke vanuit het gewone dagbewustzijn begint. En de openbaarmaking heeft alleen zin als de uiterste kant van iets dat het allergeheimste is, namelijk het ontstaan van een nieuwe mysterieplaats en een nieuw mysteriebewustzijn.



[1] ) Herbert Witzenmann is ook de schrijver van een congeniaal commentaar op De filosofie van de vrijheid van Rudolf Steiner dat ik bijna volledig in het Engels vertaald heb onder de titel The Philosophy of Freedom as a Basis of Artistic Creation (zie http://freedom-and-creation.blogspot.nl)

V. “De grote adem van veruiterlijking en verinnerlijking in onszelf te ervaren, deze onttovering van de in de wereld der natuur veruiterlijkte en betoverde god te voltrekken, dat is het oerberoep van de menselijke ziel.”


NOVALIS: “Aan Tieck”

(“Een kind vol weemoed en vol trouw…”; 8-15de strofe)

 

Op die berg als arme knaap

Heb ik een hemels boek gezien,

En kon nu door deze gave

In alle schepsels zien.

 

Er zijn mij bij de gratie Gods

De grootste wonderen overkomen;

Des nieuwe verbonds de geheime ark

Zagen mijn ogen open staan.

 

Ik heb trouw opgeschreven

Wat innerlijk lust mij geopenbaard,

En ben miskend en arm gebleven,

Tot ik bij God geroepen werd.

 

De tijd is gekomen, niet verborgen

Het mysterie zal niet meer zijn.

In dit boek breekt de ochtend

Krachtig in de tijd aan.

 

Heraut van de dageraad,

Boodschapper van vrede zult gij zijn.

Zacht als de lucht in harp en fluit

Blaas ik u mijn adem in.

 

God zij met je, ga heen en was

Je ogen met ochtenddauw.

Wees trouw aan het boek en mijn as,

En baadt u in het eeuwig blauw.

 

Gij zult het laatste rijk verkondigen,

Dat duizend jaar zal bestaan;

Gij zult uitbundig wezen vinden,

En Jacob Boehme weer zien. [1]


Elke openbaarmaking schept uit het wijsheidsboek, uit de bron der wijsheid die de zintuiglijke wereld voedt en in wier wezen het besloten ligt om zich te openbaren en zich te laten openbaren. Deze openbaarmaking is echter alleen  zinvol, indien ze met haar oorsprong verbonden blijft die zich daarin begeeft, opdat een nieuwe innerlijkheid in de individuele zielen en een nieuwe gemeenschap moge ontstaan.  Openbaring is een van de hoofdthema’s van ons boek, want het houdt zich bezig met de grootste openbaarmaking in de geestes- en wereldgeschiedenis. Überhaupt: met het mysterium van Golgotha. De zin van deze openbaarmaking is het ontstaan van een nieuwe innerlijkheid in de individuele zielen en in een nieuwe gemeenschap van deze pendelslag, deze ritme van in- en uitademen.  Uitademing opdat een des te sterkere en innigere inademing geschiedde  en omgekeerd. De uitademing is alleen waar als ene helft van het hele ritme. In telkens nieuwe wendingen en verrijkingen wordt weergegeven dat juist de bron van het christendom  de geweldige geestelijke openbaring van de mysteriën van de oudheid zijn, dus van datgene wat oorspronkelijk in het innerlijkste geheim van de zielen maar ook in de tempelverborgenheid behoorde. Daar is weer hetzelfde ritme, de openbaring van het geheime, opdat een er nieuwe innerlijkheid moge zijn.

            Rudolf Steiner tekent dat op in een methode waarvoor hij uitdrukkelijk de term “natuurwetenschappelijke methode”  opeiste. Bij de essentie daarvan behoort enerzijds dat men begrippen, vooral ook begrippen voor het bovenzinnelijke alleen vormt in samenhang met waarnemingen, dat men dus niet in dat oude overwonnen scholastieke deduceren moge verfallen, waar men begrippen uit begrip pen uitspint en gelooft daarmee iets over de werkelijkheid te kunnen zeggen. Op die manier komt men tot zinnen (die logisch niet fout zijn) zoals: De zon kan geen vlekken hebben, omdat die het oog van God is. Of men trekt uit de puur geestelijke existentie van wezens (die dus met de ons eigen waarnemingsvaardigheden  niet gevat kunnen worden) allerlei mogelijke gevolgen over hun toestand en gedrag. Dat is in tegenstelling tot de natuurwetenschappelijke methode  die ernaar streeft om haar begrippen, inzichten en kennis alleen aan het overzichtelijke te ontwikkelen. Zij wil zien hoe datgene wat als onwaarneembare krachten, als morfologische, samenhang vormende krachten aan de uiterlijke wereld ten grondslag ligt, wat zich in deze uiterlijke wereld openbaart en hoe men het juist dan in de verwerkelijking ervan des te beter begrijpt, hoe getrouwer men het in de openbaring ervan in de uiterlijke wereld volgen kan.

            Ook de natuurwetenschappelijke methode plaatst zich in deze pendelslag van veruiterlijking en verinnerlijking of van openbaarmaking en des te diepere hartelijkheid van het zielenleven.  Daarmee hebben wij nog iets anders in het oog, namelijk dat deze natuurwetenschappelijke methode alleen  recht kan doen aan het wezen van de mens, indien men dit wezen van de mens betreffend zijn cognitieve werkwijze tracht te overzien.  Want wat de mens in wezen is, leren we alleen kennen uit zijn daden, doordat wat hij actief in de uiterlijke wereld verricht. En hij is nog niet zichzelf geworden, wanneer hij zijn overtuiging nog niet in de daad heeft omgezet. Hij verinnerlijkt zichzelf alleen, wanneer en in zover hij in staat is zichzelf in zijn daden te realiseren en uit het aanzien dat hij zichzelf aanbiedt om zichzelf innerlijk des te beter te leren begrijpen. Dat is überhaupt het motief van de levensloop, dat we kracht van verinnerlijking putten die kracht van veruiterlijking in een nieuwe levensloop wordt. De metamorfose van veruiterlijking en verinnerlijking is überhaupt het oerritme van de wereld.  Het is de geweldige trek die door de wereld heen gaat en deze dramatisch maakt. Het is de grote adem van het werelddrama waarvan hier telkens weer sprake is.  Dit Christendom als mystiek feit is eigenlijk een symfonie over dit werelddrama, dit wereldritme van verinnerlijking en veruiterlijking. Het werelddrama is het zich-verzinken  van het geestelijke in het zintuiglijk-uiterlijke, het zich-betoveren in de natuur, ook in de lagere regio’s van de mensenwezenheid. Daarin betovert zich het goddelijke om dan daaruit onttoverd te worden en na de doorgang door de veruiterlijking in de onttovering een nieuwe hogere trede van innerlijkheid te verkrijgen.         

            Dat is het grote oerdramatisch ritme dat de wereld doordringt en aan het wereldgebeuren ten grondslag ligt en in steeds nieuwe metamorfosen tevoorschijn komt. Waar we onze beschouwende blik ook heen moge richten, overal valt hij op een metamorfose van dit oermotief dat in onvergankelijke frisheid de waaiende adem van de wereld vormt. We bespeuren juist weer iets daarvan waar we de aankomst van de starheid beleven. Deze grote adem van veruiterlijking en verinnerlijking in ons zelf  te ervaren, deze onttovering van de in de wereld der natuur veruiterlijkte en betoverde god te voltrekken, dat is het oerberoep van de menselijke ziel. Alles wat ze voortbrengt zijn inspanningen of vooroefeningen van deze onttovering, oefeningen in de voorschool van deze grote dramatische kunst, waarin de mens dichter en acteur in een is. Het grootste onttoveringsgebeuren speelt zich af in de menselijke kennis. Daarin wordt datgene van zichzelf bewust wat anders alleen als onbewuste scheppingskracht aan de wereldverschijnselen, de natuurverschijnsels en de verschijningen van het menselijke wezen ten grondslag ligt.  Om dit vermogen bewust te maken waren er in de voorchristelijke tijd twee wegen, waarvan de ene weer meer in het innerlijke en de andere meer in het uiterlijk verloopt. De innerlijke weg van deze bewustmaking van hetgeen anders onbewust vormgegeven wordt is die der mysten, de andere is die van de Griekse filosofen. 

            Rudolf Steiner beschrijft hoe de Griekse filosofen in principe, hoewel met iets veranderde middelen, dezelfde weg gingen als de mysten: de weg van de herbevrijding van de in de veruiterlijking betoverde ziel. Het is de weg van verinnerlijking uit  de veruiterlijking, een herverinnerlijking die juist uit de veruiterlijking  nieuwe kracht put. In die zin beschrijft Plato (zei Hoofdstuk 4 “Plato als mysticus”) de filosoof als de grootse mensheidsleider en –weldoener die, aan degene welke hem op de weg wil volgen, duidelijk maakt hoe er een zich-bewegen van de ziel in het kennen bestaat, waardoor ze zich uit de lichaamsgevangenis bevrijdt en uit het lichaamsgraf in het kenproces herrijst met de herboren kracht die ook de impuls van haar moraliteit  in het gemeenschapsleven is. De filosoof vermag de mens op deze weg te leiden, die een weg van de veruiterlijking ingaan en het zich-bevrijden daaruit met nieuwe versterkte kracht is. De filosoof kan naar deze weg wijzen en zelf de kracht daarnaar putten, omdat wederom de grote ademtocht  van het werelddrama hem ook in zijn onderzoeksinspanningen doordringt. Van dit vertrouwd-zijn met het werelddrama als de oergrond der dingen en van kennis spreekt bv. het wonderlijke dialoog “Timaeus” van Plato. 

            In Timaeus  wordt het drama van de wereldwording opgevoerd. Wie zoekt naar de sporen die naar deze wereldwording voeren, die komt tot een vermoeden van de oerkracht waaruit alles is geworden.  ‘Nu kost het veel moeite om de schepper en de Vader van dit heelal te vinden, en wanneer men Hem heeft gevonden, is het onmogelijk er zo over te spreken dat het voor allen begrijpelijk is.’ De myste wist wat met deze onmogelijkheid bedoeld was. Het duidt op het drama van God. Die is voor hem niet zintuiglijk-verstandelijk voorhanden.  Daar is Hij alleen als natuur voorhanden. Hij is betoverd in de natuur. Alleen degene kan Hem, volgens de opvatting van de oude mysten, naderkomen  die het goddelijke in zichzelf opwekt.  Dus kan Hij niet zonder meer voor allen begrijpelijk gemaakt worden. Maar zelfs  aan diegene die Hem naderen kan, verschijnt Hij niet zelf. Zo staat het in Timaeus. Uit een wereldlichaam en wereldziel heeft de Vader de wereld gemaakt. Harmonisch, in volmaakte proporties heeft Hij de elementen gemengd die ontstonden toen Hij, Zichzelf uitstortend, Zijn eigen bijzonder zijn offerde. Daardoor ontstond het wereldlichaam.  En gespannen op dit wereldlichaam in kruisvorm is de wereldziel. Zij is het goddelijke in de wereld.  Zij heeft de kruisdood ondergaan opdat de wereld zou kunnen zijn. Het graf van het goddelijke, zo mag dus Plato de natuur noemen.  Echter niet een graf  waarin iets dood ligt, maar iets eeuwigs, waarvoor de dood alleen de gelegenheid biedt om de almacht des levens tot uitdrukking te brengen. En die mens ontwaart deze natuur in het juiste licht, die voor haar treedt om de gekruisigde wereldziel te verlossen.  Op te staan dient de wereldziel uit de dood, uit haar betovering. Hoe kan zij weer opleven? Alleen in de ziel van de ingewijde mens.  De wijsheid vindt daarmee haar juiste verhouding tot de kosmos. De opstanding, de verlossing van God: dat is wat kennis is. Van het onvolmaakte naar het volmaakte wordt in Timaeus de wereldontwikkeling vervolgt. Een opstijgend proces wordt in de voorstelling [van het werelddrama] weergegeven. De wezens ontwikkelen zich.  Het worden is een opstanding van God uit het graf. Binnen deze ontwikkeling treedt de mens op. Plato laat zien dat met de mens iets bijzonders aan de hand is. Weliswaar is de hele wereld iets goddelijks.  En de mens is niet goddelijker dan de andere wezens. Maar in de andere wezens is God op verborgene wijze, in de mens op openbare wijze aanwezig.” (III, 59,60)

            Op openbare wijze tegenwoordig in zover hij een willend mens wordt en aan het grote ritme van veruiterlijking en herverinnerlijking deelneemt. Daaraan leert hij de zin van het boek kennen zoals Philo die uitspreekt (zie III, 61). De zin van het boek is de openbaarmaking, opdat daarmee meer innerlijkheid moge zijn in individuele zielen en in de gemeenschap. De grote openbaarder, “de Zoon”, kan zelf als boek gekenmerkt worden. Hij openbaart Zichzelf.   

            Nadat Rudolf Steiner weergegeven heeft hoe de bronnen van het christendom in de voorchristelijke mysteriën stromen en daarin de grote ademtocht van de wereld herkenbaar is, en nadat hij heeft laten zien hoe de Griekse filosofen zich begrijpelijk maken en dit filosofisch begrijpelijk-maken een hoogtepunt in Plato bereikte, tekent hij in het volgende hoofdstuk op in welke verhouding de mysteriewijsheid tot de volksmythen staat.

            Daarvoor hebben wij in de voorafgaande beschouwingen een zekere voorbereiding gegeven: In de natuurlijke wereld, in de geopenbaarde wereld is iets goddelijk-geestelijks uitgestort; ook in de mens in zover hij een natuurlijk deel in zijn wezen heeft. Dit in de natuur verbreid zaad van het goddelijk-geestelijk biedt het fysieke en zielsmatige van de mens voedsel.  De mens vormt voorstellingen door het zielsmatig opnemen van datgene wat in de hem omgevende wereld als voedzame kracht betoverd is, zonder dat hij over dit betoverde zich rekenschap verschaft. En hijzelf neemt deel aan dit betoveren van krachten in schepsels die door deze krachten vormgegeven en opgebouwd worden, b.v. als schepper van mythen. Daar werkt deze onbewuste scheppingskracht ook in de mens en schept in een verhoogd natuurbestaan gedaanten die zich in mythen weergeven en de ziel voeding bieden.

            Maar de mens kan niet alleen optekenen wat als voedsel in hem uitgebreid is en door hem werkt, maar hij kan op een tweede trede het in zijn eigen ziel tot een nieuwe ontwikkeling laten komen.  Hij kan daar deze in hem uitgestrooide zaadkracht, die ook nog in de door hem zelf geschapen mysteriegedaanten uitgebreid is, niet alleen verteren en zich daarmee voeden, maar ook in de eigen ziel tot ontwikkeling brengen.  Hij verwerft dan de scheppingskrachten die aan de natuur  en ook aan de mythen ten grondslag liggen, en de innerlijkste verwantschap van de ziel  met deze scheppingskrachten, wanneer ze in een nieuwe vorm in zijn ziel ontwaken. Dat doen enerzijds de myste, anderzijds de filosoof, wanneer hij op de weg gaat die Plato aanwijst. Maar in dit beleven van het ontwaken van de zaadkracht die in de wereld is uitgestroomd in de eigen ziel heeft de mens nog niet een oorspronkelijk individueel bewustzijn van de eigen ziel. Zij is wel de grond waarin deze zaadkrachten van het geestelijke een nieuwe ontwikkeling  te weeg kunnen brengen die dan de ziel vult met beeltenissen van de myste, met de kennis van de filosofen (die in de zin van Plato ook de weg van de mysten gaan). De ziel wordt vervuld met zaadkrachten die voorheen verteerd werden. Met de gedaantes die uit de zaadkracht opstijgen kan de ziel zich vervullen zonder een volbewustzijn van haar eigen wezen te verkrijgen. In de platonisch-aristotelische filosofie wordt ernaar gestreefd om vanuit de belevenis van het vervuld-worden van de ziel een begrip te kweken voor het onsterfelijke in haar.  Maar de Griekse filosofie komt hier tot een grensplaats waar zij bepaalde barrières niet kan doorbreken.

            Het zich-vinden van de ziel in haar eigen individuele oorspronkelijke krachten kan niet alleen door een innerlijke vervulling met nog zo geweldige inhouden worden gevonden. Daarvan kan de ziek wel vervuld worden, maar juist de geweldigste inhouden wissen de ziel ook weer in haarzelf uit. Want wat zich vanuit een zaad als wonderlijke vorming ontwikkelt kan ook weer versterven.  Pas wanneer de ziel beleeft dat datgene wat zich gevormd heeft ook versterft en haar dan verlaat (derde trede), kan zij ook uit de belevenis van dit versterven zich nu opnieuw vinden in een gebeuren dat haar niet alleen vervult, maar waarbij zij op een geheel nieuwe wijze met haar kracht actief betrokken is; met haar onsterfelijkheidskracht die zij uit de doodsbelevenis ontwikkelt. Deze onsterfelijkheidskracht is het, die uit de doodsbelevenis herrijzend,  in de geloofsgemeenschap van de eerste christenen instroomt en daar uit de onsterfelijkheidsbelevenis een nieuwe wonderlijke wording doet herrijzen doordat nu in haar mysterieplaats de hoogste goddelijke wezenheid tegenwoordig worden kan. Deze belevenis van de christelijke geloofsgemeenschap vindt in onze tegenwoordige tijd in de kennisgemeenschap een nieuwe ontwikkeling.

            “De myste zocht in zichzelf krachten, hij zocht wezenheden in zichzelf op die de mens onbekend blijven zolang hij in de gewone levensopvatting vast zit. De myste stelt de grote vraag naar  zijn eigen geestelijke, boven de lagere natuur uitgaande krachten en wetten.  De mens met de gewone, zintuiglijk-logische levensopvatting schept zich Goden of, wanneer hij tot het inzicht van dit scheppen komt, dan loochent hij ze. De myste onderkent dat hij Goden schept, waarom hij ze schept; hij is om zo te zeggen achter de natuurwetmatigheid van het godenscheppen gekomen. Het is met hem zo gesteld als met een plant die opeens wetend werd en de wetmatigheden van haar eigen groei, haar eigen ontwikkeling leerde kennen.  De plant ontwikkelt zich in sierlijke onbewustheid. Kende de plant haar wetmatigheden, dan zou ze een heel andere verhouding tot zichzelf krijgen. Wat de lyricus gewaarwordt  wanneer hij de plant bezingt, wat de botanicus denkt wanneer  hij haar wetmatigheden onderzoekt: dat zou een wetende plant als ideaal van zichzelf in gedachte hebben. (IV, 1, p. 66)

            Het vormen van volksmythen wordt als een soort voortzetting van het onbewust scheppen gekenmerkt, zoals we het ook in de natuur en haar gedaantes observeren. Daar zijn ook wonderbaarlijke krachten actief in stenen, planten, dieren en in het natuurlijke deel van de mens, krachten die morfologisch en scheppend actief zijn, maar zichzelf niet bevatten.  Op soortgelijke wijze werken deze op een hogere trede in de mythen waar uit het volk, dat ze in een soort sierlijke en fantastische onbewustheid vormt, deze beeldgedaante voortkomen, zonder dat het over het scheppen van de morfologische vormkrachten rekenschap kon geven of ook slechts zou willen. Er wordt hier alleen gezegd:  “De myste onderkent dat hij Goden schept, waarom hij ze schept; hij is om zo te zeggen achter de natuurwetmatigheid van het godenscheppen gekomen. (IV, 66)

            Hij schept ze aanvankelijk in onbewuste uitvoering van de in hem liggende vormkrachten en zolang hij van dit scheppende in zich als zodanig onbewust blijft dat zich in zijn ziel afspeelt, gelooft hij aan deze beeldgedaantes. Zodra hij echter onderkent dat hij zelf met de vorming van deze mythen actief verbonden is, valt dit geloof weg en ziet hij ze alleen nog als fantasma.  De myste wordt op een hogere trede bewust van de betrokkenheid van de scheppingskrachten van zijn eigen ziel. De ziel openbaart datgene, wat in haar eigen vermogens als iets waarachtigs ligt dat met de algehele toestand van de wereld verbonden is. Dat openbaart zich aan de mysten als de vormkracht in de mythen.

                 “Zo is het met de mysten ten opzichte van zijn wetmatigheden, van de in hem werkende krachten. As wetende moet hij iets wat boven hemzelf uitgaat, iets goddelijks scheppen. En zo stonden ook de ingewijden tegenover  datgene wat het volk boven de natuur uit geschapen had. Zo stonden zij tegenover  de goden- en mythenwereld van het volk.  Daar waar het volk een godengedaante had: daar zochten zij een hogere waarheid.”(IV, 66)

            De mysten probeerden zich van de krachten in de menselijke ziel bewust te maken die daaruit de goden- en mythengedaanten voortgebracht hadden, maar nu in een bijzondere vorm. 

            “Een voorbeeld: De Atheners waren door Minos, de koning van Kreta gedwongen, om elke acht jaar zeven jongens en zeven meisjes te leveren. Deze werden aan Minotaurus, een verschrikkelijk monster, ten prooi geworpen. Toen zo’n trieste zending voor de derde maal naar Kreta zou gaan trok de koningszoon Theseus mee. Na zijn aankomst op Kreta ontfermde Ariadne, de dochter van koning Minos zich over hem. De Minotaurus huisde in een labyrint, een doolhof, waaruit niemand die erin terecht was gekomen, een uitweg kon vinden. Theseus wilde zijn vaderstad van de smadelijk schatplicht bevrijden. Hij moest het labyrint, waarin altijd de buit voor het ondier werd geworpen, binnengaan. Hij wilde de Minotaurus doden. Hij overwon de schrikwekkende vijand en kwam met behulp van een kluwen draad, hem door Ariadne aangereikt, weer vrij. – De myste diende zich duidelijkheid te verschaffen hoe de scheppende mensengeest ertoe komt om een dergelijk verhaal  vorm te geven. Zoals de botanicus de plantengroei bespiedt om de wetmatigheden daarvan te vinden, zo wilde de myste de scheppende geest bespieden. Hij zocht een waarheid, een waarheidsgehalte daar waar het volk een mythe had geplaatst. Sallustius verraadt ons hoe een mystieke wijsgeer tegenover zo’n mythe stond: ‘Men zou de gehele wereld een mythe kunnen noemen, welke de lichamen en dingen op zichtbare wijze, de zielen op verborgen wijze in zich sluit. Zou aan iedereen de waarheid over goden worden geleerd, dan zouden de onverstandigen haar geringschatten, omdat zij haar niet begrijpen, en bekwamere lieden zouden haar maar lichtvaardig opnemen; wordt de waarheid echter in de omhulling van een mythe  gegeven, dan is zij gevrijwaard voor geringschatting en biedt zij een aanleiding om te filosoferen.’

            Wanneer men de waarheidsgehalte van een mythe als myste zocht, dan was men zich ervan bewust dat men iets toevoegde aan datgene wat in het volksbewustzijn aanwezig was. Men wist dat men zich boven dit volksbewustzijn stelde zoals de botanicus zich stelt boven de groeiende plant. Men zei iets heel anders als in het mythische bewustzijn aanwezig was, maar men beschouwde wat men zei als een diepere waarheid, die zich symbolisch in de mythe  tot uitdrukking bracht.” (IV, 67, 68) 

            Op deze plaats zal men zich afvragen welke methode de myste toepaste om niet in de toestand te blijven waarin uit een verregaande onbewustheid mythen ontstaan. Er wordt een onderscheid weergegeven tussen de mythevorming en het beleven van de mysten. Eerstgenoemde wordt vergeleken met het natuurscheppen. Dit is ook iets dat uit scheppende, dus geestelijke krachten voortkomt. Maar deze krachten bevatten zich niet zelf. In de menselijke ziel valt ook een soort natuurlijkheid van het vormgeven te observeren, in zover het om de vorming van mythen gaat die in verregaande onbewustheid uit de ziel opwellen zonder dat zij zich daarover rekenschap kan geven. Wat doet in tegenstelling daartoe de mystieke  adept? Hij heeft het met iets soortgelijks te maken, maar is daarbij echter bewust, terwijl  aan de mythevorming  onbewuste vormkrachten ten grondslag liggen. Het is de methode  van bewustmaking van datgene wat ook voor de bewustwording in de ziel aan het werk is, maar door haar over het hoofd wordt gezien, omdat het nu eenmaal onbewust blijft.  De ziel tovert dus iets uit zichzelf tevoorschijn, wat reeds in haar werkzaam is, wat zij echter door innerlijke inspanning bewust kan maken.

            Kunnen wij ons in deze tweeduizend jaar terug liggende belevenis en in de methode van de mysten met ons huidige zielenleven nog indenken?  De Filosofie van de vrijheid is niets meer dan het beleven van een modern mysterie. Daar wordt alleen in een andere metamorfose, aan een ander oord van bewustzijns-ontwikkeling hetzelfde gedaan wat duizenden jaren geleden achter de voorhangen van de mysterietempel geschiede; bewustmaking van datgene wat in het gewone zielenleven onbewust is. Het onbewuste in het gewone zielenleven van de mens is het denken.  Wij vlechten het denken voortdurend in de ons omgevende wereld ineen. Wij vormen de mythe van de ons omgevende concrete wereld van objecten. Alleen is dat ten opzichte van de geweldige Griekse mythe iets langdradigs. Wij vormen strooien mythen. En wel vormen we de mythe van de ons omgevende wereld met onbewust blijvende krachten, omdat we datgene wat de wereld ordent, voortdurend naarbinnen dromen. Wat in de zin van het huidige bewustzijn helder is, zijn de voorwerpen, objecten. Het bewustzijn van de huidige is mens een objectbewustzijn. Hij staat tegenover stoelen, bomen, mensen als zintuiglijke objecten in geordende en gevormde gestalte, daarvan zijn we in onze waaktoestand bewust. Maar hoe komt het dat er objecten bestaan? De helderheid ervan is opgebouwd uit twee minder heldere bewustzijnslagen. Opdat de helderheid van de objecten mogelijk is in goede orde (voor zover deze goede orde er nog is ondanks de menselijke inspanningen om die te storen), droomt u in de objecten voortdurend hun ordeningsrelaties naarbinnen. De objecten zijn helder, maar hun betrekkingen  dromen wij. Dat de objecten een “boven” en “onder”, een “rechts” en “links”,  een “vroeger” en “later” hebben, is niet zo helder dan de objecten als zodanig.  Maar desondanks beleven wij droombewust het gerangschikt-zijn van de objecten  in hun omgeving.  Dat ze daadwerkelijk zo gerangschikt zijn dat ze een “boven” en “onder”  etc. hebben, een “grotere ” of  “kleinere” betekenen, dat droomt u alles en dat moet u uit deze droom met zorgvuldige inspanning tevoorschijn halen. Deze verhoudingen zijn naarbinnen gedroomd in diepe slaap; dat is het wat in onze zintuigen zich voordoet. Daar komen alleen donkere, doffe aanstoten voor die pas oplichten en opgehelderd worden doordat u ordening naarbinnen droomt. Doordat u diepe slaap en droom voortdurend vermengen komt het concrete waakbewustzijn tot stand. Tegenwoordig is wakkerzijn het voortdurende dromen.  Daarvan zich bewust te worden en de diepe slaap te “ontdonkeren” is de opgave van de moderne mysten.


[1] Het hele gedicht is te lezen in “Die Deutsche Gedichtebibliothek” https://gedichte.xbib.de/Novalis_gedicht_An+Tieck.htm

AANKONDIGING REEKS LEZINGEN EN GESPREKSRONDEN OVER HET CHRISTENDOM ALS MYSTIEK FEIT EN DE MYSTERIËN DER OUDHEID

Tijdens het ochtendgedeelte van de ledenvergadering van de AViN op 29 september in Driebergen/Zeist werd de 13-delige inleiding van Herbert ...